101 Nederlandse Voetbaliconen (63) Klaas Nunninga

Geboren: 7 november 1940, Winschoten
Overleden:
Positie: Aanvaller
Clubs: GVAV, Ajax, DWS
Actief: 1961-1972
Doelpunten: GVAV (36), Ajax (73), DWS (7)
Nederlands elftal: 19 interlands; doelpunten: 4
Trainer:

Als iemand tegen Klaas Nunninga zegt: je bent klein van stuk, je moet biefstuk eten, dan doet hij dat. En als Abe Lenstra in een interview vertelt dat hij zo goed is geworden vanwege de pannenkoeken, dan eet Nunninga pannenkoeken. “Ik trap met links en rechts even goed omdat iemand me vertelde dat dat belangrijk was. Je wordt geen topsporter, je bént het.

De onderwijzer uit Winschoten heeft voorbeelden nodig, ook als bron van inspiratie. Bij Ajax neemt trainer Rinus Michels zijn team weleens naar de Europese wedstrijden van Feijenoord. “Moesten we vooral letten op de tegenstander. Michels heeft ons bewust gemaakt van wat er te koop was in de rest van de wereld op voetbalgebied: tactische ontwikkelingen, verschillende speelwijzen.”

Nunninga houdt zich vijf jaar staande ‘tussen de Amsterdammers’. Na de verloren Europese finale tegen AC Milan in 1969 is de veel scorende middenvelder een van de slachtoffers van de veranderingen die Michels doorvoert.


1966: Ajax speler Klaas Nuninga in duel met een DOS speler
foto: Onbekend / Anefo

Klaas Nuninga werd net na het begin van de Tweede Wereldoorlog geboren in Winschoten tijdens zijn jeugd is hij maar met één ding bezig: voetbal. Als de sportman pur sang in de gaten heeft dat hij bovenmatig getalenteerd is, stelt hij zijn doelen: hij wil profvoetballer worden en ooit in Oranje spelen. Gedreven, gedisciplineerd en vastbesloten werkt hij aan zijn plan. Een historie die begon bij het roemruchte WVV uit Winschoten en die later ook nog Jan Mulder en Arie Haan zou voortbrengen. Maar Klaas Nuninga was de eerste. Hij was de baanbreker, de wegvoorbereider en de pionier waar het Nederlandse totaalvoetbal op gebouwd ging worden.

Veel clubs hebben interesse in de aanvaller, maar het is Be Quick uit Groningen dat hem in 1960 voor 3.000 gulden overneemt van WVV. Na één seizoen Esserberg vertrekt Nuninga vervolgens naar het Oosterpark, waar GVAV, de voorloper van FC Groningen, de midvoor kocht voor 60.000 gulden die zijn eredivisiedebuut maakt op 20 augustus 1961 tegen Blauw Wit. Door twee doelpunten van Rikkert La Crois komen de Groningers niet verder dan 2-2. Pas in september dat jaar scoort hij zijn eerste competitiegoal in het Oosterpark tegen Willem II. Hij groeit uit tot vedette in een elftal met spelers als Piet Fransen, Martin Koeman, Otto Roffel, Tonny van Leeuwen en Klaas Buist. Nadat hij Feyenoorder Hans Kraaij sr. in 1963 helemaal uit de wedstrijd speelde (GVAV won met 3-0) riep Kraaij hem nadien uit tot de ‘grootste ontdekking van het Nederlandse voetbal’. Tijdens zijn Groningse periode zou hij ook debuteren in Oranje.

Klaas Nuninga zag er net zo Hollands uit als zijn naam klinkt, maar voetbalde met de flair van Puskas, Di Stefano en andere internationale grootheden. Die flair bracht Nuninga van het toen nog rustige en aardbevingsvrije Groningen naar het mondaine en wilde Amsterdam van de jaren zestig waar hij het pad effende voor Keizer, Swart, Cruijff en de grote Europese Ajax-successen. Zonder Nuninga was Rinus Michels na een paar seizoenen Ajax toch maar weer gymleraar geworden en zat Sjaak Swart nu achter de geraniums te mopperen in plaats van op Ajax-tv.

Wie Nuninga observeert, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij een beheerste, geduldige sportman is, een golfer die zijn hoofd heeft leeg kunnen maken voordat hij een slag maakt. Alsof hij boeddhistische wijsheden aanprijst. ,,Doe waar je goed in bent. Als je alleen maar gefocust bent op nog meer, nog beter, nog verder, veronachtzaam je waar je goed in bent. Forceren heeft weinig zin, is bovendien riskant. Daarnaast is het mooie aan sport dat je van slechte situaties kunt leren, dat je negatieve momenten kunt rechtzetten.’’

Hij wil niet overkomen als prediker. ,,Wat ik zeg over mezelf, is niet bedoeld als leidraad voor anderen. Het is mijn ervaring, mijn inzicht. Ik ben geen grootheid. Ik ben als liefhebber van sport mijn eigen weg gegaan. Stap voor stap, vertrouwend op mijn gevoel. Ik voetbalde bij WVV in Winschoten, werd prof bij GVAV, werd verkocht aan Ajax, speelde in het Nederlands elftal, zonder ooit in vertegenwoordigende jeugdelftallen te spelen. Ik voetbalde naast getalenteerde voetballers en had het geluk dat ik voldeed, omdat ik deed waar ik me goed bij voelde. Door mijn persoonlijkheid was ik geschikt om topsport te bedrijven. Ik ben leergierig. Ik observeer en ik vraag veel. Dat is me goed van pas gekomen. Ik had zeker een ijzeren wil, omdat het in de genen zit. Mijn karakter heeft me ver gebracht, zeker in de sport.’’

Klaas Nuninga werd net als Jan Mulder en Arie Haan groot bij WVV. In tegenstelling tot Mulder (Nieuwolda) en Haan (Finsterwolde) keerde hij nooit terug naar het Groningse Land. Dat gaat ook niet meer gebeuren. Wel blijft Nuninga op en top Groninger. “Ik kijk altijd hoe FC Groningen heeft gespeeld. En af en toe gaan we op bezoek bij vrienden in het mooie Oldambt en dan rijden we altijd even langs de mooiste plekjes van de provincie. Het landschap is nog steeds imponerend: de wadden, de uitgestrekte velden, de akkers.” Ook qua mentaliteit voelt de aimabele Nuninga zich nog altijd Noorderling: “Groningers staan met beide benen op de grond. Dat is een karaktereigenschap die volledig bij mij past en die ik mijn kinderen ook heb aangeleerd.”

Nuninga is gewild en vertrekt in 1964 na 87 Eredivisiewedstrijden voor liefst 250.000 gulden naar Ajax. Hij is daarmee in één klap de duurste Nederlands voetballer ooit. Een record voor die tijd en een vette winst van 190.000 gulden oor GVAV, dat de linksbenige aanvaller drie jaar eerder voor 60.000 gulden aftroggelde van Be Quick. Dat het talent op zijn beurt voor 3.000 gulden had gescout bij WVV in Winschoten.

Nunninga: ‘Ik zat bij Jaap van Praag in de winkel, aan ‘t Spui. Hij belde met Hekman, de voorzitter van GVAV. Wat moet hij kosten?, vroeg hij; 250.000 gulden. Verkocht, antwoordde Van Praag. Dat was heel veel geld in die tijd. Daarna groeide hij uit tot een van de sleutelspelers in een Amsterdamse lente die Ajax uiteindelijk grote successen zou brengen.

Klaas Nuninga, is de voetballer die eind jaren zestig de opkomst van Ajax en Johan Cruijff van nabij meemaakte. Die ‘midvoor’ tussen Johan Cruijff, Piet Keizer, Sjaak Swart en Henk Groot, die met Groningse nuchterheid en grote regelmaat de bal in het doel schoot. Onder leiding van Rinus Michels en met talent Johan Cruijff ontwikkelde Ajax zich met een innovatieve speelstijl in die periode tot een absolute topclub. Onder Rinus Michels brak in dat decennium voor Ajax een ongekende bloeiperiode aan. Drie keer lands- kampioen, de beker, 122 goals in één seizoen dankzij een droomvoorhoede met Sjaak Swart, Johan Cruijff en Piet Keizer. Zelf scoorde Klaas Nuninga, linksbinnen alias aanvallende middenvelder, nog 23 keer.

‘Ik stond als middenvelder altijd open, zoals dat heet. Ik was zowel linksbenig als rechtsbenig. Als ik de bal kreeg, probeerde ik steevast Cruijff of Keizer direct aan te spelen. Het was een heerlijke tijd.’ Bij Ajax verdiende Klaas Nuninga nog eens de waardering van veertien interlands, na de vijf bij GVAV.

Nuninga, een behendige speler en in het veld een echte gentleman, was hierin de aanvallende middenvelder die de voorhoede met Swart, Cruijff en Keizer moest bedienen. Legendarisch was de ‘mistwedstrijd’ Ajax – Liverpool in 1966. Ajax versloeg de Engelse grootmacht met maar liefst 5-1. Dat was de wedstrijd waarmee het besef doordrong dat de Amsterdammers mee konden met de Europese top.


1966: Ajax tegen Xerxes 4-1, Klaas Nuninga scoort, keeper Treijtel is verslagen.
foto: Ron Kroon/Anefo

Het hoogtepunt uit de carrière van Klaas Nuninga is niet de drie landstitels die hij veroverde met Ajax, of het behalen de Europa Cup 1 finale in 1969. Nee, het mooiste was dat hij mocht samenspelen in een van de beste Nederlandse voorhoedes ooit. Voetballen met Piet Keizer, Johan Cruyff, Sjaak Swart en Henk Groot, het was voor liefhebber Klaas Nuninga een dagelijks genot. Het was een aanvalslinie om van te watertanden, eentje waarin iederéén wel zou willen voetballen.

De ogen van Nuninga gaan glinsteren als er naar gevraagd wordt. Hij gaat er nog eens goed voor zitten om zijn taak in deze droomaanval toe te lichten. “Kijk, mijn opdracht was duidelijk. Aanspeelbaar zijn vanuit de achterhoede, de bal vervolgens vanaf links naar voren brengen en dan Johan (Cruijff) of Piet (Keizer) in positie brengen. Daarna aansluiten en het met z’n drieën uitspelen. Hoe dat ging in de praktijk? Kijk maar eens naar de uitwedstrijd tegen Liverpool in de Europa Cup in 1966. We speelden 2-2, en onze beide goals waren identiek: Ik geef de bal op Piet, hij zoekt de zijkant op, geeft hem op mij terug en ik breng vervolgens Johan in stelling en die scoort twee keer.”

Aanvankelijk begint het Amsterdamse avontuur voor Nuninga aarzelend. De nuchtere Groninger moet wennen aan de Amsterdamse cultuur en Ajax behaalt met een magere selectie de 13e plek in de Eredivisie. Het is nog altijd de laagste klassering in de Eredivisie ooit. Twee veelbetekenende wapenfeiten uit dat jaar zijn evenwel dat trainer Vic Buckingham wordt vervangen door Rinus Michels en dat het toptalent Johan Cruijff zijn Eredivisiedebuut voor Ajax maakt. Op 15 november 1964 wordt in het Oosterpark van Groningen met 3-1 verloren van GVAV. Doelpunt: Johan Cruijff. Assist: Klaas Nuninga.

Daarna gaat het lopen bij Ajax. Rinus Michels boetseert een fijnmazig elftal en professionaliseert de organisatie. Johan Cruijff breekt door, Henk Groot wordt gekocht, spelers als Suurbier, van Duivenbode en Krol versterken het elftal en Piet Keizer herstelt van een zware blessure. En wat gebeurt er dan? In een 4-3-3 staat de Winschotenaar gepositioneerd als linksbinnen die de voorhoede moet bedienen. Het elftal staat als een huis, Ajax wordt driemaal op rij kampioen en maakt ook in Europa een opmars. Legendarisch zijn de wedstrijden tegen het grote Liverpool in 1966. In Amsterdam worden ‘the Reds’ tijdens de beroemde mistwedstrijd met 5-1 gedeklasseerd. Naar later blijkt is het een lente die leidt naar de allergrootste successen van de club in de beginjaren ’70 waarin driemaal op rij de Europa Cup 1 wordt gepakt met het veelgeroemde ‘totaalvoetbal’.

Als er over die tijd praten, waant Klaas Nuninga zich weer even de sierlijke speler die hij was in de jaren ’60. Tweebenig, snel, listige passjes, onvoorspelbaar, type Donny van der Beek. Altijd drang naar voren. Aangeven, maar zelf ook scoren. Het publiek liep weg met de immer bescheiden en onbaatzuchtige Groninger. Bij Ajax viel de puzzel precies in elkaar: “Het was heerlijk voetballen. We scoorden gemiddeld vier keer per wedstrijd. In 1967 scoorden we 122 goals in de competitie. Johan, Piet en ik vormden de top drie van het topscorersklassement. Johan 33 keer, Sjaak en ik rond de 25. We waren in staat om in het laatste kwartier nog even een doelpuntje te maken zodat de toeschouwers blij weer naar huis konden gaan.”

Op 28 mei 1969 debuteerde Ajax als Nederlandse club in de vroegere Europa Cup-finale, in Madrid tegen AC Milan. In de rust mocht Klaas Nuninga invallen voor Henk Groot. De Italianen sloopten de tegenstander uit de polder: 4-1 met drie treffers van Pierino Prati. ‘Ik had toen de pech dat Michels vasthield aan het systeem met een vier mans’ voorhoede. Naast Cruijff ook nog eens Inge Danielsson in de spits. Dat was goed bevallen tegen Benfica, die we in de beslissingswedstrijd in Parijs uitschakelden’.

‘Maar we hadden altijd 4-3-3 gespeeld. Voor de finale tegen Milan hebben we een uur gediscussieerd met Michels. We wilden terug naar drie man op het middenveld. Dus ook weer met mij. Maar Michels weigerde en dreef zijn zin door. Rinus Michels besloot in een 4-2-4 opstelling te spelen. Dit ondanks protest van de spelers die liever in hun geliefde 4-3-3 speelden, met Nuninga als linksbinnen. “We hebben heel wat discussies met Michels gehad, maar hij ging niet overstag”, vertelt Nuninga. “Ik moest op de bank plaatsnemen, daar had ik helemaal geen zin in.” Het betekende voor het eerst een teleurstelling in de carrière van de Winschotenaar.

We werden in de eerste helft op het middenveld overlopen. Weggespeeld door een fantastische Gianni Rivera.’ Rinus Michels vatte de afgang op als het signaal om de ploeg verder te verjongen en dankte zodoende onder meer de stilist uit Winschoten af.

Het verlies in de finale kostte vijf spelers de kop, waaronder Nuninga. Tien dagen voor het verstrijken van de transferdeadline krijgt hij te horen at hij mag vertrekken. Een boodschap die keihard aankomt bij de 19-voudig international. “Het is wrang dat je de Europa Cup-finale haalt en dan moet vertrekken. Een schok? Ik werd boos, dat is toch logisch? Vooral ook de manier waarop. Michels vertelde het niet eens persoonlijk. Hij wilde doorselecteren. Als er dan een jong talent op mijn plek zou komen, dan begrijp ik het wel. Maar mijn vervanger was Tommie Sundergaard. Dat was eigenlijk een matige voetballer, hij werd na één seizoen alweer doorverkocht. Het voelde als een belediging.”

De rest is bekend. Ajax won driemaal de Europa Cup 1 op rij en in 1972 werd de Wereldbeker gewonnen. Niettemin kon Nuninga toch genieten van de grote successen en koesterde hij geen rancune, ook niet tegenover Rinus Michels. “Ik had veel respect voor alle prestaties, je bent toch Ajacied he. Ik was gewoon net iets te vroeg.”

De successen van Ajax konden niet los gezien worden van de topjaren van Johan Cruijff. Voor Nuninga was al snel duidelijk dat de legendarische Nummer 14 een grote zou worden, hij maakte zijn opkomst van dichtbij mee. “We gingen met het eerste heel vaak bij de jeugd kijken, toen stak hij er natuurlijk al bovenuit. Hij deed, echt waar, niks fout. We noemden hem altijd ‘die kleine’. Hij was zó goed, maar ook nog zó jong en kwetsbaar. We beschermden hem, omdat we wisten dat hij een heel grote kon worden. Ik was blij dat Johan bij het eerste kwam, zo kon ik een linie naar achteren, dat lag me beter. Het mooie van Johan was dat hij zelf geweldig voetbalde, maar ook anderen beter maakte. Zijn acceleratie, beweging, tactische vermogen, het was allemaal wereldtop. Hij moest het puur van zijn techniek hebben, hij hoefde niet te schoppen. Johan was een fijne kerel, absoluut de beste met wie ik ooit heb samengespeeld.

Nuninga vindt het beschamend wat er tegenwoordig allemaal aan veiligheidsmaatregelen genomen moet worden. Terug in de tijd. Klaas Nuninga werd met Ajax ooit kampioen in het Diekman Stadion van FC Twente. Hij had toevallig de wedstrijdbal in handen en gaf deze aan zijn vrouw Simone, die in het publiek zat. Ze nam de bal mee in de trein, iedereen mocht hem even vasthouden. Toen Ajax na de wedstrijd met de trein arriveerde, deden de spelers een polonaise met supporters op het Leidseplein. De wereld is vijftig jaar later compleet veranderd.

“Na een wedstrijd tegen Feyenoord dronken de spelers gewoon een biertje met elkaar in de kantine”, vertelt Nuninga. “Supporters liepen ondertussen ongehinderd de kantine binnenlopen en vroegen ons om een handtekening. Tegenwoordig worden alle supportersstromen apart een stadion binnengeleid met een combi-ticket, áls ze tenminste nog het uitduel mogen bezoeken van hun favoriete club.”

En hoe zit het met de kampioensbal die Nuninga in 1966 zo stevig vasthield en mee naar huis nam in de trein van Enschede naar Amsterdam? Die stond de aanvaller nooit meer af en heeft inmiddels een mooi plekje in zijn Baarnse appartement.

Na Ajax diende Klaas Nuninga nog drie jaar DWS, waarna hij uitvloog naar Frankrijk. Als speler-trainer bij AS Montferrandais uit Clermont-Ferrand. Onderdeel van de omni-sportclub verbonden aan Michelin, dat zijn hoofdkwartier heeft gevestigd in deze stad in de regio Auvergne. Uitkomend in de derde divisie van Frankrijk, te vergelijken met de hoofdklasse in Nederland. ‘Ik was net benoemd tot hoofd sportzaken van de gemeente Amsterdam toen ik dit aanbod kreeg. Ik was 32 jaar en wilde dit avontuur niet laten lopen.’ Hij bleef er 3,5 jaar hangen en verenigde het aangename van het zoete leven met het nuttige van drie studies in het Frans voor even zovele trainersdiploma’s. De eerste al na zes maanden, de laatste in Parijs. Telkenmale bij de besten geslaagd.

‘Nee, ik heb daarna niets meer met deze diploma’s gedaan. Ik wilde niet afhankelijk zijn van bestuursleden. Hoewel het overdragen van mijn kennis juist mijn grootste kracht is. Ik heb altijd goede banen gehad en had mede daardoor niet de behoefte om als trainer aan de slag te gaan.’

Klaas Nuninga had zijn woning in Baarn, waar hij in 1967 neerstreek, steeds aangehouden. Terug in Nederland fungeerde hij een paar jaar als Hoofd Opleidingscentrum van Michelin in Amsterdam. Vervolgens Euro-Sportring in Baarn, bekend van talrijke uitwisselingen in de sport. Onderwijl nam hij zitting in het sectiebestuur van de KNVB en juichte in 1988 mee met de Europese titel in Duitsland. Ook Ajax vroeg hem, na de beursgang, voor het bestuur en later voor de raad van commissarissen. Beide functies bekleedde hij vijf jaar.

Met balletjes spelen heeft Nuninga altijd graag gedaan. Vooral omdat hij meende er een goed gevoel bij te hebben. Tafeltennis, voetbal, zaalvoetbal (tot zijn 53ste), tennis en de laatste jaren golf. Aanleg, talent, karakter, waarschijnlijk is het ook genetisch bepaald. ,,Wat je hebt meegekregen van je ouders en voorouders is zeer bepalend. Daarnaast wordt het daarboven, in je hoofd, beslist. Je kunt trainen en oefenen wat je wilt, als je niet over aanleg kan beschikken, heb je een natuurlijke achterstand. Alles daarboven moet bovendien helder zijn, zeker in golf’’, zegt Nuninga als deskundige met topsportervaring.

Prijzenkast en erelijst:

* Kampioen Eredivisie (Ajax): 1965/66, 1966/67, 1967/68
* KNVB Beker (Ajax): 1966/67
Nederlands elftal:
* 19 interlands; doelpunten: 4
Individueel
* Europa Cup I finale 1969

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Koning Voetbal, sportinstad.nl, guusvanholland.com -(GolfersMagazine 2016-7), exprofs.nl, kentudezenog.nl