101 Nederlandse Voetbaliconen (55) Rinus Michels

Geboren: 9 februari 1928, Amsterdam
Overleden: 3 maart 2005, Aalst (België)
Positie: Aanvaller
Clubs: Ajax
Actief: 1945-1958
Doelpunten: 122
Nederlands elftal: 5 Interlands
Trainer: JOS, AFC, Ajax, FC Barcelona, Nederland, Ajax, FC Barcelona, Los Angeles Aztecs, 1. FC Köln, Nederland,
Bayer Leverkusen, Nederland-

De grootheid van Rinus Michels wordt wereldwijd erkend. De Engelse kwaliteitskrant The Times roept hem in 2007 uit tot de beste coach na de Tweede Wereldoorlog. De voorsprong op Johan Cruijff (15), Guus Hiddink (29) en Louis van Gaal (36) is groot. The Times schrijft: ” De Nederlander die in 2005 overleed, werd in 1999 door de FIFA uitgeroepen tot coach van de eeuw. Die keer had de bond het eindelijk eens bij het juiste eind. Als uitvinder van het totaalvoetbal won Michels met Ajax de Europacup I, met Barcelona de Spaanse landstitel en met Nederland het EK in 1988. Hij had het WK 1974 ook moeten winnen. Bovendien zou je bereid zijn Wembley-toegangsprijzen te betalen om zijn ploegen te zien spelen.”

Zijn strengheid en leiderschap leveren hem de bijnaam de Generaal op, zijn ondoorgrondelijkheid de Sfinx. Bij Ajax staat hij in de jaren zestig bekend als de Bul. Michels is de man die het Nederlandse voetbal een grote impuls geeft en een forse bijdrage levert aan de professionalisering van de sport. Mede dankzij hem verdwijnt de kneuterigheid uit het voetbal en wordt een internationale doorbraak bewerkstelligd. Hij heeft het geluk aan zijn zijde, in de persoon van Johan Cruijff.

Familiebanden, vriendschappen, voor het voetbal moet alles wijken. Michels is meedogenloos. Veelzeggend is de kop boven een interview in 1967 in Vrij Nederland: ZE MOETEN DOEN WAT IK ZEG. Met zijn vrouw Wil vormt hij een sterke twee-eenheid. Opvallend is de ontspannen manier waarop hij zich in 1988 tijdens het EK in media manifesteert: de starheid maakt plaats voor losheid.

Na zijn dood, het gevolg van complicaties na een hartoperatie in een kliniek in het Belgische Aalst, verschijnt er een aangrijpend interview in de Volkskrant van Bart Jungmann met Peter Michels, een broer die altijd op de achtergrond is gebleven. Ook de kop boven dat artikel spreekt boekdelen: DAT VERVLOEKTE VOETBAl. Het voetbal heeft zijn broer zo in beslag genomen, zegt Peter Michels, dat hij zijn naasten verwaarloosde. Rinus Michels blijft altijd de Sfinx, het masker gaat nooit af, tot groot verdriet van zijn broer.

Kort na zijn dood vindt Peter Michels de agenda van zijn broer. “Daarin stonden keurig de wedstrijden genoteerd die hij komende maanden wilde bezoeken, Ongelooflijk waarmee zo’n man nog bezig is geweest, Ik weet niet of er een hemel is, maar ik hoop voor hem dat ze er twee elftallen kunnen samenstellen. Moet toch een mooi gezicht zijn, 22 engelen en een bal.”


Ajax in 1954, het eerste jaar met betaald voetbal in Nederland, boven vlnr: Ger van Mourik, Gerrit Krist, Bob Haarms, Ad Waldeck, Eddy Pieters Graafland, Co Bouwers.
Onder (vlnr.Rolf Leeser, Rinus Michels, Arend van der Wel, Theo de Groot, Leen Bartels.
foto: Privé-archief

Marinus Jacobus Hendricus (Rinus) Michels was in zijn jeugd een succesvol zwemmer en basketballer, maar hij werd het meest bekend als voetballer. De spelerscarrière van Rinus Michels beperkt zich tot één club: Ajax. Als midvoor speelde hij tussen 1945 en 1958 269 wedstrijden voor de Amsterdamse club. Hij scoorde hierin 122 doelpunten en werd tweemaal landskampioen (seizoen 1946/47 en 1956/57). Tussen 1950 en 1954 kwam hij vijf keer uit voor Oranje (geen doelpunten). In 1958 moest Michels zijn voetbalcarrière vanwege herniaklachten beëindigen.

Van de gezellige voetballer naar de afstandelijke trainer.

De hand aan het stuur, de voet op het gaspedaal en het hoofd door het dak. ”Ik zie hem nog het stadion binnenrijden in zo’n autootje met een open dak,” zegt Bennie Muller in een interview met Het Parool. ”Rinus zat niet, hij stond. Met één hand zwaaide hij als een vorst en op dat grote hoofd van ‘m prijkte een grote glimlach.”

De anekdotes over de uitspattingen van de voetballer Rinus Michels zijn talrijk. Hij mocht graag zingen onder de douche, ook na nederlagen. Op een diner ter ere van het behaalde kampioenschap van Ajax zou de midvoor ooit met aardappelen hebben geknikkerd. En bij loopoefeningen sneed hij steevast een paar meter af. Als speler was Michels een grappenmaker.

Desondanks was hij op het veld een gewaardeerde kracht. ”Een beetje een bonkige midvoor,” zegt Rolf Leeser tegen Het Parool. ”Hij kon erg goed koppen en hij hield van stevige duels.” Leeser speelde in jeugd en in het eerste elftal van Ajax met Michels samen, Leeser als rechtsbuiten, Michels als midvoor. ”Ik gaf de ballen voor en Rinus kopte ze erin,” zegt Leeser. ”Dat was de rolverdeling op het veld. Daarbuiten waren we elkaars beste vrienden. Rinus was een zeer intelligente en humoristische man. Hij had ook professor kunnen worden. Tot aan zijn overlijden in 2005 hebben we elkaar bijna dagelijks gezien of gesproken.”

De oude voetbalvrienden van Michels kenden de grappenmaker van weleer amper terug toen hij op 36-jarige leeftijd trainer werd in De Meer. Op 22 januari 1965 veranderde Michels van stroper in jachtopziener. ”Rinus en ik hadden samengespeeld en daarom noemde ik hem gewoon Rinus toen hij trainer werd,” zegt Muller. ”Maar daar reageerde hij niet op. Toen ben ik hem maar trainer gaan noemen, net als die andere spelers. Sjaak Swart maakte precies hetzelfde mee. Sjakie was ook een voormalige teamgenoot van Michels en hij vond het raar dat Rinus keerde als een blad aan een boom.”

Andere spelers vonden Michels ook afstandelijk. ”Als de deur van de kleedkamer openging en Michels stapte binnen, werd het stil,” aldus de linksback Theo van Duivenbode. ”Dat was eigenlijk niet des Michels, want in de grond was hij een plezierige, gezellige kerel. Maar hij realiseerde zich dat hij ooit misschien nare maatregelen moest nemen voor spelers en daarom wilde hij geen vriendschappelijke betrekkingen aangaan met de selectie.”

Leeser had net als Swart en Muller met Michels gevoetbald, maar hij maakte Michels nooit mee als trainer. Leeser koos op 24-jarige leeftijd voor een carrière in de mode en hij ging als amateur bij AFC voetballen. Voor de vriendschap met Michels was dat misschien maar beter ook.

Cor van der Hart was als speler bevriend met ploeggenoot Michels. Hij zag zijn vriend in de loop der jaren veranderen, de trainer genoot niet meer van het leven. Van der Hart heeft nooit begrepen waarom Michels zo geobsedeerd was door geld. Ook in het verleden had hij al moeite met het uitgeven van geld, Michels was zijn hele leven te zuinig om zichzelf en zijn vrouw eens op een fijne vakantie te trakteren. Op Van der Hart maakte Michels een in zichzelf gekeerde indruk, een man die geen behoefte had aan contacten en alleen nog omging met zijn boezemvriend en buurman Rolf Leeser. Die deed tevens dienst als klusjesman, chauffeur en een soort zaakwaarnemer.

Van 1956 tot 1965 werkte hij als gymleraar voor de dovenschool Joh. Ammanschool. Daar was hij begonnen met trainen van dove voetballers. Hij begon als trainer bij Ajax in 1965, als opvolger van Vic Buckingham. Veel trainingservaring had Michels op dat moment niet. Hij had weliswaar zijn trainersdiploma op zak, maar hij had uitsluitend amateurclubs getraind.

In 1960 startte Michels zijn trainersloopbaan bij het Amsterdamse JOS. Daar trainde hij het eerste, tweede en derde elftal, plus de A-jeugd. Na vier seizoenen Jongeren Ontspanning Sport vertrok Michels, omdat hij er financieel niet uitkwam met het bestuur. Hoewel het gat slechts vijftig gulden bedroeg, stelde Michels zich heel zakelijk en principieel op. Dat gedrag zou als een rode draad door zijn verdere carrière lopen. Hij leefde sober, maar was gefixeerd op geld.

Michels was de grondlegger van het profvoetbal in Nederland. Hij bracht discipline in het voetbal en zorgde ervoor dat de spelers zich ook als sporters gingen gedragen. In zijn eerste week als trainer van Ajax moesten de spelers allemaal hun schoenen uittrekken. De een had blauwe nagels, bij de ander waren ze ingegroeid en de volgende had schimmel. ‘Heren’, zei Michels, ‘hiermee gaan we dus geen geld verdienen.’ De volgende dag stond er een pedicure op de stoep.

‘Mister Ajax’ Sjaak Swart speelde nog een jaartje samen met Michels in diens nadagen als speler (1956/1957) en kwam hem later weer tegen als trainer (1965-1971). “Ik herinner mij zijn eerste gesprek als onze trainer nog”, vertelt de buitenspeler van weleer. “Hij zette ons met zijn allen aan een grote tafel en ging zelf aan de kop zitten. Hij zei: ‘We zijn allemaal semiprofs, maar vanaf nu worden we profs. Dat heeft wel een aantal gevolgen, daar zijn dingen voor nodig. Ik noem alles op en als je denkt dat je daar geen zin in hebt of het niet kunt opbrengen, kun je meteen naar huis!’.”

“Zo begon ‘de Generaal’ bij ons”, vervolgt Swart. “Niemand ging weg, dus we gingen op zijn manier door. Toen begon het. We gingen in die periode optimaal trainen. Hij had een achtergrond als gymleraar en stond als coach boven de groep. Hij maakte van al onze spelers echt persoonlijkheden. Toen wij in 1966 wonnen van Liverpool waren zij al Europese top en wij veredelde amateurs. Toch kregen ze in het Olympisch Stadion een pak slaag met 5-1 (de legendarische mistwedstrijd). Michels maakte van Ajax, een club in een klein land, een internationale topclub.”

Het waren zes jaren van uitleggen en vooral van disciplineren. In een land dat pas sinds 1954 betaald voetbal kende, maakte Michels naam als een toegewijde trainer die goed uit zijn woorden kwam. Als zoon van een zetter van het Algemeen Handelsblad en met diploma’s op zak, was hij niet zomaar een voetbaltrainer. Aan alles hoorde je dat hij meer van de wereld wist dan krijtlijnen en doelnetten. ‘Voor die tijd deden we maar wat,’ vertelde middenvelder Bennie Muller eens. ‘Michels leerde ons dat voetbal een vak was, waar je serieus mee bezig moest zijn. Ook al stelde de betaling nog weinig voor, we oefenden een beroep uit en daar moesten we naar leven.’

Muller kende Meneer Michels nog als zijn medespeler Rinus uit de jaren vijftig: de niet overdreven getalenteerde centrumspits met zijn robuuste kop die midden jaren zestig plotseling binnenkwam als een norse, afstandelijke trainer. Het was een act, dat norse, een manier om zijn vroegere teamgenoten zijn wil op te leggen en voor een cultuurwijziging te zorgen. Zonder een façade van ongenaakbaarheid zou Michels, de vroegere losbol en gangmaker, ongeloofwaardig zijn nu hij zijn gezag moest vestigen.

Michels zou de act altijd blijven gebruiken. Zo gaat dat in voetbal, als iets werkt, ga je ermee verder. Zo niet, dan probeer je wat anders. Wat dat betreft was de vernieuwer, de denker Michels net zo pragmatisch als andere trainers.

Trainer van Ajax

Natuurlijk profiteerde Michels in die jaren van de klasse van linksbuiten Piet Keizer en vooral van diens jongere ‘broer’ Johan Cruijff, de eigenwijze dribbelaar die van alle spelers het meeste werd gestraft wegens ‘onprofessioneel’ gedrag. Aanvallers wilden doen wat ze leuk vonden, maar van de dikkop, de slavendrijver, de sfinx, de meester, de beul Michels moesten ze helpen verdedigen, zich tactisch goed opstellen, anders zwaaide er wat. ‘Het duurde jaren voordat de spelers dat onder de knie hadden,’ zei Michels. ‘Vooral in internationale wedstrijden, waarin ze zich wel eens een maatje te klein voelden, viel het niet mee om speldiscipline op te brengen. Dat heeft ons toen wel een paar keer opgebroken. Het spel kon als een trein lopen om dan ineens helemaal in te storten.’ Oorzaak: onvoldoende teamspirit, te veel geneigdheid om voetbal als een hobby te zien.

Op 7 december 1966 liep het als een trein en Ajax verpletterde de full profs van Liverpool met 5-1 in de beroemde ‘mistwedstrijd’. Enkele maanden later stortte het team in en Ajax werd geheel onnodig uitgeschakeld door staatsamateurs van Dukla Praag. In Tsjecho-Slowakije zag Michels ‘onrijpheid van bepaalde verdedigers in bepaalde situaties’. Ze handelden naïef toen het op knokken aankwam en tot hun verbijstering werden de verdedigers Ton Pronk en Frits Soetekouw, tot dan vaste krachten, buiten het elftal gezet. Ook in de jaren daarna zouden spelers met een al te vriendelijke spelopvatting worden geofferd ten gunste van ‘moderne’, dus mentaal en fysiek hardere, spelers. ‘Dat was niet gemakkelijk,’ zei Michels in 1996, ‘maar ik had spelers nodig die zich onder alle omstandigheden konden beheersen.’

De meedogenloze aanpak van spelers en zijn dominante leiderschapsstijl leverden Michels de bijnaam ‘de Generaal’ op. Berucht is zijn uitspraak “Voetbal is oorlog”. Michels zou hiermee hebben bedoeld dat een harde, agressieve speelstijl noodzakelijk én aanvaardbaar is als je wilt winnen, gele en eventueel ook rode kaarten inbegrepen. Zijn woorden zijn sindsdien ontelbare keren geciteerd; zelf vond hij dat ze uit hun verband waren gerukt, en dat hij er twintig jaar ten onrechte mee was achtervolgd. Hij zei in werkelijkheid in een interview in het Algemeen Dagblad in 1970: “Topvoetbal is zoiets als oorlog. Wie te netjes blijft, is verloren”.

Zijn spelers, van wie sommigen niet eens volledig professional waren omdat ze er een winkel naast dreven, waren te vaak nerveus of toonden te veel ontzag voor tegenstanders in plaats van hen opzij te drukken. Daarom kwam Michels met de metafoor van de frontsoldaten: voetballers moesten hun persoonlijkheid kunnen vergeten en tot koelbloedig handelen overgaan als het tegenzat. Eigenlijk waren voetballers nummers voor hem, zei hij, er zat soms niets anders op dan meedogenloos te zijn. Dus kon het gebeuren dat een speler die twee minuten te laat was voor de wedstrijdbespreking zijn naam op het schoolbord uitgewist zag worden: hij zou niet meespelen en nooit uitleg krijgen. Dat kregen frontsoldaten ook niet. Andere laatkomers moesten om zes uur ’s morgens rennen langs de Bosbaan. Tijdens verblijf in hotels in het buitenland zat Michels op een krukje naast de lift om te voorkomen dat zijn spelers gingen stappen. Nu lijken zulke methoden bizar, maar toen, in een land van amateurs en sloddervossen, was het voor Michels de enige manier om zich een weg te banen naar het beroepsvoetbal.

De spelers haatten hem; ze hadden respect voor hem. Toen Michels na de verovering van de grootste Europese beker in 1971 vertrok naar FC Barcelona, stond Piet Keizer, de gevoelsmens, op tafel te dansen. Michels en hij hadden anderhalf jaar niet met elkaar gesproken. En wat te denken van de dag waarop de spelers de kleedkamer barricadeerden, opdat de vreselijke Michels niet aan het kampioensfeest kon deelnemen? Michels had veel spelers pijn gedaan, gaf hij toe, hij was ‘onmenselijk’ geweest en daarom zou hij nooit meer trainer van Ajax kunnen zijn. Vier jaar later keerde hij terug als ad interim-trainer van Ajax. Voetbal is een pragmatische bezigheid.


1965; Ajax-MVV 9-3 Michels (midden) als beginnend trainer bij Ajax.
foto: Eric Koch / Anefo
En daarbij schroomde hij niet om zijn grootste sterren op hun plaats te zetten. “Cruijff had een hekel aan dat gehol in het Amsterdamse Bos”, weet Jack van Gelder. “Dus vond Cruijff altijd een manier om af te snijden. Michels wist dat ook wel en liet hem de volgende ochtend om zes uur ‘s ochtends terugkomen. Cruijff stond klaar in trainingspak, toen Michels in zijn auto aan kwam rijden. Uitstappen deed hij niet. Hij draaide het raampje naar beneden en zei alleen maar: ‘Vroeg, hè?’.”

Voor Jan met de Pet had De Generaal geen aandacht. Het viel Wiel Coerver, die samen met Michels de trainerscursus volgde, ook op dat zijn medecursist nooit enthousiast over voetbal praatte. In zijn ogen hield Michels niet van voetbal, maar alleen van het resultaat. Coerver is ook nooit vergeten dat de Duitse international Pierre Littbarski vertelde dat Michels hem het plezier in voetballen had ontnomen. Ook Ajax-vedette Piet Keizer was nooit onder de indruk van de Michels-methode. Hij weigerde heel lang een woord met zijn trainer te wisselen en maakte in het bijzijn van Michels een vreugdedans op een tafel toen bekend werd dat de coach naar Barcelona vertrok. Volgens de linksbuiten had Michels een voorkeur voor voorspelbare voetballers en beschikte zijn trainer helemaal niet over natuurlijk gezag, maar hanteerde hij een soort dictatuur. Keizer voegde er ook nog aan toe dat Johan Cruijff en hij niets van Michels hebben geleerd op technisch gebied.

“Hij had ook humor”, bevestigt Swart. “Maar zijn belangrijkste kwaliteit was dat hij voor iedereen tijd nam om een praatje te maken. Voor een Europacupduel kwamen we één voor één een kwartiertje bij hem op de kamer. Dan kon je je ei kwijt. Over hoe het thuis was, of er problemen waren, dat soort dingen. Dat deed hij geweldig.” “En hij kon ook nog goed zingen, hè. ‘Droomland’ was zijn favoriet. Dat klonk zo goed dat ik bijna ging meezingen. Dan zaten we te eten in een restaurant met de selectie en stond hij ineens op een tafeltje te zingen. Ik heb twaalf trainers gehad, maar niemand kan tippen aan Michels.”

Onder andere in de Europa Cup I-finale van 1969 vergiste Michels zich; zijn te offensieve tactiek deed zijn spelers, die er toch al bleekjes bij liepen, de das om en Ajax verloor kansloos met 4-1 van AC Milan. Niettemin veranderde Ajax tussen Michels’ aantreden in 1965 en zijn vertrek in 1971 van een zwalkende, slecht presterende ploeg in een team dat de zenuwen tot en met de finale van de Europa Cup I (voorloper Champions League) in bedwang hield.

Onder zijn leiding behaalde Ajax viermaal het landskampioenschap (1966, 1967, 1968, 1970), driemaal de KNVB-beker (1967, 1970, 1971) en bereikte de club twee Europacup I-finales (de met 4-1 verloren wedstrijd tegen AC Milan in 1969 en de overwinning met 2-0 op Panathinaikos in 1971).

Barcelona

In 1971 vertrok Michels naar FC Barcelona, enige jaren later gevolgd door voetballer Johan Cruijff. In 1974 werd Barcelona onder zijn leiding landskampioen. Michels was voor de tweede keer trainer van de Spaanse club toen die in 1978 de Spaanse beker won. Behalve in Spanje en Nederland is Michels ook als trainer actief geweest in Duitsland (1. FC Köln en Bayer Leverkusen) en de Verenigde Staten (Los Angeles Aztecs).

Nieuwe roem oogstte Michels in binnen- en buitenland als coach van het Nederlands elftal. Hij zou de functie van bondscoach in totaal vier keer vervullen. Belangrijke momenten hierbij zijn de verloren WK-finale in 1974 tegen gastland West-Duitsland (2-1) en de EK-finale in 1988 tegen de Sovjet-Unie, die Oranje met 2-0 won. In 1992 legde Rinus Michels na 53 interlands zijn functie als bondscoach neer, en beëindigde daarmee zijn loopbaan als trainer.

Rinus Michels wordt, vaak in één adem met Johan Cruijff, genoemd als de architect van het totaalvoetbal en de bedenker van de buitenspelval. Ook al bestaan er twijfels over de juistheid van deze beweringen, feit blijft dat Michels de eerste voetbalcoach was die grote triomfen vierde met deze tactische concepten.

Zilver op het WK 1974

Michels was een voetbalvakman, misschien wel de eerste in Nederland. Hoog in de lucht tussen München en Schiphol noemde Wim van Hanegem hem de beste trainer die hij ooit had meegemaakt. Dat was op 8 juli 1974. Bijna verlegen knikte Van Hanegem naar Michels die enkele rijen verderop in het vliegtuig zat te lezen. De Kromme van Feyenoord had zich op het WK eindeloos lopen uitsloven en genoten van de onverstoorbare, stipte en duidelijke, soms gewoon grappige Michels. Voor het WK van 1974 dreigde een aantal spelers af te haken wegens een conflict met de KNVB over de premies. Op een persconferentie wijdde Michels hier slechts een zin aan: “Wie niet mee wil gaan, die blijft maar thuis.”

In 1974 had het Nederlands elftal, dat zich sinds de oorlog niet meer had gekwalificeerd voor een eindronde, vriend en vijand verbaasd met een zelden vertoonde mix van totaalvoetbal en pressing (het met zijn allen voorwaarts ‘drukken’). Nederland speelde zulk opwindend aanvalsvoetbal dat zelfs veel Duitse voetballiefhebbers hoopten dat Holland de finale zou winnen. De mondiale reputatie van Michels was gevestigd. Sindsdien geldt dat Michels in 1974 het totaalvoetbal introduceerde. Dat klopt niet. Het totaalvoetbal, waarbij de veldspelers kriskras door elkaar lopen om de tegenpartij te verrassen, bestond al langer, maar het beeld zou de grootheid van Michels altijd blijven onderstrepen.

Hij koos voor Jan Jongbloed als voetballende keeper. Hij haalde Arie Haan naar achteren om de opbouw te verzorgen en vormde aanvallers om tot vleugelverdedigers. Michels was de grondlegger van het voetbal dat je later terug zou zien bij de ploegen van Johan Cruijff, Louis van Gaal en tegenwoordig Pep Guardiola.

De een vindt de stoommachine uit, de ander het totaalvoetbal, zo gaat dat. De media willen handzame causale verbanden en dan klinkt het goed als je iemand kunt aanwijzen die verantwoordelijk was voor iets wat in feite een proces was dat zich op verscheidene plaatsen tegelijk voordeed. Op clubniveau speelde Ajax al jaren totaalvoetbal – en dat vooral onder Michels’ opvolger Stefan Kovács – en ook de Duitsers hadden het op het EK van 1972 laten zien. Het nog altijd gekoesterde totaalvoetbal sproot voort uit de nerveuze beweeglijkheid van Johan Cruijff (bij West-Duitsland: die van Günter Netzer); veel meer dan uit de opdrachten van Michels.

Europees Kampioen 1988

De succesvolle trainer duldde geen zwaargewichten om zich heen. Zijn assistenten waren vaak jaknikkers. In 1984 werd Michels technisch directeur van de KNVB en wilde hij hiërarchisch boven bondscoach Kees Rijvers staan. Rijvers, die nog met Michels in Oranje had gespeeld en een veel betere voetballer was, pikte dat niet en vertrok woedend uit Zeist. Vervolgens nam Michels zelf plaats in de dug-out van Oranje.

“Bedankt en we zullen het nooit, nooit vergeten.” Met die acht woorden, uitgesproken met een brok in de keel voor een zee aan Oranje-supporters op het Museumplein, zette wijlen Rinus Michels in 1988 een onderkoeld uitroepteken achter de grootste triomf in de geschiedenis van het Nederlands elftal. Het was ook zijn laatste grote triomf als trainer.

Michels was een man met een droog gevoel voor humor. Tijdens de boottocht door de Amsterdamse grachten na de EK-winst in 1988 vroeg verslaggever Jack van Gelder hem: “U hebt een nieuw horloge gekregen van de spelers. Dat was zeker een emotioneel moment voor u?” Waarop Michels antwoordde: “Ze zeggen dat het nieuw is, dus daar gaan we maar vanuit.” Ook was hij een niet onverdienstelijk zanger. Regelmatig bracht hij het lied “Droomland” ten gehore. Zelf was hij ook het onderwerp van een lied: in 1974 had Lenny Kuhr een hit met “De Generaal”, een gelegenheidstekst op de melodie van “De troubadour”.

Na terugkeer in Amsterdam zei Michels dat hij dat ‘nooit, nooit, nooit’ meer zou vergeten. Voor de oefenmeester was het EK een warm bad geweest. Terwijl Cruijff niet naliet het Nederlandse spel vanaf de zijlijn te hekelen, deden de spelers wat Michels de generatie-Cruijff met pijn en moeite had bijgebracht: ze offerden zich zonder problemen voor elkaar op. Van doelman Hans van Breukelen tot Ronald Koeman hadden de spelers ontzag voor de trainer, een strenge maar rechtvaardige oom die alles leek te weten en die na een overwinning aandoenlijk losbarstte met de aria ‘Droomland’. Met een bijna on-Hollandse wilskracht en concentratie won Oranje eindelijk een hoofdprijs. Aanvoerder Ruud Gullit was een baken van optimisme en als vertrouweling de volmaakte tegenpool van de eeuwige betweter Cruijff, de aanvoerder van 1974. ‘Soms wordt het succes bepaald door één speler,’ zei Michels in 1996. ‘Het gaat vaak om kleinigheden.’ Die ene speler was in 1988 Marco van Basten geweest, de spits die, hoewel maar half fit, vijf wondergoals maakte en daarmee Michels het gelijk gaf dat hij anders nooit zou hebben gekregen.

Oud-doelman Hans van Breukelen maakte Michels in verschillende periodes (1984-1986, 1986-1988 en 1990-1992) mee als bondscoach van Oranje. Samen werden ze Europees kampioen. Van Breukelen is nog altijd vol lof over de coach. “Michels was een echte vakman. Een man met kennis van techniek en tactiek. Een authentieke, charismatische leider. Voor 1988 keken wij als spelers enorm tegen hem op. Toen was hij ook echt nog een generaal. Maar hij wist van ons echt een team te maken.”


1988; Rinus Michels op de schouders na de EK finale in 1988.
foto: Onbekend
Controverse Cruijff-Michels

Na het winnen van het Europees kampioenschap voetbal in 1988 wensten meerdere spelers van het Nederlands elftal, waaronder Marco van Basten en Ruud Gullit de komst van Cruijff als bondscoach. Michels koos begin 1990 echter voor Leo Beenhakker als opvolger van Thijs Libregts, waarna het WK uitliep op een groot fiasco voor het Nederlands elftal. Veel mensen hebben de keuze voor Beenhakker nooit begrepen, en vermoed wordt dat Michels niet wilde dat zijn pupil Cruijff nog grotere successen zou behalen dan Michels zelf, en daarom voor Beenhakker koos. Michels heeft dit altijd ontkend. Een keuze met grote gevolgen. Nederland werd gezien als favoriet voor de wereldtitel, maar vloog er in Italië na een uiterst moeizame groepsfase in de achtste finale al uit.

De boze internationals die twee jaar eerder Europees kampioen werden, leverden onder Leo Beenhakker een wanprestatie tijdens het WK in Italië. Zelfs Michels had als technisch directeur geen vat meer op de groep. Nadat hij drie keer zijn hoofd had gestoten, omdat Michels zichzelf, Beenhakker of Dick Advocaat naar voren schoof, bedankte Nummer 14 verder voor de eer. Ook toen Michels na het echec in Italië naar het Drentse Odoorn reed en een knieval deed voor Cruijff. Michels is er verantwoordelijk voor dat Cruijff nooit bondscoach werd. De correcte Cruijff heeft dit nooit via de media gespeeld, hij bleef Michels met respect tegemoet treden. De Bul zal daar ongetwijfeld erg tevreden over zijn geweest. Hij kreeg zijn zin en kwam onbeschadigd uit de strijd.

In trainersloopbaan van Michels kwam de naam ‘Cruijff’ veelvuldig voor. Michels bracht de zelfzuchtige spits teamdiscipline bij, Cruijff gaf Michels de goals die hij nodig had om geloofwaardig te zijn. Het was een band van wederzijdse afhankelijkheid, niet van vriendschap, laat staan liefde. Journalisten, door Michels afkeurend ‘het randgebeuren’ genoemd, maakten er een hobby van uit te vissen wie nu eigenlijk de baas was in de kleedkamer. In dat debat ontstonden kampen, aangevoerd door De Telegraaf (Cruijff) en het Algemeen Dagblad (Michels). Dat versterkte de onderlinge animositeit, zeker toen Cruijff in de jaren tachtig trainer werd en Michels in zijn hoedanigheid van KNVB-bestuurder zou hebben voorkomen dat zijn eeuwige concurrent/medestander als bondscoach naar het WK in 1990 kon. Michels zou niet hebben gewild dat Cruijff hem kon verbeteren.

“Na dat waardeloze WK van 1990 zocht hij meer persoonlijk contact”, aldus Van Breukelen. “Met de vijf, zes belangrijkste spelers ging hij in gesprek. Dan zat ik met Michels, zijn vrouw en mijn vrouw aan tafel om dingen te bespreken. Belangrijkste vraag voor hem: zien jullie het zitten als ik terugkeer als bondscoach? Die spelers vormden later zijn draagvlak en tevens sparringpartner voor de interlands die we daarna speelden. Daarmee wist hij ook een band te scheppen. Zijn tactiek werd ook onze tactiek op die manier. De spelers werden voor voller aangezien dan in 1988 en dat vond ik een mooie verandering destijds.”

Bij het EK van 1992 leidde dat tot een gedenkwaardige 3-1 zege op Duitsland, maar geen laatste prijs voor Michels. Oranje strandde in de halve finale na strafschoppen tegen Denemarken.

“Hij gebruikte soms zijn humor om de boel op scherp te zetten. Zo zei hij vaak expres namen verkeerd. Hij noemde Berry van Aerle steevast Barry. Ronald Spelbos werd Roland Spelbos en ik werd Han in plaats van Hans. En dan op z’n Amsterdams uitgesproken.”

In 1992 legde Rinus Michels na 53 interlands zijn functie als bondscoach neer, en beëindigde daarmee zijn loopbaan als trainer.

Hij was het archetype van de moderne trainer, velen zouden hem nadoen en blijvend adoreren, zoals Leo Beenhakker en Louis van Gaal. Groter dan Michels kan een coach nauwelijks worden, maar zijn wereld bleef in zekere zin klein. Veel vrienden maakte hij niet. Hij trok vrijwel uitsluitend op met zijn vrouw Wil, en die had hij afgepakt van Rikus Walter, de kok die in de jaren zestig meereisde met Ajax naar Europese uitwedstrijden. Buiten de sportomgeving kwam Michels kennelijk weinig vrouwen tegen. Zo’n meereizende kok was een van de vele nieuwigheden die hij toen invoerde en dat tekent dan weer de grootheid van de vernieuwer in een klein wereldje.

Hij leefde sober, maar was gefixeerd op geld. Zelfs voor een paar adviezen liet hij zich rijkelijk belonen door de KNVB. Michels was opvallend close met gefortuneerde zakenmensen zoals Dirk Scheringa, Gerrit van der Valk en Leon Melchior. De laatste multimiljonair betaalde hem ooit een vermogen voor een nietszeggend technisch rapport over MVV. De voormalige KNVB-bobo Jacques Hogewoning noemde Michels ‘de erudiet onder de trainers’, een man die privé erg gezellig kon zijn en over relevante maatschappelijke onderwerpen een goede inhoudelijke bijdrage kon leveren. Volgens Hogewoning ging er achter dat granieten masker een vernuftig stel hersens schuil. De bestuurder heeft nooit begrepen waarom De Generaal overal aan wilde verdienen. Michels had bij de KNVB een goed salaris en zeer verregaande bevoegdheden. Nadat het bestuur dat had geregeld, begon hij zich af te zetten tegen deze bestuursleden. Die ervoeren dat als onbehoorlijk en namen het de werknemer Michels kwalijk dat hij alle gezagsverhoudingen uit het oog verloor.

In 1999 riep de Wereldvoetbalbond FIFA hem uit tot ‘Coach van de Eeuw’. En ook na zijn dood werd hij niet vergeten: in 2007 koos de Engelse krant The Times hem tot de beste trainer van na de Tweede Wereldoorlog, voor Matt Busby en Ernst Happel. In 2019 koos France Football hem tot allerbeste trainer uit de geschiedenis van het voetbal. Bij deze gelegenheid werd hij geroemd omdat hij ‘het voetbal en de geschiedenis van Ajax en Barcelona heeft veranderd’ en omdat hij het zogenoemde ‘Totaalvoetbal’ heeft ontwikkeld. Ook werden Cruijff en Pep Guardiola geïnspireerd door Michels. In 2004 eindigde hij op nummer 54 in de verkiezing van De grootste Nederlander.

In februari 2005 onderging Michels een preventieve hartoperatie in het Belgische Aalst. Hij kreeg een nieuwe hartklep en een pacemaker. Volgens zijn artsen was de operatie goed verlopen, maar op 3 maart overleed hij om vijf uur ‘s ochtends aan de complicaties van de ingreep. Hij ligt begraven op het “oude kerkhof” in Valkenswaard alwaar hij is bijgezet in het graf van zijn schoonouders. Alleen een kleine steen op het graf herinnert aan hem.

Prijzenkast en erelijst:

* Kampioen Eredivisie (Ajax): 1946/47, 1956/57
* KNVB Beker (Ajax): 1945/46
Trainer:
* Kampioen Eredivisie (Ajax): 1965/66, 1966/67, 1967/68, 1969/70
* KNVB Beker (Ajax): 1966/67, 1969/70, 1970/71
* Europacup I (Ajax): 1970/71
* Intertoto Cup (Ajax): 1968
* Jaarbeursstedenbekerbeslissingswedstrijd (FC Barcelona): 1971
* Primera División (FC Barcelona): 1973/74
* Copa del Rey (FC Barcelona): 1977/78
* DFB Bokal (FC Köln): 1982/83)
* Europees Kampioen Nederlands elftal: 1988
* Zilver WK 1974
Nederlands elftal:
* 5 interlands
Individueel
* Ridder in de Orde van Oranje-Nassau: 1974
* Officier in de Orde van Oranje-Nassau: 1988
* World Soccer Manager van het Jaar: 1988
* Bondsridder KNVB: 1998
* Nederlands trainer van de Eeuw: 1999
* FIFA Coach van de Eeuw: 1999
* UEFA Lifetime award: 2002
* Beste Coach van 50 jaar professioneel voetbal in Nederland: 2004

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Koning Voetbal, NOS, Het Parool, Voetbal International (Johan Derksen), Vrij Nederland (Auke Kok)