101 Nederlandse Voetbaliconen (16) Harry Denis

Geboren: 28 augustus 1896, Den Haag
Overleden: 13 juli 1971, Den Haag
Positie: Verdediger
Clubs: HBS
Actief: 1911-1934
Doelpunten: Onbekend
Nederlands elftal: 56 interlands
Trainer:

Dénis: spreek uit De Nie. Het Haagse HBS heeft twintig internationals voortgebracht. De bekendste is Beb Bakhuys, vanwege die kopbal natuurlijk, maar de technisch volmaakte rechtsback Dénis is de beste. Hij speelt 56 interlands en is 37 keer aanvoerder, en neemt deel aan de Olympische Spelen van 1920 (Antwerpen), 1924 (Parijs) en Amsterdam (1928) en won hierbij in totaal één bronzen medaille.

Een geboren aanvoerder is hij, de Haagse ingenieur. In 1928 mag hij namens alle deelnemers de Olympische eed afleggen. Hij doet dat in een wit pak dat hem bijna een Hollywood-achtige allure geeft. Tot zijn spijt, want Harry Dénis is een bescheiden man die zich op de achtergrond het meest thuisvoelt.


1928: Afleggen van Olympische eed door voetballer Harry Dénis
foto: Onbekend
Henri Léonard Barthélémi Dénis, (Harry), civiel-ingenieur en voetballer. Zoon van Henri Gidéon Cato Dénis, beroepsmilitair en notaris, en Maria Helena Elizabeth Cornelia van der Maden. Dénis bracht zijn jonge jaren in Ned.-Indië door, waar zijn vader als beroepsofficier bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger diende. Voetballen zag hij voor het eerst op de pleinen van Batavia. Het spel intrigeerde hem en hij begon te oefenen met een tennisbal of een prop papier met een touw eromheen. Terug in Nederland versterkte hij aanvankelijk de gelederen van de bescheiden voetbalclub DVV in Den Haag. Maar in 1911 meldde hij zich bij Houdt Braef Stant (HBS), opgericht in 1893 en in 1904 en 1906 landskampioen.

Weldra kreeg hij een vaste plaats in het eerste elftal, in het begin als voorhoedespeler, daarna op de rechtsbackplaats, de positie die hem bij zijn eigen vereniging en later in het Nederlands elftal zijn roem zou bezorgen. Zijn leraren op de hogereburgerschool aan de Stadhouderslaan waren weinig ingenomen met zijn prestaties op het voetbalveld, die ten koste van zijn studie zouden gaan – hij voetbalde aanvankelijk onder een schuilnaam.

In het algemeen stonden opvoeders in deze tijd gereserveerd tegenover al wat met sport had te maken. De meeste burgers hielden zich daarvan afzijdig. Desondanks beleefde de Nederlandse Voetbalbond in de jaren tot en met de Eerste Wereldoorlog een gestadige groei. Tussen 1920 en 1930 zou het aantal leden zelfs verdubbelen van 18.000 naar 36.000, vooral omdat nu ook andere lagen van de bevolking aan deze van oorsprong door de maatschappelijke elite beoefende tak van sport gingen deelnemen. Voetbal werd een volkssport, zij het dat enige clubs, waaronder HBS, het domein bleven van de beter gesitueerden.

Afgezien van een korte periode aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen hij door de overheidsdienst Wederopbouw en Bouwnijverheid in Groningen werd gedetacheerd en als veteraan uitkwam voor Be Quick, bleef Denis HBS altijd trouw. Hij werd zelfs vicevoorzitter van de club en tevens erelid. Erelid werd hij trouwens ook van de KNVB.

Denis, een zuivere amateur die wel wist dat hij zich het maatschappelijk succes op andere manieren kon verwerven, verdedigde waar mogelijk op techniek. Hij beschikte weliswaar over een goede sliding en ook voor de duels was hij niet bang, maar bij voorkeur zocht hij de oplossingen op basis van zijn balgevoel en een groot tactisch inzicht. Soms kreeg hij wel enige kritiek van zijn trainers, want ook het passeren van tegenstanders in het eigen strafschop gebied, behoorde tot zijn specialiteiten.

Hij toonde zich een fijnbesnaard technicus – een ‘wetenschappelijk voetballer’ schreven journalisten – die het tegenspelers door zijn anticiperend vermogen uiterst lastig maakte. Lichamelijke kracht gebruikte hij daarbij zelden. Bovendien viel hij op door zijn koelbloedigheid in hachelijke situaties. Oefenen deed hij twee keer per week. Tegen een verslaggever zei hij: ‘Als ik train, oefen ik me gewoonlijk niet in… voetbal. Ik sprint en train op Ausdauer, ook met hardlopen. Wat het voetbal betreft, is elke week ‘n wedstrijd voldoende.’

Harry Denis was in het veld een geboren leider. Bij zijn twintigste interland werd hij tot aanvoerder benoemd. Hij speelde dus voor de Haagse elitevereniging HBS, maar bij het Nederlands elftal kon hij het ook heel goed vinden met medespelers van arbeidersclubs als Feyenoord, ADO en Blauw Wit. Dat was in zijn tijd voor spelers uit de betere milieus niet meteen vanzelfsprekend. Het was dan ook opvallend dat Denis zich anderzijds enige tijd sterk maakte voor de Nederlandsche Corinthians, de eigenaardige organisatie die in de jaren twintig ontstond binnen de oude eliteclubs en die er nauwelijks een geheim van maakte bitter weinig op te hebben met het “arbeidersvoetbal”.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog moest Dénis drie jaar paraat zijn bij de wielrijdersafdeling. Het internationale voetbal lag toen geheel stil. Dat kwam pas weer in 1919 op gang. Hij had inmiddels bij HBS bewezen over zoveel kwaliteit te beschikken, dat hij werd geselecteerd voor de eerste naoorlogse interlandwedstrijd van Nederland, op 9 juni 1919 tegen Zweden. In de achterhoede – met de legendarische doelverdediger Just Göbel nog als laatste man – maakte hij meteen een uitstekende indruk. Vanaf die datum was een Nederlands elftal zonder hem niet denkbaar. ‘Harry’ Dénis zou in de jaren twintig de trots van ons vaderlandse voetbal worden. Hij had het getij mee. Kranten ruimden steeds meer plaats in voor de sport, en ook het nieuwe medium radio stimuleerde de belangstelling voor het voetbal, dat zo zijn helden kon krijgen.

Nederlands elftal en de buitenspelval

Acht Olympische interlands speelde hij in totaal, waarvan drie tijdens de Olympische Spelen in Parijs. Daar greep de Nederlandse ploeg na vier wedstrijden net naast het brons. Tijdens een duel tegen Duitsland op 21 april 1924 introduceerde Tetzner samen met zijn vriend Harry Dénis de buitenspelval. De Duitsers trapten telkens weer in de truc, wat overigens niet leidde tot sportief succes: 1-0 voor de oosterburen.

Hij nam deel aan de Olympische spelen van 1920 in Antwerpen, en bij de volgende – die van 1924 te Parijs – speelde het Nederlands elftal met hem als aanvoerder in de halve finale de historische wedstrijd tegen Uruguay, dat als een komeet aan de voetbalhemel was verschenen. De nederlaag van de oranjehemden (2-1) kwam niet onverwacht, de wijze waarop evenwel hield de gemoederen in Nederland nog maandenlang bezig.

De Uruguayanen, gestart als favorieten, keken bij de rust tegen een achterstand aan. In de tweede helft namen ze hun toevlucht tot grove overtredingen en kregen zij ten slotte van de Franse scheidsrechter een strafschop cadeau, ondanks heftige maar waardige protesten van Dénis. We hadden, schreef de sportpers alhier, een ‘morele overwinning’ behaald op de Zuid-Amerikanen. Kort na de gebeurtenissen in Parijs leidde Dénis HBS in het seizoen 1924/1925 naar een ongeslagen landskampioenschap, tevens het laatste uit de geschiedenis van deze vereniging.

De eed van Harry Dénis

Dénis was in 1928 aanvoerder van het Nederlands elftal en in deze rol legde hij tijdens de openingsceremonie de Olympische eed af. Dénis is daarmee nog steeds de enige voetballer wereldwijd die deze eer ten deel viel. In het bijzijn onder anderen Prins Hendrik beloofde Harry zich, als vertegenwoordiger van alle sporters, te houden aan de regels die waren gesteld door het Internationaal Olympisch Comité. Met zijn Haagse tongval richtte Dénis zich tot de aanwezigen en sprak:

“In the name of all the competitors I promise that we shall take part in these Olympic Games, respecting and abiding by the rules which govern them, committing ourselves to a sport without doping and without drugs, in the true spirit of sportsmanship, for the glory of sport and the honour of our teams.”

Aan het afleggen van de eed ging wel een rel vooraf en vreemd genoeg was toen de sportiviteit van Denis in het geding. Ruim voor de Spelen officieel werden geopend, moesten de voetballers hun toernooi afwerken. Oranje verloor meteen van Uruguay en tijdens die wedstrijd, zo werd pas dagen later via artikelen in diverse persorganen beweerd, zouden aanvoerder Harry Denis en doelman Gejus van der Meulen zich ernstig hebben misdragen. Beiden zouden uit zijn geweest op een grimmige revanche voor het hoogst onsportieve spel van Uruguay bij de Olympische Spelen van 1924 in Parijs. De beschuldigingen leidden tot een heftige polemiek. Kon iemand nog de Olympische eed afleggen, nadat hij in de kleedkamer enkele medespelers had aangezet tot onsportief spel? Was het geen schande dat het vaantje van de aanvoerder van Uruguay door Denis op een onbehoorlijke manier in het doel was gegooid? En wat te denken van het moment waarop Denis na een overtreding van een speler van Uruguay diens toegestoken hand had geweigerd?

De nacht van Uruguay

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Hendrik lootte in de eerste ronde de confrontatie tussen Nederland en titelfavoriet Uruguay. Hij wist toen nog niet dat dit een historische nacht zou opleveren. ‘De Nacht van Uruguay’ is de boeken ingegaan als de nacht waarin de kaartverkoop voor deze wedstrijd startte. Uruguay was voor voetbalminnend Nederland een van de blikvangers van het toernooi. Het elftal herbergde de dodelijke spitsen Pedro Petrone en Héctor Scarone en was op titeljacht.

In het kantoor van de Nederlandse Handelmaatschappij, aan de Vijzelstraat 32, vond de kaartverkoop voor de wedstrijd plaats in de nacht van 27 op 28 mei. Volgens sporthistoricus Jurryt van der Vooren wilden 200.000 belangstellenden een toegangsbewijs bemachtigen, maar het Olympisch Stadion telde destijds een capaciteit van 30.000. Achteraf bleek dat het overgrote deel van de kaarten al was vergeven in de vorm van passe-partouts en kaarten voor officials. De toestroom naar het kantoor aan de Vijzelstraat was enorm en de politie moest de omgeving afzetten. Bovendien dreigde een bestorming van het bankgebouw nadat bekend werd dat er te weinig kaarten beschikbaar waren. De bemoeienis van dronken zeelieden vanuit de kroegen op het Rembrandtplein, maakte de situatie er niet minder rustig om.

Dubbele finale

De opzet van het toernooi in 1928 was heel simpel. De zestien deelnemende landen streden in een knock-out opzet tegen elkaar. Nederland was geen favoriet, maar Uruguay en Argentinië wel. Nadat zij respectievelijk Italië en Egypte in de halve finale hadden verslagen, kreeg het toernooi de finale waarop veel liefhebbers hadden gehoopt. De eerste wedstrijd in het Olympisch stadion eindigde in 1-1. In tegenstelling tot de opzet van het moderne Olympische voetbaltoernooi, werd in 1928 de finale bij een gelijke eindstand opnieuw gespeeld. Kortom, de kassa rinkelde dubbel. De confrontatie tussen deze twee landen trok 250.000 belangstellenden.

Op 13 juni 1928 betraden beide landen het Olympische veld voor de tweede finalewedstrijd. De winnende 2-1 van Héctor Scarone in de tweede helft leverde het goud voor Uruguay op. Twee jaar later zou Uruguay de titeljacht succesvol voortzetten met de eerste wereldtitel in eigen land. Overigens is de uitslag van de wedstrijd om de bronzen medaille ook het vermelden waard. Italië versloeg Egypte met 11-3!

Dat uitzonderingen de regel bevestigen, heeft de historie van ons voetbal ook in dit opzicht bewezen. Merkwaardig genoeg waren zelfs de beste achterspelers, die ons land gehad heeft, in het geheel geen overmatig fors gebouwde spelers. De allerbeste, Harry Dénis, was van normale lengte en zeker geen zwaargewicht. Men kreeg hem weliswaar niet gemakkelijk tegen de grond, maar van stevigheid moest hij het niet hebben en handigheid met de bal was zijn hoogste troef. Ook Van Kol was niet in de eerste plaats een stevig speler, evenmin als Caldenhove. Alle drie waren goed gebouwde voetballers, maar vertegenwoordigden geenszins het prototype van de ‘full-back’. En twee van de allerbeste achterspelers uit de eerste tijd van onze internationale wedstrijden, n.l. Otten en Stom, waren ook spelers die meer de aandacht trokken door bijzondere eigenschappen dan door gezag inboezemende gestalten.

Tijdens het troosttoernooi speelde Dénis tegen België zijn vijftigste interland. Mede naar aanleiding daarvan werd hij, als eerste speler na ‘Bok’ de Korver, benoemd tot erelid van de Nederlandse Voetbalbond. (In 1929 vierde deze zijn veertigjarig jubileum en mocht hij voortaan het predicaat ‘Koninklijk’ gaan voeren.) Zoals de periode van voor de Eerste Wereldoorlog het tijdperk van De Korver was, kunnen de jaren twintig het tijdperk-Dénis heten. Over geen speler werd vaker de loftrompet gestoken, voor de jeugd was hij voorbeeld en idool tegelijk. Sport, studie en beroep combineerde hij zonder veel problemen.

Dénis speelde in mei 1930 tegen de Belgen zijn laatste interlandwedstrijd; hij was toen de dertig al ruim gepasseerd en voelde zich niet meer volledig geschikt voor zware wedstrijden. Bovendien vertoonden de prestaties van het nationale team een neergaande lijn, wat hem ook al niet inspireerde langer door te gaan. Welgeteld 56 maal had hij het Oranjeshirt aangetrokken, een aantal dat voor de Tweede Wereldoorlog alleen door ‘Puck’ van Heel zou worden overtroffen, hoewel hij recordhouder bleef waar het ging om het dragen van de aanvoerdersband: 37 maal.

Een abrupt einde aan zijn voetbalcarrière kwam er allerminst: tot aan 1940 speelde hij nog bij HBS (in 1934 voor het laatst in het eerste elftal), en tijdens de oorlog diende hij zijn tijd als veteraan uit bij Be Quick in Groningen, waar hij was gedetacheerd bij de Dienst van Wederopbouw en Bouwnijverheid. Ook nadat hij, in september 1944, zijn voetbalschoenen voorgoed aan de wilgen had gehangen, bleef hij het voetbal in Nederland belangstellend volgen. In 1953 benoemde de Koninklijke Nederlandsche Voetbalbond (KNVB) hem als ‘wijze man’ tot lid van de Technische Commissie en de Keuzecommissie van het Nederlands elftal, dat toen zeer matige resultaten boekte.

Tot 1956 diende hij de KNVB en het Nederlands elftal als gewaardeerd lid van de Technische Commissie en de Keuze Commissie. In maatschappelijke zin had hij zijn schaapjes toen al op het droge. Nadat hij in 1926 in Delft als civiel ingenieur was afgestudeerd, stichtte hij in 1931 in Den Haag zijn ingenieurs- en architectenbureau, dat in de Hofstad onder meer de theaters Roxy, Rembrandt en Capitol realiseerde. Tevens werd door dit bureau een groot deel van het oude HBS-stadion Houtrust aangepast. Later werd Denis in Rotterdam directeur van de machinefabriek NV Sonco.

In Den Haag is de Harry Dénisstraat naar hem vernoemd. Hij is de voetballer met de meeste eigen doelpunten in het Nederlands Elftal. Sportliefhebbers bleven zich deze ‘meester op de vierkante meter’ herinneren. Zowel bij gelegenheid van zijn 60e, 65e als 70e verjaardag verschenen beschouwingen in de pers waarin zijn verdiensten nog eens breed werden uitgemeten. Hij overleed in 1971. Dénis ging de geschiedenis in als een der subtielste en sympathiekste voetbalartiesten die Nederland rijk is geweest.

Prijzenkast en erelijst:

* Kampioen van Nederland (HBS): 1925
Nederlands elftal:
* 56 interlands
* Olympische Spelen: 1920, 1924,1928

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Koning Voetbal, resources.huygens.knaw.nl, voetballegends.nl, staantribune.nl