101 Nederlandse Voetbaliconen (37) Piet Keizer

Geboren: 14 juni 1943, Amsterdam
Overleden: 10 februari 2017, Amsterdam
Positie: Aanvaller
Clubs: Ajax
Actief: 1961-1974
Doelpunten: 146
Nederlands elftal: interlands: 34; doelpunten: 11
Trainer: Technisch Adviseur Ajax

Piet Keizer of Johan Cruijff, dat is eind jaren zestig, beginjaren zeventig de vraag, zoals ook Beatles-fans in dat tijdvak voor een principiële keuze (Lennon of McCartney) worden gesteld. Amsterdammer Keizer is bij Ajax de grillige stilist, de geniale linksbuiten van de droomvoorhoede die de ‘schaar’ als handelsmerk heeft en zich soms minutenlang aan het spel onttrekt. Het is de tijd dat Ajax vanwege de enorme successen in Europa de aandacht trekt van creatieve geesten en (pseudo)-intellectuelen. In de hype richten ze zich vooral op Keizer – tot ergernis van de voetballer zelf.

Hij spreekt zo tot de verbeelding dat Theun de Winter in 1973 voor uitgeverij Erven Thomas Rap een poëziebundel samenstelt. Elf gedichten voor Piet Keizer, met bijdragen van onder anderen C.Buddingh, Marga Minco, Jan Wolkers en Mensje van Keulen. Keizer vindt het maar niks. “Hij toonde gereserveerde belangstelling en wekte niet de indruk vereerd te zijn.” schrijft De Winter in de inleiding.

In een interview in dezelfde bundel legt Keizer op fraaie wijze uit waarom het van hem niet had gehoeven. “Ik sta er echt helemaal buiten. Mijn gedachten staan erbuiten en daadwerkelijk sta ik erbuiten. Er wordt door anderen een stukje van mij gepikt zonder dat ik er iets aan kan doen. Ik ben misschien wel tegen, maar dat heeft geen zin. Als dit een wedstrijd is, heb ik nu duidelijk verloren.”


1971: Piet Keizer aan de bal voor de Oost-Duitse doelman Croy.
foto: ANP
Peter Johannes (Piet) Keizer was de linksbuiten van de gouden voorhoede van Ajax, in de tijd dat deze club drie jaar achter elkaar de Europacup I won. Uitkomend voor Ajax was hij een van de meest scorende spelers.

Al op zeer jeugdige lijftijd was Piet Keizer een voetballer over wie de meningen waanzinnig ver uiteenliepen. En dat is eigenlijk altijd zo gebleven, ook al werden zijn prestaties evenwichtiger en zijn gedrag beheerster. Keizer is een speler die ofwel fervente aanhangers, ofwel fanatieke critici heeft. Een tussenweg is er niet. Het meest typerende is wel dat vooral mensen die Keizer níét kennen hem een vervelende, hautaine, uitsloverige en gemene voetballer vinden. Nog typerender is het dat iedereen die Keizer wat beter heeft leren kennen waardering voor hem heeft. Keizer: ‘Ik heb het altijd veel belangrijker gevonden dat ik goed kon opschieten met mensen met wie ik samen heb gewerkt. Als het over een wat langere periode ging heb ik haast altijd prettig met de mensen omgegaan.’

Het is goed even stil te staan bij dat prille begin van sterspeler-in-spé Piet Keizer. In tegenstelling tot hardnekkig circulerende geruchten heeft Keizer al vrij jong het idee gehad dat hij een goede toekomst had als betaalde voetballer, ook al in de periode rond 1960, toen betaald voetbal in Nederland nog een lachertje was: ‘Een onderontwikkeld gebied,’ zegt Keizer. Zou betaald voetbal op niveau in Nederland een niet haalbare kaart blijken, dan zag Keizer nog altijd het buitenland als een mogelijkheid veel geld te slaan uit zijn opvallende kwaliteiten: ‘Ik was pas 17 toen ik voor het eerst in Ajax-1 speelde. Ik kon makkelijk meekomen, het ging allemaal vanzelf. Ik had er vertrouwen in dat ik iets kon bereiken, want ik hoefde er eigenlijk maar heel weinig voor te doen en te laten.’

In dat begin was Keizer inderdáád een ‘moeilijke jongen’, wat nauwelijks impliceert dat hij later zo’n gemakkelijke voetballer is geworden. Hij was pas vijftien toen hij al mee mocht doen aan een toernooi in Enschede, waar Ajax’ hoogste jeugdelftal was ingeschreven. Keizer was een virtuoos, nauwelijks te stoppen in zijn acties en zijn leeftijdgenoten ver vooruit. In vergelijking met bijvoorbeeld Cruijff was Keizer al veel verder. Misschien daardoor ontwikkelde hij zich in een voor de buitenwacht ongunstige richting. Zichzelf analyserend weet Keizer: ‘Ik was een jongen die wel kon voetballen, maar die moeilijk te hanteren was. Ik dacht namelijk: omdat ik goed kan voetballen mag ik niet door anderen geschopt worden. Dat maakte me natuurlijk erg kwetsbaar. Want als ik geschopt werd en ik vond dat de tegenstander de bal nooit meer kon raken, dan reageerde ik door terug te schoppen. Ik vond dat onrechtvaardig.’

Zo kreeg de kwalijke reputatie van het eigenzinnig talent Keizer stilaan gestalte. Een belangrijke rol speelde ook zijn optreden in het Nederlands jeugdelftal (16-18 jaar). In totaal speelde Keizer vier wedstrijden mee, maar aan die reeks hield hij een officieuze schorsing van de KNVB over: hij zou wegens wangedrag voorlopig niet meer voor nationale elftallen in aanmerking komen. Aanleiding daartoe was een wedstrijd in het Europees toernooi in Lissabon tegen België die uiteindelijk in een gelijkspel (1-1) eindigde. Het radioverslag van Dick van Rijn liet er geen twijfel over bestaan dat de Nederlandse jeugd het aanzien van de natie ernstige schade had berokkend en dat dit optreden voornamelijk werd geïnspireerd door de linksbinnen van Ajax, Piet Keizer. ‘Een jaar of wat later,’ zegt Keizer, ‘is Van Rijn eens naar me toegekomen. Hij vertelde dat hem die vrij sensationele reportage van destijds niet erg lekker zat. Ik heb dat radioverslag zelf nooit gehoord, maar ik weet wel dat mijn ouders knap overstuur waren, toen ik thuiskwam.’

Wat nóóit vermeld werd is de voorgeschiedenis tot die beruchte wedstrijd tegen de Belgische junioren. Keizer vertelt: ‘Een maand daarvóór hadden wij in Antwerpen vriendschappelijk tegen België gespeeld. We wonnen daar met 3-2 en ik had in die overwinning geloof ik nogal een duidelijk aandeel. Ik speelde toen tussen Corrie Adelaar en Eddy van der Graaf in. Dat waren de Belgen niet vergeten. Toen we in Portugal weer tegen de Belgen kwamen te staan hadden zij een tactisch snufje in petto. Met nummer 9 op de rug trapte de spil af en meteen daarna is hij bij mij gaan lopen. Het was een beul van een kerel, die maar liep te schoppen. En dat leidde weer tot duidelijk revanches. Op het laatst is Willem de Vries maar naar voren gegaan – die was lichamelijk veel sterker dan ik – en ben ik maar achter gaan spelen. Ik heb me laten vertellen dat de toenmalige voorzitter van de KNVB, ik meen dat het Schröder was, een reprimande heeft gekregen van Sir Stanley Rous, die ook in Portugal was. Terwijl de scheidsrechter in die wedstrijd niet was opgetreden.’

In de publiciteitsmedia werd zijn talent hoog geprezen, want in het voorjaar van 1961 voetbalde amateur Keizer (17) voor de eerste maal mee in Ajax-1, uitgerekend tegen Feijenoord op 5 februari 1961. een thuiswedstrijd die met 1-0 door Feyenoord werd gewonnen. Keizer: ‘Van die wedstrijd kan ik me drie dingen herinneren. In de eerste tien minuten kreeg ik een goede kans, maar ik schoot in het zijnet. Dat vond ik vrij stom. Daarna heb ik een bal van mijn eigen doellijn getrapt en in de laatste vijf minuten ging ik langs een paar tegenstanders, gaf een voorzet die een van de gebroeders Groot gemakkelijk had kunnen inkoppen, maar de andere wist niet hoe de situatie achter hem was, kon er net niet bij en maakte toen hands.’

Daarna maakte Keizer twee doelpunten tegen Rapiditas (bekerwedstrijd) en scoorde hij tegen PSV in een uitwedstrijd, die met 3-1 werd gewonnen. (Het is misschien aardig om de opstelling van dat elftal te geven: Hoogerman; Ouderland, Pronk, Smit; Schaaphok, Muller; Swart, Henk Groot, Westra, Prins en Keizer. Trainer was de Engelsman Vic Buckingham, die later nog een belangrijke rol in Keizers leven zou spelen).

Juist in het seizoen, waarin Keizer voor Ajax stilaan goud waard werd (1963/64), gebeurde er iets verschrikkelijks, dat het leven van Piet Keizer nadien duidelijk heeft beïnvloed. Het gebeurde een week voor hij uit de luchtmacht zou afzwaaien, op 25 maart 1964 in het Olympisch stadion, in de periode dat DWS een zeer sterke ploeg had. Keizer verhaalt: ‘Het was een keiharde wedstrijd, er waren soms botsingen bij, dat was niet te geloven. Op een gegeven moment sprintten Pijlman en ik naar een stuiterende bal. Ik was iets meer op snelheid dan Pijlman en kopte de bal weg op het moment dat Pijlman ook kopte. Die kopte niet de bal, maar mijn hoofd.’ Die klap was tot in de nok van het stadion te horen – opeens was het muisstil, alsof het publiek aanvoelde dat er iets ernstigs was gebeurd.

Keizer weer: ‘Ik ben eruit gegaan, ik liep te duizelen, maar ik moest dóórvoetballen. Ik voelde me misselijk worden, ging weer naar de bank en toen hoorde ik wéér dat ik door moest spelen. Ik heb toen gescholden en geschreeuwd, ik verdómde ‘t. Ik ben met de ziekenauto naar huis gereden, waar de dokter een hersenschudding constateerde. Ik heb aanvankelijk een paar dagen thuis gelegen en poeders gekregen, maar helemaal goed was het niet. Op een gegeven ogenblik dacht iedereen dat ik maar wat lag te ijlen, maar dat was allemaal een misverstand. Ik wist erg goed wat ik deed en zei, maar ik denk dat het grapje dat ik maakte verkeerd overkwam. Wel heb ik op een gegeven moment om sterkere poeders gevraagd, maar dat is, waarschijnlijk door het weekend, een beetje misgelopen. In ieder geval moest ik voor een dagje naar het militair hospitaal Oog in Al in Utrecht, ter observatie. Toen hoorde ik opeens dat ik moest worden geopereerd omdat het niet best was.’

‘Ik vroeg toen meteen of mijn ouders wel toestemming hadden gegeven, want ik dacht dat die van niets wisten. De artsen vertelden me dat mijn ouders geen bezwaar hadden gemaakt, maar ik geloof het nog steeds niet. Dat kwam ook wel omdat ik een stel prikken had gehad, die me nogal versuft hadden gemaakt. In allerijl is toen de clubarts van Ajax, dokter Posthuma, opgetrommeld en die heeft me dingen verteld die wel zwaar wogen. Die zei zoiets van: “Laat het nou maar doen, anders ga je hardstikke dood. Het is heel dringend.” Het bleek dat er een barst in mijn schedel zat en dat er een bloedstolsel tussen schedel en hersenvlies zat. Dat moest worden verwijderd.’


1967: Piet Keizer in duel met Theo van de Burgh (ADO) in een wedstrijd die Ajax met 5-3 wint.
foto: ANP
Die operatie slaagde wonderwel. Keizer lag vijf weken in het ziekenhuis en genas naar zijn idee erg snel. Hoewel hij zich ‘prima’ voelde, keurden de artsen hem voorlopig af voor de voetballerij. Insiders meenden dat er aan de loopbaan van het wereldtalent Keizer een dramatisch einde gekomen was. Keizer zelf was minder pessimistisch, omdat hij zich lichamelijk en geestelijk in orde waande. Keizer voelde zich opgelucht dat hij de gevolgen van die ernstige blessure onverwacht goed doorstaan had. Uit pure blijdschap reageerde hij zich af door te doen wat hij wilde. Keizer was losgeslagen. Hij leidde een onregelmatig leven, rookte en dronk meer dan voor een sportman goed is, werkte niet en gedroeg zich in alles als iemand die een loopbaan als voetbalprof had opgegeven.

En die ‘gedwongen vakantie’ was voor hem niet meer dan de aanloop tot wat de werkelijke voetballer Keizer zou gaan worden. Onder leiding van jeugdtrainer Jany van der Veen (Keizer: ‘Die kwam elke morgen om me te trainen, anders had ik toch maar tot 2 uur ‘s middags op mijn bed gelegen’) en met steun van trainer Vic Buckingham, die weer bij Ajax terug was (Keizer: ‘Buckingham nam de angst voor een groot gedeelte weg door te vertellen dat mijn blessure in Engeland zeer vaak voorkwam. Dat heeft me geholpen’), begon Keizer stilaan weer te trainen om het weelderige, maar wel overtollige vet weg te werken.

Wat méér was: de operatie, met alle sores eromheen, heeft Piet Keizer voor de rest van zijn leven beïnvloed. Met het einde van een zo veelbelovende loopbaan zo duidelijk voor ogen leerde Keizer méér dan ooit relativeren.

Na een succesvolle operatie begon de lange revalidatie en op 13 december 1964 vierde hij zijn rentree. De nieuw aangestelde coach Rinus Michels liet Ajax overschakelen van het stopperspilsysteem naar 4-2-4, waardoor Keizer linksbuiten werd, met rugnummer 11. Dit kostte international Peet Petersen z’n basisplaats.

Piet Keizer speelde een belangrijke rol in de definitieve omslag van Nederlandse topclub naar een club die Europa zou gaan overheersen. Daarvoor moeten we terug terug naar die wedstrijd tegen Basel in 1970, alweer een halve eeuw geleden. In zekere zin kan die worden beschouwd als de opmaat naar de meest succesvolle periode in de geschiedenis van Ajax. Tot dan toe waren die successen incidenteel geweest. De ene wedstrijd werd glorieus gewonnen van Liverpool, de andere ­wedstrijd sneu verloren van Dukla Praag. Een jaar eerder had Ajax de finale gehaald van wat nu de Champions League heet. Het werd een kansloze ­nederlaag tegen AC Milan.

De voortekenen voor de wedstrijd ­tegen de Zwitserse landskampioen Basel waren niet hoopgevend. In de nationale competitie was Ajax tot dan toe matig op dreef. Tot overmaat van ramp zou ­Johan Cruijff wegens een liesblessure ontbreken. Maar Piet Keizer zette in zijn plaats vanaf de eerste minuut de toon. Hij dirigeerde het elftal naar de eindstand van 3-0. ‘Een keizerlijke show’, schreef De Telegraaf een dag later over een wedstrijd die ‘in lange tijd niet meer is vertoond in het Europese bekertoernooi’. De magistrale Piet Keizer heeft in alle drie de doelpunten de hand gehad. ‘Als solist en in de combinatie schitterde hij in flonkerende stijl.’ Vervolgens zou Ajax drie seizoenen lang heersen over alle voetbalvelden ter wereld.

Piet Keizer was heel technisch en had een fantastische traptechniek. Hij legde de balen neer waar hij wilde. Piet Keizer snelde voorbij zijn tegenstander tijdens Ajax’ eerste Europa Cup-finale in 1971 tegen Panathinaikos waarna Dick van Dijk de 1-0 kon inkoppen.

Aan die hegemonie zijn in eerste instantie de namen verbonden van Johan Cruijff als sterspeler en Rinus Michels als architect. In vergelijking met die twee is Piet Keizer hard op weg naar de vergetelheid. Je moet als voetballiefhebber inmiddels al bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt om met gezag te kunnen beweren dat zijn aandeel minstens zo groot was (en dat hij eigenlijk nog beter was dan Cruijff).

Keizer toonde ook daadkracht búíten het veld: het installeren van een spelersraad, het zoeken naar een manier inspraak te krijgen en nog veel meer kleinere zaken. Keizer heeft zich onder Michels vooral de laatste seizoenen noodzakelijkerwijs ingehouden. Het is niet te veel gezegd wanneer men beweert dat Keizer en Michels elkaar niet lagen.

Als Keizer het afstandelijk formuleert zegt hij: ‘Michels had het idee dat je in profvoetbal keihard moet zijn en dat je alle menselijke factoren moet uitschakelen. Omdat ik in wezen niet ongevoelig ben had ik daar vaak een andere mening over. Volgens mij heb je die menselijke gevoelens juist hard nodig, omdat je met een team werkt. Je kunt het wel enigszins scheiden, maar je kunt het niet helemaal wegcijferen, zoals Michels het deed. Tenminste in een heleboel dingen niet, nee.’

Michels ergerde zich vaak aan Keizer, omdat Keizer weigerde zijn persoonlijkheid weg te moffelen. Keizer had vaak kritiek en aarzelde niet daarmee voor de dag te komen. Michels zag in Keizer een doorlopend en ondermijnend gevaar voor zijn gezag, vooral omdat hij de invloed van Keizer op de rest van de spelers kende. Eigenlijk vanaf het begin is de verhouding allerminst ideaal geweest, al waren er korte periodes dat alles normaal functioneerde. Maar vooral na de uitwedstrijd tegen Arsenal, in het voorjaar van 1970, toen Ajax met 3-0 werd geklopt in het toernooi om de Runners Upbeker, is de relatie Michels-Keizer verschrikkelijk gespannen geweest. Wie beide heren kent vraagt zich af hoe was die verwijdering tussen twee zulke intelligente mensen mogelijk? Vooral omdat het duidelijk was, dat zowel Keizer als Michels onder de spanningen leden.

Keizer is veel te trots om zich als een onpersoonlijk nummer te laten behandelen. Keizer is een vedette, en nog een verstandige ook. Michels wenste geen onderscheid te maken. Hij kankerde eerder op Cruijff en Keizer dan op de rest. Bovendien ergerde hij zich eraan dat Keizer niet altijd deed wat er van hem verwacht wordt. Michels kan er niet tegen als de onzekerheidsfactor te groot wordt. Al vrij kort na Michels’ entree ontstond er een ernstig verschil van mening tijdens een trip naar Spanje, waar Ajax, zojuist kampioen geworden, als sparringpartner van het Spaanse nationale elftal zou fungeren. Door het slechte weer werden enkele vluchten naar La Coruna, waar de wedstrijd zou worden gespeeld, afgelast en Keizer durfde niet meer met een in allerijl te voorschijn getoverd toestel te vliegen. Dus huurde hij een auto en reed de 600 kilometer naar La Coruna in zijn eentje. Keizer: ‘’s Avonds in een hotel belde ik naar Ajax om te vragen of het nog zin had door te rijden. Het antwoord was ja, ik zou de tweede helft meedoen. Dat gebeurde niet, ik blééf reserve. Ik mocht ook de auto niet terugrijden, al hadden sommige spelers aangeboden dat ze met me mee wilden rijden om af te wisselen. In plaats daarvan reed het bestuur die wagen terug…’

Keizer bleef, zoals gepland, voor vakantie in Spanje achter, maar aan het begin van het seizoen stond hij er de eerste wedstrijden wéér naast. Hoewel het intern bleef was het in de boezem van Ajax langzamerhand geen geheim meer dat Michels en Keizer als twee kemphanen tegenover elkaar stonden. Het bestuur van Ajax zat in een lastig parket, omdat sterspeler Keizer net zo moeilijk gemist kon worden als de bewierookte trainer Michels.

Er waren tijden dat Michels en Keizer geen woord met elkaar wisselden: Keizer speelde voor wat-ie waard was en Michels liet hem in ruil daarvoor met rust. Er waren ook tijden dat de communicatie weer langzaam op gang kwam, maar dat duurde nooit erg lang, omdat de vrede er een van kunstmatige aard was. In ieder geval bleek nà Arsenal, toen Keizer zich ten opzichte van de spelers duidelijk uitsprak en alle bestaande misverstanden wegwerkte, dat de spelers de kant van Keizer kozen, toen Michels hen voorstelde Keizer uit de selectie te stoten.

De voortdurende conflictsfeer maakte zowel Keizer als Michels rijp voor het vertrek bij Ajax. Keizer wilde best bij Ajax weg, al had hij een contract tot ’73 en dus nog drie jaar voor de boeg; Michels kwam pas tijdens het wereldtoernooi in Mexico enigszins tot bezinning. Vooral het incident na de wedstrijd tegen SVV, toen de spelers zich onder aanvoering van Keizer beraadden over eventuele stappen tegen de maatregel Bals, Mühren en Hulshoff te passeren, zat Michels hoog.

Het pleit wel voor de instelling van Keizer dat hij aan het begin van het seizoen, waarin Ajax tenslotte de Europa Cup zou winnen, naar Michels is toegestapt om hem een compromisvoorstel te doen. Het was voor Keizer een geweldige concessie, die hij pas deed nadat hij zijn eigen belang ten opzichte van dat van zijn gezin had afgewogen.


1972: Finale Europacup I: Ajax tegen Inter Milaan 2-0; Mauro Bellugi (links) en Piet Keizer (rechts) in actie.
foto: Ron Kroon / ANEFO
Ook voor Michels was de stap niet gemakkelijk: naar buiten zou het lijken alsof zijn macht tanende was. Het resultaat was dat Keizer zijn beste seizoen ooit speelde, omdat hij wist dat juist híj harder moest werken dan alle anderen om zijn uitzonderingspositie waar te maken. Zelfs in dat laatste seizoen nog kwam het tijdens een drukbezochte training tot een openlijk conflict, als teken van de ongezonde verhoudingen. Ik geloof dat ook door de factor-Keizer Michels het uiteindelijk beter oordeelde te vertrekken: de situatie was voor beiden onhoudbaar geworden, hoewel Keizer realist genoeg is om Michels na te geven dat hij ‘verschrikkelijk hard gewerkt heeft en veel goede dingen bij Ajax heeft ingevoerd, die we ook onder Kovacs moeten proberen vast te houden.’

Keizer is opgelucht als Michels weg is bij Ajax. In de zesenhalf jaar dat zij ‘samen’ hebben gewerkt heeft Keizer veel moeten wegslikken. Want ook over de manier waarop er gevoetbald moest worden verschilden Keizer en Michels in belangrijke mate van mening, anders nog dan de verschillen in de persoonlijke sfeer die tot steeds meer pesterijtjes over en weer gingen leiden. Die ruzies zijn altijd wat vreemd overgekomen, al was er zowel voor het standpunt van Keizer als voor dat van Michels begrip. Voor Michels was Keizer een vervelend buitenbeentje (hij sliep niet voor niets samen met de andere rebel, Vasovic), voor Keizer was Michels niet altijd aanvaardbaar, omdat hij bijvoorbeeld niet geloofde in de oprechtheid van diens methode. Niettemin heeft Keizer Michels altijd geaccepteerd als trainer van Ajax, met alle consequenties van dien.

Een hartstochtelijker fan dan de Amsterdamse oud-onderwijzer Worm heeft Keizer vermoedelijk niet gehad. Worms vader had het jeugdelftal geleid van voetbalclub Amstel, waarin Piet Keizer zijn ­kunsten voor het eerst binnen kalklijnen vertoonde. Zelf stond of lag Fred Worm achter het vijandelijk doel om die kunsten van dichtbij te bewonderen. Daarmee ging hij door als seizoenkaarthouder bij Ajax.

Op verzoek van de Volkskrant noteerde hij wat Piet Keizer zo bijzonder maakte. Dat had hij met grote nauwkeurigheid gedaan. Een blocnote was de afgelopen weken niet van Worms zijde was geweken. Elk ­moment dat hem iets inviel, in bed of in bad, schreef Fred Worm het op. Zijn ­inventarisatie besloeg zes ­velletjes.

Een greep daaruit: mysterieus, eigenzinnig, flegmatiek en creatief. Zelfverzekerd, maar niet arrogant. Had spelinzicht als geen ander. ‘Pietje had passes die zelfs zijn medespelers niet begrepen.’ In relatie tot tijdgenoot, vriend en rivaal Johan Cruijff schreef Fred Worm: ‘Keizer was geen tamtam, terwijl Cruijff juist heel erg tamtam was.’ De conclusie van zijn lange opsomming: ‘Pietje was voor de fijnproevers.’

In enkele gevallen deed Piet Keizer zich kennen als een Pietje Precies, die over de kleinste details kan vallen, omdat hij, zoals gezegd, erg principieel was. Dat kwam ook tot uiting na de straf die hem werd opgelegd naar aanleiding van de maatregel die de West-Duitse scheidsrechter Tschenscher nam door hem in november ’67 in de interland tegen de Joegoslaven uit het veld te sturen. Keizer werd toen voor zijn club, Ajax, gestraft met een schorsing van liefst vijf wedstrijden. Keizer weigerde vervolgens principieel voor het nationale elftal te spelen, totdat het reglement was aangepast in die zin, dat een speler die een overtreding maakt in het nationale team, ook alléén voor het nationale team gestraft kan worden. Twee jaar later was dat zover en kon Keizer voor de zoveelste maal na een lange onderbreking het Oranje-shirt aantrekken tegen de Engelsen, die in januari ’70 op Wembley werden bedwongen.

In totaal speelde Keizer 490 wedstrijden voor de Amsterdammers, waarvan 365 in de nationale competitie. Hiermee staat hij vierde op de lijst van de officieuze Club van 100, achter Sjaak Swart met 463, Wim Suurbier met 393 en Danny Blind met 372 competitiewedstrijden. Keizer scoorde 189 doelpunten voor Ajax en is een van de weinige profvoetballers, die altijd bij één en dezelfde club bleven. In de jaren 70 behaalde hij met Ajax de grootste successen. Voor het Nederlands elftal kwam hij 34 keer uit, waarbij hij 11 keer het net vond. Zijn laatste interland vond plaats tijdens het Wereldkampioenschap van 1974, tegen Zweden. Deze wedstrijd eindigde in 0-0, waarna Keizer in het vervolg van het toernooi niet meer werd ingezet.

Keizer speelde tussen 1961 en 1974 voor Ajax en had een groot aandeel in alle grote triomfen. De Amsterdammer won in 1971, 1972 en 1973 de Europa Cup 1. Daarnaast veroverde hij in 1972 en een jaar later de Europese Supercup en in 1972 ook nog de Wereldbeker voor clubteams. Op landelijk niveau liet Keizer zich met Ajax zesmaal kronen tot landskampioen en legde hij vijf keer beslag op de KNVB Beker.

Zijn laatste duel voor Ajax speelde Keizer op 13 oktober 1974. Daarna hield hij zich lang afzijdig van het actieve voetbalgebeuren. Op pas 31-jarige leeftijd, hing Piet Keizer zijn schoenen voorgoed aan de wilgen. Tot verdriet van voormalig medespeler Pim Van Dord, ,Piet kon niet goed overweg met onze trainer Hans Kraay sr. Die wilde volgens mij af van de oudere groep die was overgebleven na de grote successen.’’

Daarnaast meent Van Dord dat er ook een fysieke reden was voor het vroege afscheid van Keizer. ,,Piet had namelijk chronische last van beide achillespezen. Hij had veel pijn, maar in die tijd had een club nog niet zo veel therapeuten in dienst. Om het leed te verzachten speelde hij op speciale schoenen van adidas met een leren lap voor de achterkant. Piet kon er alleen geen plezier meer aan beleven en dan wordt het moeilijk je nog op te laden.’’

In 2001 wisten de hoofdstedelingen hem over te halen zijn kennis weer in dienst te stellen van Ajax. Sinds april 2001 vervulde Keizer de rol van scout bij Ajax. In maart 2006 werd Keizer benoemd tot technisch adviseur, een functie die hij in februari 2008 gedwongen moest neerleggen.

Op 22 januari 2010 werd Keizer, samen met Sjaak Swart, benoemd tot erelid van Ajax. In februari 2011 keerde Keizer terug in een adviserende rol bij Ajax. Hij nam samen met zijn oud-collega Johan Cruijff en andere voormalige voetballers plaats in een “technisch platform”, dat de club ging adviseren. Op 9 mei 2011 deed Keizer afstand van het erelidmaatschap.

Sinds begin 2014 was hij actief als voetbalmakelaar en vormde hij samen met Peter R. de Vries en diens zoon Royce het bureau PR Sportmanagement BV.

Keizer overleed in 2017 aan de gevolgen van longkanker.

In november 2019 volgde een biografie Keizer over de linksbuiten, samengesteld door Bart Jungmann en Jaap Visser. Tegelijkertijd plaatste Kamp Seedorf een muurschildering op het gebouw Van Baerlestraat, Amsterdam-Zuid van Brasserie Keyzer.

Prijzenkast en erelijst:

* Kampioen Eredivisie: 1965/66, 1966/67, 1967/68, 1969/70, 1971/72, 1972/73
* KNVB Beker: 1960/61, 1966/67, 1969/70, 1970/71, 1971/72
* Europacup I: 1970/71, 1971/72, 1972/73
* UEFA Super Cup: 1972, 1973
* Intertoto Cup; 1961/62, poulewinnaar in 1968
* Wereldbeker voor clubteams: 1972
Nederlands elftal:
* interlands: 34; doelpunten: 11
* Zilver WK 1974

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Koning Voetbal, De Volkskrant, Het Parool, De Ajacieden(1971)–Maarten de Vos, ajax.nl