101 Nederlandse Voetbaliconen (56) Humphrey Mijnals

Geboren: 21 december 1930, Moengo (Suriname)
Overleden: 27 juli 2019, Utrecht
Positie: Verdediger
Clubs: SV Robinhood, América FC (PE), SV Robinhood, USV Elinkwijk, DOS, SC ‘t Gooi
Actief: 1950-1966
Doelpunten: Onbekend
Nederlands elftal: 3 interlands,
Surinaams elftal: 45 interlands, doelpunten: 1
Trainer: Faja Lobi

Dominee Graafland doet meer dan het gebruikelijke zendelingenwerk in Suriname. De geestelijke heeft ook oog voor voetbaltalent én hij is de huisvriend van de familie Mijnals in Moengo, een dorpje in het westen van Suriname. Eenmaal terug in Zeist neemt hij contact op met Elinkwijk en tipt de club over de zoon des huizes, Humphrey Mijnals. Een avontuur van de Surinaamse international in Brazilië is op niks uitgelopen, eenmaal terug bij topclub Robin Hood aast Mijnals op een Nederlands avontuur. Elinkwijk durft de gok wel aan, laat Mijnals per vrachtboot (het vliegtuig wordt gemist vanwege een uitgelopen afscheidsduel) overkomen en heeft zeven seizoenen lang veel plezier van de Surinaamse verdediger.

Op 30-jarige leeftijd komt daar nog een verrassende ontwikkeling bij: Mijnals krijgt van bondscoach Elek Schwartz een invitatie voor Oranje. Op 3 april 1960 in de interland tegen Bulgarije wordt Mijnals zodoende de eerste Surinamer in Oranje. Hij maakt vooral naam met een technisch perfect uitgevoerde omhaal in zijn eigen strafschopgebied, een vrij onbekend fenomeen in die tijd.

Een minder beurt tegen België luidt het einde van zijn tijdperk als international in. Hij mag nog wel mee op een trip naar Zuid-Amerika, maar meer dan een invalbeurt tegen Suriname zit er niet in. Als hij na terugkeer kritiek spuit in de media zit zijn interlandcarrière erop.


Humprey Mijnals (midden) in zijn debuut voor het Nederlands elftal in 1960.
foto: KNVB Media
Humphrey Mijnals was de eerste voetballer van Surinaamse afkomst die voor het Nederlands elftal speelde.

Net als op veel plekken elders in de wereld waren het de Engelsen die het spel in de negentiende eeuw introduceerden in Zuid-Amerika. In Argentinië en Brazilië kon het al snel rekenen op een grote populariteit. Op het allereerste WK ooit, in 1930, leverde het continent met gastland Uruguay de wereldkampioen.

In Suriname kende voetbal een moeizamere start. Niet iedereen nam de sport serieus. In september 1918 parodieerde een studentenelftal voor veel toeschouwers, onder wie de Nederlandse gouverneur en zijn vrouw, het voetbal ‘dat tegenwoordig door Jan-en-alleman geliefhebberd wordt’. Deelnemers hadden zich om de lachers op hun hand te krijgen in allerhande kostuums gestoken. Een van hen liep zelfs op zijn handen. De ‘wedstrijd’ vond plaats op het Gouvernementsplein in Paramaribo, maar spelen daar was omstreden. De autoriteiten wilden die locatie vooral als wandelplek behouden. In de jaren twintig kwam er een felbegeerd sportterrein..

Complicerende factor voor het Surinaamse voetbal was dat organisaties van verschillende gezindten en achtergronden elkaar tegenwerkten. Het dunbevolkte Suriname kende daardoor meerdere bonden. De op 1 oktober 1920 opgerichte Surinaamse Voetbal Bond (SVB) werd in 1929 lid van de wereldvoetbalorganisatie Fifa. Daarvoor had het Surinaamse elftal al officieuze interlands gespeeld. De eerste was begin 1921; een wedstrijd tegen buurland Brits Guyana. Thuis werd met 1-2 verloren.

In 1934 maakte het Surinaamse elftal een tournee door het Caribisch gebied, die volgens een Surinaamse krant ‘in alle delen geslaagd mocht heten’. De krant noteert verder: ‘Al brachten de onzen het niet tot een overwinning, zij hebben flink van zich afgebeten, terwijl hun sportiviteit overal geroemd werd’. Een voorgenomen deelname aan de kwalificatie- ronde voor het WK Voetbal van 1938 in Frankrijk ging bij nader inzien niet door.

Zoals gezegd kwam het daar pas in 1965 van. Daarna overleefde Suriname een enkele keer eerste ronde in de eigen regio, maar wist het zich nooit echt te plaatsen ten koste van andere landen in Midden- en Noord-Amerika. Dat het Surinaamse elftal internationaal niet tot grootse prestaties kwam, had ook te maken met de uittocht van voetbaltalent. Jongens met kwaliteiten vertrokken naar elders, voornamelijk naar Nederland (als ze daar al niet woonden).

Mijnals werd geboren in het bauxietstadje Moengo in het Marowijne district. Nadat het gezin naar Paramaribo was verhuisd, ging hij voetballen bij SV Robinhood, waarmee hij vanaf 1952 vier keer kampioen werd. Mijnals’ eerste professionele internationale voetbalactiviteiten waren in Brazilië gedurende een half jaar bij de Braziliaanse club America Recife. Hierna keerde hij terug naar Suriname.

In het najaar van 1956 had Mijnals de oversteek gewaagd. Hij had er meer dan veertig interlands opzitten voor Suriname, waar hij als de grootste voetballer uit de geschiedenis van zijn land werd beschouwd. Een zekere dominee Graafland trad op als tussenpersoon tussen Elinkwijk, Mijnals en diens Surinaamse club Robin Hood. Volgens het bijzonder lezenswaardige boek “Het Surinaamse legioen” van Studio Sportpresentator Humberto Tan kreeg Mijnals voor zijn overkomst 15.000 gulden “tekengeld”, terwijl zijn club een transfersom van 3000 gulden ontving. Mijnals speelde nog een afscheidswedstrijd en kwam daarna met de boot naar Nederland, een reis van zestien dagen. Zijn in Leiden wonende zus haalde hem af, en Elinkwijk bezorgde hem een kosthuis.

Twee momenten hebben Humphrey Mijnals onsterfelijk gemaakt als voetballer. Bij zijn debuut in het Nederlands elftal op 3 april 1960 tegen Bulgarije haalde de Surinaamse Nederlander voor het oog van de lens een bal, die van de lat was afgeketst, uit de doelmond weg met een spectaculaire omhaal. Zoiets deed een Nederlandse voetballer niet. Het andere moment betrof zijn eredivisiedebuut voor Elinkwijk op 25 november 1956 tegen Sparta met een ijsmuts. ‘Een kwartier voor het einde van de wedstrijd viel de lange donkere nieuweling, stijf van de kou, uit vanwege kramp’, schreef De Telegraaf. In werkelijkheid viel hij niet vanwege kramp uit, maar vanwege een Spartaanse schop.

Elinkwijks scout in Paramaribo, dominee Gerard Jan Graafland, had er al in het Utrechts Nieuwsblad voor gewaarschuwd, toen Mijnals met achterlaten van vrouw en kinderen op de boot naar Nederland stapte. ‘Als de winter al te bar is en het sneeuwt, dan lijden die aan de tropenzon gewende jongens aan erge hoofdpijnen en voelen zij zich allerminst fit.’.

De trainer van de Utrechtse club dacht dat Mijnals een aanvaller was en zette hem in de eerste competitiewedstrijd, tegen Sparta, in de voorhoede. Dat leverde weinig resultaat op (Elinkwijk verloor met 3-0). Zijn eerste wedstrijd speelde Mijnals op korfbalschoenen met stukjes leer onder de zool in plaats van noppen. Mijnals werd direct geconfronteerd met de ware aard van het Nederlandse voetbal uit de vijftiger jaren. Sparta-middenvelder Hans de Koning schopte hem uit de wedstrijd. Op de brancard hoorde Mijnals een supporter roepen: “Plak hem een postzegel van 15 cent op zijn kont en stuur hem terug.”.

Maar al snel werd Minna, zoals hij liefkozend werd genoemd, in de armen gesloten. Hij was een sterke, atletische en technisch begaafde verdediger die het tot aanvoerder schopte. De club contracteerde meer Surinaamse voetballers, samen bekend geworden als het “klavertje vijf”. Behalve de broers Humphrey en Frank Mijnals waren dat Michel Kruin, Erwin Sparendam en Charly Marbach. Daarna speelde hij voor DOS en SC ‘t Gooi.
In latere jaren kreeg Mijnals ook met racistische taal te maken, onder andere uit de mond van Nederlands meest legendarische voetballer, Abe Lenstra. “Vuile vieze zwarte, ga terug naar je land,” riep de Fries een keer gefrustreerd naar Mijnals. Maar over het algemeen klaagt Mijnals er niet over. Hij voelde zich bij Elinkwijk steeds beter op zijn gemak, vooral omdat een aantal Surinaamse voetbalvrienden de Utrechtse club kwam versterken. Mijnals’ broer Frank bijvoorbeeld, en de grillige, razendsnelle spits Michel Kruin, die Mijnals’ boezemvriend was. Verder nam Elinkwijk ook nog Charlie Marbach onder contract en later Erwin Sparendam, die tot één van de beste Nederlandse verdedigers uitgroeide. Mijnals zelf manifesteerde zich als Elinkwijks wekelijkse uitblinker. De club had een vaste plaats in de onderste regionen van de hoogste klasse en juist daardoor kreeg Mijnals volop kans als verdediger uit te blinken. Volgens de geldende regels kwam hij vooralsnog niet in aanmerking voor een plaats in het Nederlands elftal: omdat hij voor Suriname was uitgekomen, moest er drie jaar verstrijken voor hij het oranjeshirt mocht dragen..

Voor Suriname had Mijnals al ruim veertig interlands gespeeld voordat hij voor de eerste keer tussen de Nederlandse internationals stond. Het was vier jaar nadat hij naar Nederland was gekomen, naar Elinkwijk. Mijnals blonk zo vaak uit dat hij als eerste Surinamer in Oranje kwam. Tegenwoordig bestaat een kwart tot de helft van het Nederlands voetbalelftal uit spelers met een Surinaamse achtergrond. Tot 1960 was Oranje nog helemaal “wit”. Op 3 april van dat jaar kwam daar verandering in, met het debuut van Humphrey Mijnals.

In het voorjaar van 1960 was het dus zover, en de interland tegen Bulgarije verliep voorspoedig. De wedstrijd was uitverkocht, en een groot deel van de Surinaams gemeenschap in Nederland bevolkte de tribunes. De supportersvereniging van Elinkwijk zette 32 bussen in om de aanhangers naar het Olympisch Stadion te brengen. Toen Nederland met 4-2 had gewonnen werd Mijnals door zijn supporters van het veld gedragen, alsof hij persoonlijk de wereldbeker had gewonnen. De symboliek van die beelden, waarvoor voetballiefhebbers destijds massaal naar de bioscoop gingen, is overduidelijk: de toegevoegde waarde van de Zuid-Amerikaanse artisticiteit, die later het Nederlands voetbal in de buurt van de wereldtop zou brengen, bleek die 3e april 1960 voor het eerst.

Wereldnieuws in 1960: de omhaal van Humphrey Mijnals.

De volgende dag, maandag 4 april 1960, stond de foto in de Sport- en Sportwereld, de al lang opgeheven sportkrant onder hoofdredactie van Kick Geudeker. Het was een on-Nederlandse foto, afgedrukt op on-Nederlands formaat, een halve pagina groot: op de grond zat de keeper van het Nederlands elftal, Frans de Munck, met een verblufte blik in de ogen. Rechts op de foto, pal voor hem, lag namelijk een voetballer in de lucht, horizontaal, ruggelings, in perfecte balans, op het moment dat hij de bal wegtrapte. Een omhaal, noemen we dat tegenwoordig, een bicycle-kick, heet-ie ook wel. In die tijd een “spectaculaire dubbeltrap,” zoals de sportredactie van De Telegraaf ‘m noemde. De foto zou later langdurig op menige jongenskamer opgeprikt hangen, en hij hing aan de muur bij de hoofdpersoon: Humphrey Mijnals.


Dé omhaal van Humprey Mijnals in 1960.
foto: Pim Ras
Humphrey Mijnals heeft de bewegende beelden van zijn omhaal nog nooit gezien. Het Nederlands publiek trouwens ook niet. De omhaal haalde de voorstelling van het Polygoon-journaal in de bioscoop destijds niet: het spelmoment werd weggemonteerd. En ook Sport in Beeld, de voorloper van Studio Sport, liet de actie van Mijnals in zijn samenvatting die zondagavond om tien uur achterwege. Die briljante kruising tussen acrobatiek en voetbaltechniek werd pas als zodanig erkend door de memorabele sportfoto die ervan gemaakt werd. Nu is de omhaal dus ook in het Nederlands Audiovisueel Archief teruggevonden. Van de andere kant gefilmd, veel minder close ook: je ziet de eenzame fotograaf nog juist op tijd afdrukken. En dan blijkt ook dat Humphrey Mijnals zijn kunststukje voor niets uitvoerde. De scheidsrechter had al gefloten, voor een overtreding van de Bulgaarse aanvaller Diev tegen keeper De Munck. Als Mijnals de bewegende beelden voor het eerst ziet, hem voorgetoverd door Andere Tijden-medewerker Jan Kelder, kijkt hij eerst vergenoegd, hij glundert. Maar dat er al gefloten was, nee, dat hoort hij voor het eerst. Trouwens, hij heeft dat fluitsignaal nooit gehoord, anders zou hij toch niet zo’n riskante actie hebben ondernomen?.

Gelukkig maar. Want de foto van de omhaal is een “icoon” geworden: een symbool voor wat de Surinaamse souplesse heeft toegevoegd aan het houterige, nuchtere krachtvoetbal van onze poldercompetitie. Mijnals was de eerste international van Surinaamse origine, “hij was een Braziliaan”, weet tijdgenoot Hans Kraay. “En die foto is de hele wereld overgegaan. Dat was zo’n geweldige actie, zoiets deden wij Nederlandse verdedigers niet, dan konden we niet. En als we het per ongeluk zouden proberen, zouden we moeten worden afgevoerd, met een hernia.”.

Hans Kraay voetbalde destijds, in 1960, bij DOS, die andere Utrechtse club uit de hoogste klasse. Utrecht had toen drie vertegenwoordigers in het Nederlands elftal. Behalve Humphrey Mijnals, van het Noord-Utrechtse Elinkwijk, speelden keeper Frans de Munck en middenvoor Tonny van der Linden, beiden van DOS, in Oranje. De laconieke spits Van der Linden speelde tegen Bulgarije de beste interland uit zijn loopbaan. Hij scoorde drie keer, in de met 4-2 gewonnen wedstrijd. Het Nederlands elftal was een matige middenmoter in Europa, en de overwinning op de Bulgaren gold als een prestatie van formaat.

Het debuut van Mijnals was niet meer dan redelijk. Het Utrechts Nieuwsblad schreef de volgende dag dat Nederland nog niet de ware Mijnals aan het werk had gezien. Hij had de vorm die hij wekelijks bij Elinkwijk toonde slechts in de verte benaderd. Het Vrije Volk was tevreden over de donkere debutant: “Het was de grote vraag of Humphrey Mijnals zich zou kunnen aanpassen,” schreef Evert Grifhorst. “Daarin is hij volledig geslaagd.” En De Volkskrant was zelfs uitgesproken enthousiast: “Donkere Humphrey Mijnals heeft met zijn soms weergaloze improvisaties de harten van het Nederlandse voetbalvolk veroverd.”.

Kick Geudeker, de Johan Derksen van begin jaren zestig, kritiseerde de keuze van de bondscoach Elek Schwartz en sprak van positieve discriminatie. In de lente van 1960 stond niet iedereen achter de beslissing van bondscoach Elek Schwartz de toen al dertigjarige Mijnals als stopperspil tegen Bulgarije op te stellen. Schwartz was van mening dat de vorm van Cor van der Hart – de aanvoerder nog wel – te wensen over liet. De gezaghebbende hoofdredacteur Kick Geudeker van het maandagochtendblad Sport & Sportwereld had zelfs scherpe kritiek op de keuze voor Mijnals, die wel als een zeer atletische en acrobatische spil te boek stond, maar aan wiens rust- en leidinggevende kwaliteiten in het hart van de verdediging werd getwijfeld. Geudeker had veel liever Hans Kraay van DOS of de jonge matroos Jan Villerius van Sparta als alternatieve spil gezien.

Geudeker was kritisch, ook al besefte hij dat dat niet prettig zou zijn voor degenen die na afloop Mijnals in triomf van het veld droegen. “Wat wij niet willen is een voetbalprestatie afwegen tegen de achtergrond van rassendiscriminatie hetgeen de laatste tijds te veel is gebeurd. Wij vrezen dat Mijnals’ verkiezing voor een deel onder deze invloed tot stand is gekomen, hetgeen wij betreuren, niet in het minst voor Mijnals zelf.”. Schwartz leek zich er zich iets van aan te trekken.

Een opmerkelijk standpunt, maar niet geheel onterecht. In de media was enige discussie ontstaan over Mijnals’ opname in de selectie. Zelf had hij zich al eens publiekelijk afgevraagd waarom zijn selectie voor Oranje zo lang uitbleef. Uiteindelijk had hij zijn selectie te danken aan de afwezigheid van Van der Hart – en natuurlijk aan zijn constante goede spel bij Elinkwijk.

Elek Schwartz stelde Humphrey Mijnals gewoon weer op in de volgende wedstrijd, uit tegen de Belgen. In Antwerpen viel de spil tegen. Toen kreeg hij ook uit andere hoeken veel kritiek. Hij kreeg de schuld van de 2-1 nederlaag tegen België in zijn tweede wedstrijd. Mijnals mocht een maand later nog wel mee op reis naar Mexico, Curaçao en Suriname. Die trip werd voor hem een bittere ontgoocheling. Schwartz zou hem in ieder geval voor de wedstrijd in Paramaribo een basisplaats hebben beloofd. De teruggehaalde Van der Hart ging echter in de drie interlands gewoon van start. Voor Mijnals was er in Suriname slechts de schrale troost van een invalbeurt.

Hij uitte zijn ongenoegen in de richting van Schwartz en koud terug op Schiphol zei hij in een interview met Frans Henrichs van het Utrechts Nieuwsblad dat hij genoeg had van het Nederlands elftal. Nooit werd hij nog geselecteerd. Hij werd door de bond op de lijst van ongewenste spelers werd geplaatst.

In Suriname, waarvoor hij 45 interlands speelde, werd hij in 1999 verkozen tot voetballer van de eeuw. Dus vóór Ruud Gullit, Clarence Seedorf of Frank Rijkaard! Na zijn spelersloopbaan werd hij actief als trainer van de Utrechtse amateurclub Faja Lobi die geheel bestond uit Surinaamse Nederlanders. Mijnals kreeg bovendien op 24 augustus 2008 de Sportpenning van de gemeente Utrecht.

Naast het trainen van Faja Lobi had Mijnals een tabakswinkel en vervulde hij een administratieve functie bij de voormalige bedrijfsvereniging voor de Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

De Stichting Suriprof zette zijn omhaal op een bokaal waarvoor in 2002 voor het eerst tussen de Suriprofs en een eredivisieselectie werd gespeeld. Zijn dochter Carmelita, een van de zes kinderen uit zijn eerste huwelijk, noemt hem een strenge vader. ‘Maar hij was heel trots op ons en op wat hij had bereikt als voetballer.’

Prijzenkast en erelijst:

Nationale elftal:
* Nederland 3 interlands
* Suriname 45 interlands; doelpunt: 1
Individueel
* Surinaams voetballer van de eeuw.

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Koning Voetbal, Trouw, De Volkskrant, NOS-Andere tijden, sportgeschiedenis.nl, voetballegends.nl