101 Nederlandse Voetbaliconen (32) Barry Hulshoff

Geboren: 30 september 1946, Deventer
Overleden: 16 februari 2020
Positie: Verdediger
Clubs: Ajax, MVV
Actief: 1966-1979
Doelpunten: Ajax (17), MVV (5)
Nederlands elftal: 14 interlands; 6 doelpunten
Trainer: Ajax, Lierse, Westerlo, Beerschot, Sint-Truiden, Aalst, Mechelen

De stoere, maar uiterst vriendelijke voorstopper (baard, lange haren) is een van de eerste voetballers die reclame maakt, voor hondenbrokken van Chappi. In de jaren zeventig is hij een belangrijke pion bij Ajax, als centrale verdediger van een ploeg die Europa verovert en driemaal op rij de Europacup I wint.

In 2010 keert Hulshoff terug bij Ajax als hij wordt gekozen in de ledenraad. Net als Aron Winter, Keje Molenaar, Dick Schoenaker, Peter Boeve en Co Meijer wordt hij voorgedragen door Johan Cruijff.


Barry Hulshoff rots in de branding in de Ajax-verdediging
foto: Pro Shots
Bernardus Adriaan (“Barry”) Hulshoff speelde een redelijke partij voetbal als linkshalf van het jeugdteam van Zeeburgia, maar een ster was hij niet. En toen hij na een onenigheid bij zijn club op aanraden van familieleden probeerde bij Ajax te komen, had Hulshoff bepaald niet een grote loopbaan als profvoetballer voor ogen. Maar het al vrij lange ventje van 16 had toch iets ondefinieerbaars in zijn spel, dat de kritische jeugdleiders bij Ajax ertoe verleidde Hulshoff een ‘jaar op proef’ bij Ajax te laten spelen. Zo werd Hulshoff Ajacied: in A-1 (daarboven was er nog het elftal dat aan de betaalde jeugdcompetitie deelnam) debuteerde hij als linksbinnen. Het begin van een droomcarrière? Vergeet ‘t maar.

Het werd geen succes. In recordtijd degradeerde junior Hulshoff. Hij werd eerst reserve bij A-1, vervolgens opgesteld in A-2, werd reserve bij A-2, vervolgens opgesteld in A-3, werd reserve bij A-3 en kwam uiteindelijk in A-4 terecht, waar hij bijna één seizoen volmaakte vóór hij de weg omhoog vond. Het deerde Hulshoff niet, die abrupte degradatie: ‘Ik voetbalde verschrikkelijk graag. Ik was altijd het eerste op het veld als we een wedstrijd moesten spelen. Maar als ik zelf gevoetbald had was het gedaan met de interesse. Toen ik bij Zeeburgia speelde bleef ik nooit kijken naar het eerste elftal; toen ik in de jeugd van Ajax kwam wist ik niet eens wie er in het eerste elftal spéélden. Ik heb nooit gedacht dat ik dat ooit zou bereiken. Ik voetbalde, omdat ik dat gewoon een prettige ontspanning vond.’

Eigenlijk is Hulshoff toevallig op de stopperplaats terecht gekomen. En als met zoveel anderen (Suurbier, Van Duivenbode bijvoorbeeld) was het trainer Jany van der Veen, die Hulshoff plotseling op een ándere plaats posteerde, waarna er een fraaie loopbaan klaar lag. Toen Hulshoff weggedeemsterd was in de A-4, een omstandigheid die Hulshoff weinig dééd, werd er door een groot aantal blessures een proef met hem genomen als stopper. En in hetzelfde seizoen waarin hij van de A-1 naar de A-4 zakte, maakte hij in vijf weken tijd de sprong omhoog tot naar het regionale jeugdelftal als stopper: ‘Ik weet niet hoe het komt, misschien is het aanleg, misschien is het een psychische zaak, maar achterin voel ik me veel meer op mijn gemak dan voorin. Misschien door het idee dat er voorin een beslissing moest worden genomen in bepaalde situaties. Ik heb er vaak over nagedacht, maar ik ben er niet uitgekomen.’

In dat regionale jeugdelftal (waarin bijvoorbeeld ook Cruijff en Suurbier uitkwamen) speelde Hulshoff voor het eerst tegen Volendammer Gerrit Mühren, met wie hij later bij Ajax een hechte vriendschap zou opbouwen. Hulshoff en Mühren komen door hun bescheidenheid in karakter erg goed overeen. Toen er bij de familie Mühren achter een plaatsje moest worden gebouwd heeft Hulshoff de hele middag lopen meesjouwen, net zo lang stenen aandragend tot de job gedaan was. Hulshoff is zo bescheiden dat hij ook zakelijk niet het onderste uit de kan wil halen: in de regionaal bekende krant De Typhoon schreef Hulshoff zelf geregeld stukkies tegen een uniek honorarium: Hij krijgt in ruil daarvoor een gratis abonnement.

In zijn tweede jaar als Ajacied speelde topjunior Hulshoff zo voortreffelijk, dat hij uiteindelijk gekozen werd als aanvoerder van het Nederlands jeugdelftal, dat in die tijd (Georg Kessler maakte zijn debuut als assistent-bondscoach) bijzonder sterk was en dat in spelers als Johan Cruijff, Willy van der Kuijlen en Wim Jansen een uniek binnentrio had. Hulshoff speelde niet slecht, maar als aanvoerder voelde hij zich geen succes: ‘Ik was er nog niet rijp voor. Ik kan nou eenmaal niet tegen iemand zeggen: “Zo en zo moet het en daarmee uit.” Bovendien had ik vaak de indruk, dat Kessler de sfeer bij de jongens niet aanvoelde.

De man was te autoritair. Dat hoefde helemaal niet, want er heerste onder die jongens toen een fantastische stemming. Kessler had alleen maar hoeven zeggen: “We kunnen ‘t maken” of zoiets. Hij wilde dat ik bepaalde dingen deed als aanvoerder, maar ik was het daar niet mee eens, omdat de sfeer zich voor bepaalde opdrachten niet leende.’

Die sfeer was er wel in het militaire elftal, waar Hulshoff, zoals vrijwel alle voetballers, een heerlijke tijd had, samen met de drie koppen kleinere Aty Graaumans het centrum van de verdediging bezettend. Daarvóór had semi-prof Hulshoff nog een jaartje op kantoor gewerkt. ‘In dat militaire elftal was er precies de entourage die ik nodig had. De sfeer was enorm, je stond niet zo onder druk en misschien daarom was je wel bereid je leeg te vechten. Als er een doelpunt viel, dan had je niet het idee, zoals bij Ajax, dat de hele wereld in elkaar stortte. Integendeel: je zei een keer Godverdomme, zette je schrap en probeerde werkelijk van alles. Door dat militaire elftal is mijn zelfvertrouwen groter geworden. Dat kwam me bij Ajax goed van pas, want daar wist je nooit waar je aan toe was.’

In een top-elftal kunnen de meesters minder dan ooit zonder de knechten. Bij Ajax hadden knechten als Hulshoff, Krol, Suurbier en Neeskens een uitermate belangrijke functie. Dankzij hun instelling konden individualisten als Cruijff en Keizer uitblinken. Hún opofferingsgezindheid is bepalend voor de eenheid, die een top-elftal moet vormen. Zij staan niet zoveel in de publiciteit; hun aandeel is minder spectaculair; zij zijn de underdogs, maar in hun nederigheid zijn zij groot. Barry Hulshoff was een exponent van die lichting.


December 1975: Rinus Michels met Barry Hulshoff voor De Meer.
foto: ANP
Op 9 januari 1966 debuteerde Hulshoff in het shirt van Ajax uitgerekend in De Klassieker tegen Feyenoord (1-1). Hij was best te spreken over zijn spel, maar een week later speelde hij weer in het tweede elftal. Hulshoff kreeg een tweede kans van Rinus Michels in de tweede mistwedstrijd tegen Liverpool op Anfield Road, op 14 december 1966 (2-2), als vervanger van de in de eerste wedstrijd geblesseerde Wim Suurbier. Na de Europacup-finale tegen AC Milan (1-4) in 1969 nam hij de plaats over van Ton Pronk.

Steeds meer bleek hij in staat belangrijke doelpunten te kunnen maken, ook in Europese bekerwedstrijden, zoals tegen FC Basel en Celtic, nadat hij eerder, tegen Spartak Trnava, zowel uit als thuis, een beslissende rol had gespeeld. Dat seizoen onder Kovacs blijkt vooral Hulshoff degene, die autoriteit in de zo gehavende verdediging brengt. Wie Barry Hulshoff zó ziet spelen ontwaart een overtuigende klasse-voetballer, die niet gemakkelijk uit zijn evenwicht te brengen is.

Pas na het drama bij Dukla (maart ’67), nadat Hulshoff tot veler verrassing al een uitstekende partij had gevoetbald in de uitwedstrijd tegen Liverpool, kreeg Hulshoff een min of meer vaste plaats naast Velibor Vasovic, de man van wie hij zo veel heeft geleerd: ‘Ik ben nog nooit bij hem op visite geweest en hij niet bij mij. Maar we begrepen elkaar volkomen, zonder dat we veel hoefden te zeggen. Ook in het veld: als ik het moeilijk had bleef Vasco in mijn rug ter bescherming, als ik goed draaide wist Vasco dat ook, dan nam hij meer risico’s dan anders. Maar dat kón dan ook.’

Niettemin verloor Hulshoff incidenteel weer zijn plaatsje naast en voor Vasovic. Die politiek leidde er toe dat Hulshoff voortdurend op de transferlijst verscheen. Niet omdat hij zijn marktwaarde wilde vastgesteld zien, maar gewoon omdat hij genoeg had gekregen van alle voor hemzelf onbegrijpelijke manipulaties. Over Michels als coach zei Hulshoff: ‘Vooropgesteld dat de man zijn vak als geen ander verstond en erg intelligent was, maar hij had twee gezichten, dat zei-ie tenminste altijd zélf. Er was een trainer Michels en er was een mens Michels. De mens heb ik pas in het laatste jaar een klein beetje leren kennen, tijdens feestjes. De trainer Michels heb ik veel intensiever meegemaakt.

Ik had soms wel ‘ns het idee dat-ie bepaalde beslissingen alleen maar nam om te bewijzen hoe hard hij wel was.’ (Michels deed dat inderdaad: altijd op de momenten dat hij meende dat de groep een injectie nodig had, omdat verslapping dreigde. Dat enkele spelers in die groep zo’n maatregel niet ‘nodig hadden’ calculeerde Michels in. Een speler als Hulshoff is te serieus en te zelfstandig om voortdurend gecorrigeerd te hoeven worden. Michels liet dan het groepsbelang, zijn stokpaardje, prevaleren boven het individuele).

Hulshoff signaleert ook het duidelijke verschil tussen Michels en Kovacs kernachtig: ‘Michels ging uit van een bepaald elftal, dat volgens strakke lijnen voetbalde. En iedereen moest zich daaraan ondergeschikt maken. Kovacs gaat uit van het beschikbare spelersmateriaal en gaat daarmee de mogelijkheden na. Dat vind ik redelijker.’

Ook de sportpers heeft Hulshoff lange tijd onderschat: Hulshoff was vrijwel altijd de zondebok. Hij trok zich dat aan: ‘Als er in de kranten stond dat ik slecht gespeeld had, dan liep ik de wedstrijd erop eerder tegen mezelf dan tegen de tegenstander te voetballen. Ik werd er steeds onzekerder van.’ Daaraan werkte eigenlijk ook Rinus Michels mee. Jaren achtereen deed Michels met Hulshoff zo op het oog de vreemdste dingen, hoewel Michels vaak met opzet een maatregel nam om Hulshoff te prikkelen: Het mag bekend worden verondersteld, dat Michels niet bang was zichzelf minder populair te maken als de prestaties maar omhoog gingen. Niettemin was er tussen Hulshoff en Michels weinig contact: ‘Ik heb nooit een gesprek gehad dat langer dan drie minuten duurde. En dan ging het verzoek altijd van Michels uit.’

De afknapper tussen Michels en Hulshoff vond zijn oorzaak, volgens Hulshoff, in een gesprek aan de vooravond van een competitie-wedstrijd tegen GVAV, een week voor het kampioensduel tegen Fortuna ’54. Hulshoff: ‘Michels riep me voor die wedstrijd tegen GVAV bij zich en vertelde me toen dat ik tegen GVAV wel en tegen Fortuna ’54 niet zou meespelen. Toen ik vroeg “waarom” zei hij zoiets van “dat het zo het beste was.” Dat gevoel had ik altijd als ik met Michels sprak: hij vertelde nooit de ware reden. Dat is Michels in optima forma. Er was altijd wel een of ander mooi cliché. Toen hij gezegd had: “Ik acht ‘t beter” klapte ik helemaal dicht. Ik heb ‘m geloof ik twee à drie minuten niet begrijpend zitten aan te staren. Toen vroeg Michels: “Heb je nog wat te vragen?” Ik zei vervolgens: “Nee” en liep de deur uit.’

Vanaf dát moment had Hulshoff geen enkele behoefte aan gesprekken: ‘Als ik om opheldering zou vragen, zou ik toch niets wijzer worden. Michels zei nooit echt waarom hij iets deed. En het was gek, maar ik merkte aan alles als hij van plan was iets te doen waarvan ik de dupe zou worden.’ Michels zou later opnieuw een dergelijke maatregel nemen, toen hij in mei ’70 Hulshoff (samen met Bals en Mühren) niet opstelde voor de kampioenswedstrijd tegen SVV. Toen is Hulshoff bijzonder kwaad geweest: ‘Ik heb dat nooit kunnen begrijpen. Als het een manier was om mij te prikkelen, dan was het wel een hele gevaarlijke manier. Als ik gekund had was ik weggegaan. Maar ik stond nog onder contract.’

Michels prikkelde Hulshoff ook nog op een andere manier. Tot drie keer toe kleedde hij het tactische praatje voor een belangrijke wedstrijd zó in, dat het zwaartepunt kwam te liggen op Hulshoff. Met als voornaamste thema: zou Hulshoff in staat zijn de directe tegenstander volkomen aan banden te leggen, ten koste van alles? Michels keek dan langs Hulshoff naar Vasovic, de vrije verdediger, die vaak áchter Hulshoff speelde. ‘Vasco,’ sprak Michels dan, ‘ik zou je deze wedstrijd wel iets meer aanvallend willen laten spelen, maar dat kan nou eenmaal niet. Want als Barry één-tegen-één komt te staan is hij in staat zijn man te laten lopen. Dan zal hij hem niet koste-wat-het-kost afstoppen. Dat is zijn natuur nu eenmaal niet. Dat weet je.’ Zo’n opmerking van Michels had tot doel Hulshoff tot een optimale prestatie te prikkelen. En dat lukte.

Maar Hulshoff relativeert in dat opzicht: ‘Ik wist verrekte goed wat Michels bedoelde. Het interesseerde me niet wat híj zei. Ik deed het voor de jongens. Ik dacht: Ik zal de andere jongens laten zien dat ze op mij wel kunnen vertrouwen. Ik voelde me verantwoordelijk voor de andere spelers op zulke ogenblikken’ (wat volgens mij inhoudt, dat die prikkels van Michels wel degelijk effectief bleken; al deed Hulshoff het dan niet voor Michels, hij deed toch maar wat van hem verlangd werd). Vooral dat laatste incident, na SVV, brak merkwaardigerwijs het laatste restje onzekerheid in Hulshoff. Terwijl Michels Suurendonk de opengevallen plaats van Hulshoff beloofde moest Hulshoff zich schikken in de ondankbare rol van ‘stoorzender’ in de spits van de aanval. Michels wilde op die verrassende manier het gemis van Cruijff opvangen. En opnieuw ging Hulshoff door de hel. Met het shirt met rugnummer negen spelend werd hij prompt vergeleken met Cruijff, wat een voor hem (Hulshoff) zeer pijnlijke golf van kritiek tot gevolg had.

Tóch hamerde Michels almaar op die hardheid van Hulshoff. Niet dat hij Hulshoff tot schoppen naar de tegenstanders wilde verleiden, maar hij verwachtte van Hulshoff een brok onverzettelijkheid, een oneindig vermogen de trucs en provocaties te incasseren en een nooit te verslappen concentratie. Juist omdat de spelers die met de mandekking belast worden zo’n grote verantwoordelijkheid hebben. Hún man mag niet vrijkomen – als één van de verdedigers zich niet aan zijn taak houdt is het concept op slag waardeloos. Dus gaat het erom dat Hulshoff zijn directe man te allen tijde in bedwang houdt. Of dat nou een klein, handig kereltje als Kowalik is, een giftige sneltrein als Kindvall of een inktvis als de Griek Antoniadis, Hulshoff moet onbuigzaam zijn. Hoe? Dat was Michels een zorg. Als het maar gebeurde. ‘Daar,’ zegt Hulshoff, ‘begon de narigheid. Als Michels me zei: zó en zó moet je spelen, ging het vaak fout. Elke wedstrijd ben je anders. Voor elke wedstrijd is de geestelijke en lichamelijke situatie verschillend en afhankelijk van veel factoren. Zo speel je ook: eigenlijk elke week anders. Dat deed ik op het laatst ook.’

Hulshoff speelde van 1965 tot 1977 bij Ajax. Hij was, eerst naast Velibor Vasovic en later naast Horst Blankenburg een van de centrale verdedigers van ‘het Gouden Ajax’. Hulshoff was een kopsterke verdediger, die ook herhaaldelijk scoorde. Niet alleen met het hoofd, maar ook met de voet. Hij was de persoonlijke duels, en bij corners ook gevaarlijk voor het vijandelijke doel. Tevens had hij een prima trap in de benen. Met Ajax won Hulshoff zeven landstitels, vier keer de KNVB-beker, driemaal de Europa Cup I en één keer de Wereldbeker.

Hij was ook de vriendelijkste man ter wereld. Iemand die nooit graag in de belangstelling heeft gestaan, want veel te verlegen, maar als voetballer één brok onverzettelijkheid, met die angstaanjagende baard van hem. Zonder Hulshoff, en Neeskens en al die anderen die zich zo goed konden wegcijferen hadden Cruijff en Keizer nooit kunnen excelleren.

Het was de denker, de bijna filosofische Hulshoff ten voeten uit. Het legendarische WK van 1974 zou later door een blessure aan zijn neus voorbij gaan. Dat gold ook voor die andere befaamde centrale verdediger, Aad Mansveld. Beiden behoorden nog wel tot de ploeg die de kwalificatie afdwong tegen België in het Olympisch Stadion. Maar in de voorbereiding op het mondiale toernooi moest Hulshoffs oude coach Michels voor een ander centraal duo kiezen. Dat werd noodgedwongen Arie Haan-Wim Rijsbergen en het Totaalvoetbal was, een beetje bij toeval, geboren.

Het WK in West-Duitsland had de kroon op het werk moeten worden voor Hulshoff na een aantal jaren van ongekende successen met Ajax. De verdediger maakte de opkomst en de ondergang van het gouden team mee. Als international maakte hij relatief veel goals: zes in veertien interlands.

Barry Hulshoff was een halve eeuw (…) geleden de Johnny Heitinga van zijn tijd. De ‘Appie’ Nouri, of de Donny van de Beek, een jongen van de club en de stad Amsterdam, afkomstig van Zeeburgia. De ‘fluwelen’ revolutie van Rinus Michels begon halverwege de jaren zestig met het laten doorstromen van drie spelers uit de eigen opleiding: Cruijff, Suurbier én Hulshoff.

Hulshoff speelde naast Ajax voor MVV uit Maastricht. Ook verkoos hij een buitenlands avontuur in Oostenrijk. Grazer AC was de club die de verdediger met de lange haren en de ruige baard binnen hengelde. Tegen het einde van zijn actieve carrière ging de Deventernaar in Zuid-Limburg wonen. Hij speelde enkele jaren bij MVV en bouwde een opvallend huis in Eijsden.

In 1988 maakte Hulshoff met Spitz Kohn en Bobby Haarms deel uit van de trojka die de ontslagen Johan Cruijff opvolgde. Het drietal dirigeerde Ajax naar de EC II-finale, waarin het KV Mechelen van Aad de Mos te sterk bleek. Vervolgens werd Hulshoff trainer bij diverse clubs in die streek en in België bij o.a. Wuustwezel, Lierse SK en Eendracht Aalst. Later was hij nog twee seizoenen technisch directeur van Willem II, zonder veel succes. Vanaf juni 2012 als assistent coach bij KVC Westerlo. Op 14 december 2010 werd Hulshoff gekozen in de ledenraad van Ajax. Dit gebeurde na een oproep van Johan Cruijff om meer oud-voetballers in de ledenraad te krijgen.

Hulshoff was in 1973 in een kleine gastrol te zien in de film Op de Hollandse toer van Wim Sonneveld. Hulshoff was de eerste Nederlandse voetbalprof die in de Ster-reclame te zien was. In 1974 maakte hij met zijn Duitse dog Boeddha reclame voor het hondenvoermerk Chappi. Hulshoff kreeg in natura uitbetaald: Chappi voor zijn hond en voor hemzelf een videorecorder.

Sinds 2016 was Hulshoff de begeleider van Matthijs de Ligt. Een betere, meer integere persoonlijkheid als adviseur had de jonge stervoetballer niet kunnen treffen. En dat aimabele had hij al in 1974. ‘Iedereen zegt dat ik er woest uitzie, maar ik realiseer het mezelf helemaal niet.

Prijzenkast en erelijst:

* Kampioen Eredivisie: 1965/66, 1966/67, 1967/68, 1969/70, 1971/72, 1972/73, 1976/77
* KNVB Beker: 1966/67, 1969/70, 1970/71, 1971/72
* Europacup I: 1970/71, 1971/72, 1972/73
* UEFA Super Cup: 1972, 1973
* Intertoto Cup: Poulewinnaar in 1968
* Wereldbeker voor clubteams: 1972
Nederlands elftal:
* Interlands: 14; doelpunten: 6

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Koning Voetbal, Voetbal International, De Ajaxieden (1971)-Maarten de Vos, reportersonline.nl, kentudezenog.nl,