101 Nederlandse Voetbaliconen (84) Sjaak Swart

Geboren: 3 juli 1938, Muiderberg
Overleden:
Positie: Aanvaller
Clubs: Ajax
Actief: 1956-1973
Doelpunten: Ajax: 175
Nederlands elftal: 30 interlands; doelpunten: 10
Trainer:

Misschien is Sjaak Swart wel nooit trainer geworden omdat hij in zijn hart altijd voetballer is gebleven. De sierlijke rechtsbuiten heeft een mooie voorzet, vloeiende passeerbewegingen en een vlammend schot. Hij maakt deel uit van het gouden Ajax dat in 1971, 1972 en 1973 de Europacup I wint en de Wereldbeker in 1972. Hij blijft de club zijn leven lang trouw en dat levert hem de officieuze titel Mister Ajax op.

Meteen na zijn afscheid in 1973 begint Swart -Paco voor zijn vrienden- met een spelletje ‘voetbalrondo’ op het veld van de Amsterdamse voetbalclub Zeeburgia. Swart wil slank en fit blijven. Tal van prominenten werken zich twee keer per week twee uur lang in het zweet, onder wie Freek de Jonge en Guus Hiddink. De keren dat Swart zich moet afmelden zijn volgens hem op de vingers van één hand te tellen. “Zelfs als er sneeuw ligt gaat het door. Nemen we gewoon met zijn allen de schep ter hand en maken we het veld sneeuwvrij. We blijven liefhebbers.”

In 2010 wordt Swart benoemd tot erelid van Ajax. Hij is drijvende kracht achter -en speler van- Lucky Ajax, een team van oud-Ajaxieden dat nog geregeld wedstrijdjes speelt.

Kritiek op Swart is er ook, en wel op het feit dat Mister Ajax ondertussen ook zaakwaarnemer is van voetballers van de club. Co Adriaanse: “Die twee uitgangspunten: Mister Ajax die tegelijkertijd probeert spelers van Ajax te verkopen om er zelf beter van te worden, dat is toch niet te verenigen ?”


Sjaak Swart ook bekend als Mister Ajax.
foto: Onbekend

Jesaia (Sjaak) Swart en Ajax vormen een nooit meer te verwoesten tweëenheid. Wie Ajax zegt, denkt aan Swart; wie Swart noemt denkt aan het prototype van de Ajaxied. Swart stond met zijn vader op de staantribune Ajax te bewonderen, toen hij amper acht jaar oud was. En als pupilletje van OVVO blonk hij juist in de wedstrijdjes tegen Ajax uit. Met Ko Prins en Rob van Heeswijk in één elftal klopte OVVO Ajax ‘s met 7-0, Sjakie scoorde viermaal (‘Ik was toen al een moordenaar,’ zegt hij zelf, ‘ik schoot de keepertjes van mijn leeftijd met bal en al het doel in’). Toen hij elf was werd hij met nog iemand geselecteerd uit een groep van 80 ambitieuze voetballertjes, die Ajaxied wilden worden. Sindsdien is hij niet meer uit de top van Ajax weg te denken geweest.

Er is maar een club dat vanaf het begin verbonden is aan deze aanvallende buitenspeler: Ajax. Al vanaf de jeugd speelde Sjaak in Amsterdam. Op 11 september 1950 werd de 12-jarige Swart, die al voetbalde bij de pupillen van Ajax, aangenomen als lid van Ajax. “Ik was 10 jaar jong en net bij Ajax aangenomen, toen overleed mijn moeder. Toen zijn mijn opa en oma ook bij ons ingetrokken. Zij waren vooral mijn opvoeders en dat was een uitkomst”, legde hij uit. Wel had Swart nog zijn vader. ,,Maar mijn vader moest keihard werken voor de kost en zag ik een stuk minder dan mijn grootouders.”

Geen enkele Ajaxied speelde meer wedstrijden voor Ajax dan Sjaak Swart. Uiteindelijk zou hij komen tot maar liefst 603 wedstrijden waarin hij 175 maal de bal achter de lijn van het vijandelijke doel wist te deponeren.

Hij was nog maar net achttien geworden toen Sjakie in de rust van een A1-duel op Voorland uit de kleedkamer werd geplukt om bij het eerste op de bank te gaan zitten. De eerste maal bij de selectie maakte Sjaak nog geen minuten maar het opvolgende duel wel degelijk. Het debuut maakte hij tijdens het met 3-2 gewonnen bekerduel tegen Stormvogels op 16 september 1956. Omdat hij opgeroepen werd om in dienst te gaan moest het vervolg enige tijd worden uitgesteld. Swart herinnert zich nog uit die tijd een wedstrijd met Ajax in Wuppertal, toen de spelers na afloop een uurtje de stad in mochten en de jonge Swart als enige naar zijn hotel terug moest omdat nachtclubs voor hem nog taboe waren.

Tijdens het debuutseizoen van Swart wist Ajax de allereerste editie van de Eredivisie te winnen. ‘Snelheidsduivel’ Swart kwam dat seizoen tot vijf competitiewedstrijden doordat hij maar eenmaal per week kon trainen. Het daaropvolgende seizoen maakte Swart zijn eerste doelpunt voor Ajax. In de competitiewedstrijd tegen NOAD op 6 oktober 1957 was Swart voor het eerst trefzeker. Ruim een maand later mocht Swart, net als Ajax, debuteren in het Europacupvoetbal. Swart maakte zijn debuut tijdens de uitwedstrijd en ook nog eens achter ‘het IJzeren Gordijn’ tegen het Oost-Duitse SC Wismut.

Ajax.nl schreef hier over: “Het is een hard gelag voor de Oost-Duitse voetbalspionnen die naar Düsseldorf waren afgereisd om Ajax te volgen in een oefenwedstrijd tegen Fortuna. De kampioen van Nederland had in het westen van West-Duitsland met 3-2 het onderspit gedolven en de conclusie van het rapport dat vervolgens in Karl Marx Stadt op de burelen van de sportleiders belandde, luidde: Sportclub Wismut zal van Ajax winnen. Maar zie, het scorebord met de eindstand in het Otto Grotewohl Stadion laat op woensdagmiddag 20 november 1957 aan duidelijkheid niets te wensen over: 1-3.”

Ajax schakelde Wismuth toen weliswaar uit, maar werd in de volgende ronde kansloos gewipt door het toentertijd sterke Vasas uit Boedapest. Die wedstrijd in Aue heeft dus schijnbaar alleen waarde voor de statistici, ware het niet, dat op die dag een talentvolle aanvaller zijn debuut in het Europees bekervoetbal maakte: amper negentien jaar was Sjaak Swart toen hij het Europees bekertoernooi leerde kennen.

Sjaak Swart, liefkozend Sjakie genoemd, groeide steeds meer uit tot de lieveling van het publiek. Dit vooral omdat de 175 centimeter grote aanvaller de kunst van het versnellen en passeren een beetje had afgekeken van balkunstenaars als Stanley Matthews en Garrincha, en daardoor een belangrijke pion werd van ‘het gouden Ajax-elftal’. Na zijn debuut in 1956 wist Swart ongeveer anderhalf jaar opvallend genoeg geen doelpunt te maken in een thuiswedstrijd van Ajax; hij scoorde alleen in uitwedstrijden. Op 1 januari 1959 brak hij met die traditie door in de bekerwedstrijd tegen JOS te scoren. In het doelpuntenfestijn tegen FC Volendam (9-0) maakte Swart het 100e doelpunt van Ajax in het seizoen 1959/60.

In de jaren vijftig speelde Swart nog samen met zijn latere trainer Rinus Michels. Als pas beginnend spelertje in het eerste elftal (‘Ik kwam de kleedkamer in en werd voorgesteld aan oudere spelers als Gé van Dijk en Klaas Bakker en dan was het van mijn kant nog mijnhéér Van Dijk en mijnhéér Bakker’) heeft Swart de voetballer Rinus Michels nog naast zich gehad. Michels, wiens loopbaan door een rugblessure werd bekort, speelde in die periode iets achter de voorhoede. Swart over de voetballer Michels: ‘Hij kon vreselijk goed koppen, had een aardige techniek, maar een hekel aan trainen. Dan liep ie geen meter te veel.’

Swart heeft ook als geen ander het verschil tussen de voetballer Michels en de coach Michels leren kennen: Michels was erg getapt onder de spelers. Het was in die tijd toch vaak lachen, gieren, brullen geblazen. Ik herinner me nog, dat we in Sittard moesten spelen en we in een restaurant zaten. Toen kwam Michels opeens dat restaurant in met een bontmuts op en een bontmantel aan. En een vrouw maar achter ‘m aan lopen gillen: ‘Dat zijn míjn spullen, hij heeft míjn spullen van de kapstok gepikt…’

Michels als coach was voor Swart onherkenbaar, hoewel hij toegeeft heel veel van Michels te hebben geleerd. Michels heeft ook altijd een zwak voor Swart gehad, later, hoewel dat hem nooit heeft verhinderd steeds maar weer op hem te mopperen. Michels vond, dat Swart nog te veel ‘liep te dromen’. En Swart geeft toe: ‘Als de bal aan de linkerkant was, dacht ik vaak, dat er toch geen voorzet zou komen. Dan bleef ik wat hangen en als dan die voorzet wél kwam, was ik niet voor het doel.’

Michels heeft Swart dat gebrek aan actie systematisch ingepeperd: tijdens de trainingen, tijdens de besprekingen en tijdens de wedstrijd, tot Swart wel eens dacht: ‘Man, hou je smoel.’ Als rechtsbuiten speelde Swart tenminste één helft vlak voor het reservebankje, waarop ook de trainer gewoonlijk plaatsneemt. Dan schalden Michels’ bevelen als zweepslagen over het veld. De enorme productie, die Swart vooral de jongste vijf, zes seizoenen op zijn naam schreef kan voor een niet onbelangrijk deel worden toegeschreven aan Michels’ coaching. Vaak dook Swart op het juiste moment naar binnen als Keizer of de naar links uitgeweken Cruijff hun voorzetten naar het doel draaiden. En omdat Michels zijn eigen specialiteit, het koppen, gedeeltelijk ook op de hoog springende Swart had overgebracht scoorde Swart regelmatig met kopballen na voorzetten van links. Bij die doelpunten, wanneer Michels het nut van zijn voortdurende mopperpartijen had aangetoond, keek Swart als een trotse pauw richting bank en hij herinnert zich: ‘Als ik dan op mijn wenk terugkwam stak ie altijd één duim omhoog. Dat was vaste prik.’

Toen Johan Cruijff nog een aspirantje van een jaar of twaalf was moest Ajax op het NFC terrein ‘s een beslissingswedstrijd tegen Blauw Wit spelen. De stand was 1-1, toen vlak voor tijd een van de spelers van Ajax een bal wegkopte. Wat denk je? Geeft die scheidsrechter een strafschop, wint Blauw Wit met 2-1. Al die mensen na afloop het veld op, zodat het nogal lang duurde voor de scheidsrechter in de kleedkamer kwam. Intussen waren Ger van Maurik en ik het veld schuin over gestoken en liepen we vlak achter die scheidsrechter, toen iemand riep: “Pas op, klootzak, anders trappen we je in elkaar,” waarop die scheidsrechter omkijkt, míj ziet en aan de bond rapporteert, dat ík dat gezegd zou hebben. Bij de zitting heeft de man die dat gezegd heeft, nog aangeboden te getuigen, maar dat mocht niet. Ze dachten zeker, dat die man mij vrij wou pleiten. Ik kreeg acht weken voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Vlak ervoor werd ik bij een oefenwedstrijd in Alkmaar uit het veld gestuurd, toen ik tegen de scheidsrechter zei, dat een doelpunt ongeveer vijftien meter buitenspel was. De week erop moest ik met het Nederlands elftal spelen. Lo Brunt heeft dat toen nog gesust.’

Toch mag niet onvermeld blijven dat ‘mister Ajax’ bijna had gekozen voor de aartsvijand; Feyenoord. Men dacht dat Swart toch nooit zou vertrekken. Sjakie hoorde namelijk bij het meubilair van de club, die tekende toch wel bij. Maar in 1960 boden De Rotterdammers hem 250.000 gulden. De gewiekste Swart wist zich er later uit te praten door te stellen dat zijn geflirt alleen was om een beter contract af te dwingen…

Zijn eerste Europese titel pakte Swart met Ajax in 1962. Ajax wist op 26 april 1962 de Intertoto Cup te winnen door in de finale Feyenoord na verlenging met 4-2 te verslaan.



Sjaak Swart passeert als klassieke rechtsbuiten Janny van der Veen.
foto: Onbekend

‘Paco’ Swart (de Ajaxieden hebben hem dezelfde bijnaam gegeven als Real Madrids legendarische linksbuiten Francesco Gento) was niet weg te denken van zijn eigen ‘stek’, aan de zijlijn; en bracht hij de fans in verrukking met zijn wervelende dribbels, zijn scherpe voorzetten en zijn spectaculaire doelpunten. Sjaak Swart is zonder twijfel een van de populairste spelers, die Ajax ooit gekend heeft. Zelfs Cruijff en Keizer krijgen na succesvolle wedstrijden niet zoveel blijken van waardering van de supporters als Swart, die zeer gevarieerde cadeaus pleegt te ontvangen: behalve de traditionele bloemstukken werd hem ooit zelfs een flesje slagroom in handen gestopt.

Meen niet, dat het Swart allemaal voor de wind gegaan is. Behalve de nervositeit, die hem na al die jaren hindert, heeft Swart ándere handicaps moeten overwinnen. Ruim veertien jaar topvoetbal vereist veel karakter, omdat talent alleen geen waarborg voor een langdurige carrière is. Het uitzonderlijke vleugeltalent Swart heeft behalve zijn eigen moeilijkheden ook de evolutie van het moderne voetbal moeten overwinnen. Toen Sjaak Swart furore maakte als explosieve aanvaller stond hij vijf kwartier stil aan de lijn en was hij hooguit één kwartier actief. En als hij dan vijf soli maakte en, pak weg, tien snijdende voorzetten gaf, dan speelde Swart een goeie wedstrijd. Voetbal in de vijftiger jaren vróeg niet meer. Bezie dan de taak van de moderne vleugelspeler, die zijn directe tegenstander moet afstoppen, wanneer die tien, vijftien keer per wedstrijd offensief wordt; die zwaarder dan ooit wordt getackeld en minder afspeelmogelijkheden dan vroeger heeft; van wie verwacht wordt dat hij een zeer duidelijk aandeel heeft in de doelpuntenproductie; van wie, tenslotte, een actieradius wordt geëist, die alleen de allersterksten kunnen opbrengen.

Temidden van al die veranderingen is Sjaak Swart overeind gebleven dankzij een onverwoestbaar fanatisme en een voorbeeldige manier van leven. Wie aan het begin van het seizoen Ajax’ geselecteerden aan het opvoeren van de conditionele vaardigheid bezig ziet, ontdekt temidden van dodelijk vermoeide voetballers één brokje absolute wanhoop. Méér dan wie ook loopt Swart ‘op zijn wenkbrauwen’. Langzamer dan bij wie ook tekent zich de vorm af aan het begin van het voetbalseizoen. En ieder jaar weer vragen zich de fans van slow-starter Swart af, of dít jaar niet zijn láátste jaar is. Maar de eerzucht van de donkere modelatleet Swart is onvoorstelbaar. Misschien is dat ook wel een van de meest opmerkelijke verschillen met Rotterdams nerveuze raspaardje Moulijn: als Coentje eenmaal uit vorm is of héét te zijn, dan duurt het enige tijd, vóór hij terug is; als Swart twee wedstrijden slecht speelt volgt er gegarandeerd een derde, waarin hij uitblinkt.

Behalve de inkomsten van een topvoetballer, toucheerde hij ook de winsten van een zeer florerend bedrijf aan de Pontanusstraat 54, in het hartje van Amsterdam Oost, waar hij begon met sigaren en sigaretten te verkopen, maar dat later zowat alles verkoopt, van sexblaadjes tot Ajax-stickers. Bovendien heeft hij samen met zijn vriend Bram Haverkamp (zelf een ex-profvoetballer) het restaurant aan de Jaap Edenbaan gepacht.

Swart ging altijd, voor elke wedstrijd, zowat kapot gaat aan die nervositeit; zoals hij altijd hypergevoelig was voor een goed woord van een collega, trainer, journalist of zomaar een fan; zoals hij na afloop van de wedstrijd kan genieten van elk detail, waarin hij, Sjakie, een rol heeft gespeeld: daar gaat iets van uit, dat iedereen die hem kent, vóelt. Op die momenten is Sjaak Sjakie, dan weegt die mislukte manoeuvre ‘buitenom’ zwaarder dan welke zakelijke problemen ook en dan is hem die feilloze een-twee combinatie méér waard dan de dubbele omzet in een van zijn bedrijven.

Weinig voetballers beleven zo intens hun vak als Swart. Van hem straalt pure vreugde af, wanneer hij, na een doelpunt of geslaagde actie, het applaus van de tribunes inhaleert. Hij kan als geen ander verontwaardigd reageren, wanneer hem door buitenstaanders niet díe eer wordt gegund, die hij denkt, dat hem toekomt. Als je hem confronteert met drie gemiste kansen, somt hij je onmiddellijk zeven andere acties op, waaruit moet blijken, dat hij ook nog ándere dingen heeft gedaan. Op die momenten is Swart nog even fel als aan het begin van zijn carrière. Dan blijkt ook, dat hij zijn eigen prestaties niet altijd even realistisch beoordeelt.

Vandaar ook zijn voortdurende conflicten met de sportjournalisten, van wie het merendeel Swart overigens bijzonder waardeert. Swart vindt die sportpers ten opzichte van hem al te negatief. Hij acht de belangstelling voor spelers als Cruijff en Keizer niet in overeen- stemming met die voor anderen, onder wie hijzelf. En dat verdriet hem zo nu en dan. Niet, dat hij Cruijff en Keizer niet bewondert, natuurlijk wel, maar hij stelt fel: ‘Als die spelers drie goeie dingen in een wedstrijd doen, dan spelen ze goed. Als ik van de tien acties er acht goed en twee slecht doe, staat er de volgende dag in de krant, dat ik te oud word. Dat is niet eerlijk. Als ik vijf wedstrijden goed speel, lees je niks, speel ik er één slecht, dan zijn de vetste koppen nog niet vet genoeg.’

In dat opzicht voelt zich de immer opgewekte Swart duidelijk miskend, al geeft hij toe, dat hij ‘niet tegen kritiek kan.’ Dat is ook zo: van alle Ajaxieden is Swart het minst genegen toe te geven, dat hij wel ‘ns minder goed heeft gespeeld: ‘Ik weet in mijn hart heus wel of ik goed of slecht was. Maar ik kan er niet tegen als mensen het me dan komen zeggen. En ik vind het helemáál verschrikkelijk als ik dan de volgende dag nog moet lézen óók, dat ik slecht was.’ Zó ver gaat Swart op in die materie, dat hij in allerlei interviews niet schroomt bijvoorbeeld de hem minder genegen sportverslaggevers van De Volkskrant te bedreigen – een keer heeft hij een van hen zelfs zonder pardon uit zijn restaurant op de Jaap Eden baan gezet, op het moment dat die verslaggever de schaatser Ard Schenk aan het ondervragen was. Bij die gelegenheid manifesteerde zich ook een ándere karaktertrek van de als ‘zachtmoedig’ te boek staande Swart: hij kan verschrikkelijk driftig (en dus onredelijk) zijn.

Die driftbuien zijn, zo gelooft hijzelf, het gevolg van een bijzonder druk bezet leven. Aan de ene kant moest de ouder wordende voetballer zich volledig concentreren op de steeds méér eisende topsport, aan de andere kant kon hij niet verslappen in zijn zaak. De grote kracht van Swarts ‘sigarenwinkel’ is wel, dat hij er zélf regelmatig te vinden was om zijn supporters te woord te staan (dat ging er soms zeer vermakelijk aan toe, Sjakie is vooral op sportgebied fel en reageert met name op alles wat Feijenoord is als een stier op een rode doek) Terwijl hij aan de ene kant zijn handen vol had aan het organiseren van busreizen naar de uitwedstrijden van Ajax of hij stilaan gek dreigde te worden van de verzoeken om kaartjes bij belangrijke wedstrijden, diende hij zich óók adequaat voor te bereiden op de wedstrijden. Zelf zegt hij: ‘Toen ik betaald voetballer was, had ik nog geen idee wat dat zou gaan worden. Toen ben ik die zaak begonnen, om me veilig te stellen voor later. Toen het voetballen zich zo ontwikkelde kon ik niet meer kiezen, ik was er te oud voor. Ik kon mijn zaak niet opgeven en het voetballen werd almaar zwaarder. Ook daardoor ben ik wat nerveus.’

Die nervositeit uit zich, behalve in de incidentele driftbuien, ook vaak in een zenuwontsteking aan de schouder, die Swart met name in de laatste weken voor de finale van Wembley in 1971 dwars heeft gezeten. Die nervositeit was, volgens Michels, ook zijn grootste tegenstander in de wedstrijden.

Pas in de laatste maanden van de periode-Michels verslechterde de relatie Michels-Swart enigszins. In Glasgow passeerde Michels Swart voor het eerst in zijn specialiteit, de Europa Cup. Na een wedstrijd tegen Celtic was Swart des duivels uit teleurstelling, maar Michels loste dat meesterlijk op door, tegen zijn gewoonte in, bij het banket na afloop losjesweg op Swart af te stappen met de woorden: ‘Sjakie, ook jíj gefeliciteerd, al hoor ik dat je boos op me bent.’ Maar wérkelijk woedend is Swart pas geworden op Wembley, tijdens de rust, toen hij de tong van zijn schoen wat goed deed, met de andere hand een kopje thee vasthield en Michels droogweg annonceerde, dat Arie Haan Swart zou vervangen. Die beslissing moet voor Michels verschrikkelijk zwaar zijn geweest, wetend, dat hij Sjaak Swart de grootste vernedering in zijn carrière aandeed. Misschien dáárom gaf hij achteraf ‘een blessure’ als reden op en verzweeg hij wat hij werkelijk vond: dat Swart te zeer door zenuwen overmand was om goed te spelen in zíjn ogen. Swart zélf had de wedstrijd als bewijs van Michels’ ongelijk: waar Ajax voor rust bij vlagen schitterend voetbalde, zakte het erna volkomen weg. Swart, nóg altijd verbitterd: ‘Ik heb ergens gelezen, dat Michels voor rust het angstzweet in zijn handen had. Dan heeft ie na rust zeker met ijszakken gezeten…’

Wat Swart óók verdroot was Michels’ uitspraak, dat hij alleen als rechtsbuiten een succes bleek. Swart wijst dan op de talloze toppers, waarin hij met name als verdedigende schakelspeler of zelfs als rechtsachter schitterende partijen vertolkte. Swart zegt: ‘Michels is niet het type, dat me voor de lol vijfeneenhalf jaar achter elkaar in uitwedstrijden verdedigend laat spelen, niet? Waarom me dan zo’n trap nageven? Als ik hem nog ‘ns spreek krijgt ie dát op zijn boterham.’ Voor het overige was Swart als was in de handen van maëstro Michels. In besprekingen zei Michels vaak: ‘Er staat een verschrikkelijk goeie linksback bij de tegenstander, maar beter dan Sjakie is ie natuurlijk niet.’ Michels krikte daarmee het zelfvertrouwen van Swart aanzienlijk op, wat nodig was, omdat Swart niet altijd even overtuigd was van zijn eigen kwaliteiten.

1966 Sjaak Swart scoort een doelpunt tegen DOS.
foto: Onbekend / Anefo

Michels ging zelfs, voor een Europese thuiswedstrijd tegen Carl Zeiss Jena, zó ver, dat hij op het ‘tactiek-bord’ de initialen ‘J.S. 1’ en ‘J.S. 2’ neerzette. Het eerste stond voor de Jacques (Sjaak) Swart, die vlak vóór de reservebank speelde: geconcentreerd, attent reagerend, voortdurend in beweging. Het tweede stond voor de Jacques (Sjaak) Swart ‘aan de overkant’, die afwezig reageerde, doof als hij dáár was voor Michels’ dwingende stem. Het hielp: na rust scoorde ‘J.S. 2’ op werkelijk magistrale wijze, wat zíjn tweede en Ajax’ vierde treffer betekende.

Swart: ‘Die wedstrijd tegen Jena, die tegen Liverpool en die kampioenswedstrijd tegen Feijenoord beschouw ik als de hoogtepunten van mijn loopbaan.’ Alle drie de wedstrijden eindigden in overwinningen voor Ajax met de cijfers 5-1. De wedstrijd tegen Feijenoord, zo weet Swart uit het hoofd, werd gespeeld op 26 mei 1960. Ajax stond met 1-0 achter bij de rust en won tenslotte met 5-1, waarmee het kampioen van Nederland werd. In die wedstrijd meent Swart ook zijn allermooiste (‘Ik heb er wat mooie gemaakt, soms van wel veertig meter in de bovenhoek’) doelpunt te hebben gemaakt: die beroemde dribbel vanaf het middenveld, langs drie Feijenoorders, met nét dat beslissende tikje langs Pieters Graafland, waardoor de bal nét langs de paal in het doel rolde. Of Swarts heldenrol in de ‘mistwedstrijd’ tegen Liverpool, toen hij door het wegvallen van Suurbier zowel rechtsback als rechtsbuiten tegelijk speelde, hem alles lukte en hij vier van de vijf doelpunten hielp voorbereiden. Dit was een typische mistwedstrijd. Het staat 3-0, de scheids blaast op de fluit en Sjaak Swart verdwijnt in de catacomben. Het was echter nog geen tijd. Swart sprint snel weer naar het veld, maakt een indrukwekkende solo en levert de assist voor een goal. Dit alles aldus de bescheiden Swart zelf.

Dat Swart als rechtsbuiten de laatste seizoenen zo hoog op de topscorerslijst eindigde dankte hij aan de ene kant aan de concentratie van aanvallers op links (Cruijff, Mühren, Keizer), anderzijds heeft dat ook tot gevolg, dat hij een vaak geïsoleerde positie op rechts inneemt, wat de mogelijkheden tot combineren beperkt, hoewel zijn onderling begrip met de razendsnel opkomende Suurbier uitstekend is. Kort daarvoor stond Swart er in dat opzicht beter vóór: behoudens een korte onderbreking van twee seizoenen, toen hij voor Feijenoord uitkwam, is Henk Groot de vaste partner van Swart op de rechtervleugel geweest. De combinaties tussen Swart en Groot zijn een begrip: ‘Als Henk en ik twee tegen twee speelden op de training waren we niet te kloppen. En toch deden we geen stap te veel,’ weet Swart, die al in het militair elftal naast Groot triomfen vierde.

Henk Groot wist precies wat Swart deed en andersom voelde Swart intuïtief aan of Groot de bal in de voeten of in de diepte ging spelen. Swart: ‘Toen we in 1960 kampioen werden maakte Henk er geloof ik 40 en ik 28. Het liefst had Henk van die strakke voorzetten, dan knikte het nekkie even en dan was het raak.’

Swart en Groot hebben 10 seizoenen achter elkaar samen opgetrokken – zij deelden steevast ook een kamer tijdens buitenlandse trips. En tóch, ook wanneer Henk Groot naast Swart speelde, was Sjakie een ándere voetballer, wanneer hij in het Nederlands elftal stond opgesteld. Dan miste hij de flair om te doen wat hij bij Ajax wèl deed; dan miste hij te vaak de steun van zíjn publiek. Terwijl hij met Ajax juist in de belangrijke wedstrijden schitterde vielen zijn prestaties over het geheel genomen tegen, wanneer hij het Oranje-shirt droeg. Swart was timide, minder betrokken dan anders. Zegt hij enigszins berustend: ‘Noem mij één speler op, die constant goed heeft gespeeld in het Nederlands elftal. Het was toch altijd een ongeorganiseerde toestand met een gebrekkige voorbereiding en steeds een ander elftal? Geloof míj nou: het wordt nooit wat op die manier.’

Swart maakte eind jaren zestig de opkomst mee van ‘het Gouden Ajax’. Dat verloor in 1969 de Europacup 1-finale van AC Milan (1-4), maar won in 1971, 1972 en 1973 de beker met de grote oren. Volgens de overlevering zei Swart, toen hij in 1972 de halve finale tegen Benfica (1-0) met een kopbal had beslist: “Ik moest toevallig toch die kant uit”. Swart won drie Europa Cups, één Intertoto Cup, acht Nederlandse kampioenschappen, vijf nationale bekers, één Europese Supercup en één Wereldbeker.

Swart speelde zijn hele professionele carrière voor AFC Ajax. Hij is de Ajax-speler met het meeste aantal wedstrijden in de hoofdmacht. Hij speelde 603 officiële wedstrijden voor de Amsterdamse club, waaronder 463 wedstrijden in de Eredivisie, meestal met rugnummer 8. Met 175 doelpunten staat hij derde op de lijst van Ajax’ meest productieve aanvallers, na Johan Cruijff en Piet van Reenen. Op 19 mei 1973 speelde hij zijn laatste officiële wedstrijd.<

Swart stopte in 1973 als profvoetballer, maar bleef met een groep liefhebbers, van oud-profs tot gepassioneerde amateurs, twee keer per week trainen. De rondo: twee spelers in het midden, de rest moet de bal zo lang mogelijk rondspelen. Wie de bal verliest, moet in het midden.

Aanvankelijk kwamen de mannen bijeen bij de Jaap Eden Baan, waar Swart de kantine bestierde. Later werd voetbalclub Zeeburgia de ontmoetingslocatie. Door de jaren heen wisselde de groep regelmatig van samenstelling en niet iedereen was altijd present. Maar Sjaak is er altijd.

Hij speelde tot op hoge leeftijd nog geregeld in het gelegenheidsteam van oud-profs Lucky Ajax en andere gelegenheidsteams met oud-internationals en laat zich (als voetbalanalist) nog vaak horen/ gaan in de media als het zijn cluppie, Ajax, betreft.

Nederlands elftal

Hij debuteerde op 26 juni 1960 tijdens de wedstrijd Mexico – Nederlands elftal. Hij mocht beginnen in de basis en werd na 56 minuten gewisseld. De wedstrijd werd uiteindelijk wel verloren met 3-1. In zijn derde wedstrijd scoorde hij zijn eerste doelpunt voor het Nederlands elftal. Hij scoorde de 0-1 tegen Suriname, de wedstrijd werd uiteindelijk met 3-4 gewonnen.

Swart heeft de meeste waardering voor Elek Schwartz, die hij vooral om zijn menselijke methode van coachen en zijn werklust prijst. Onder Dennis Neville, Schwartz’ opvolger, raakte Swart ooit weer eens zijn plaats kwijt aan… linkermiddenvelder Ko Prins, Swarts clubgenoot. Het foefje van Neville moest gelden als een tactische meesterzet, zo weet Swart nog: ‘Kootje,’ zei Dennis tegen Prins, ‘na de wedstrijd zal de voetbalwereld je vergelijken met Stanley Matthews. Ze zullen je Stanley Prins noemen.’ Kootje raakte die wedstrijd geen bal… Ook onder Georg Kessler was het een zaak van vriezen of dooien, wat Swart betreft. In een van de slechtste wedstrijden, die Oranje onder Kessler speelde, in Rotterdam, tegen de Denen, redde Swart het hoofd van Kessler door vijf minuten voor tijd eerst zelf te scoren en een minuut later tegen de paal te schieten, waarna Willy van der Kuylen gemakkelijk 2-0 kon maken. Swart: ‘Ik weet nog goed, dat Kessler na Joegoslavië tegen me zei: Sjaak, dit was je beste wedstrijd in het Nederlands elftal. Je krijgt van mij bij uitzondering het cijfer 8½. Daar was ik lekker mee…’

Zijn laatste interland was in 1972 nadat hij bijna 4 jaar niet in actie was gekomen voor het Nederlands elftal. Nederland won die wedstrijd met 1-2 van Tsjecho-Slowakije. Swart speelde uiteindelijk 31 interlands voor het Nederlands elftal en scoorde daarin tien keer. Het bijzondere is wel dat ondanks dat hij zoveel prijzen met Ajax heeft gewonnen, hij nooit een prijs heeft gewonnen met Nederland of zelfs maar een eindtoernooi heeft gespeeld als international.

Als Swart stopt heeft hij een schitterende loopbaan achter de rug. Weinig buitenspelers zullen zo veel internationaal tellende treffers hebben gemaakt en voorbereid. Zijn grote voorbeeld was de beroemde Braziliaan Garrincha, die zowat in zijn eentje zijn land het wereldkampioenschap in ’58 en ’62 bezorgde. Swart heeft niet alleen zeer intensief en langdurig de beweging- ‘buitenom’ van Garrincha uitgeprobeerd, hij voelt zich ook in ander opzicht verwant aan Garrincha: ‘Ik vond, dat Garrincha lang niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende. Als Pele één bal goed raakte, had díe de wedstrijd al gemaakt.’ Misschien heeft Sjaak Swart wél gelijk, als hij stelt, dat hij niet altijd op de juiste waarde is geschat. Er zullen weinig buitenspelers zijn, die zoveel techniek en tegelijk zóveel kracht hebben als Swart, die er in één wedstrijd (tegen MVV, 9-3) liefst vijf inschopte, toen Michels als trainer voor het eerst kwam kijken.

Als hij achteromkijkt zegt hij, en zéér typerend voor die unieke Ajacied: ‘Garrincha was de beste rechtsbuiten aller tijden…, dan komt Matthews, en dan, ja, dan komt Sjakie Swart…’ En dat méént hij, Sjaak Swart. En wie durft dat te bestrijden?

Sjaak Swart is bondsridder van de KNVB, geridderd door koningin Beatrix en ereburger van Amsterdam.

Op 22 januari 2010 is Swart (samen met Piet Keizer) benoemd tot erelid van Ajax. Al jarenlang was de eventuele benoeming van Swart tot erelid van Ajax een gespreks- onderwerp binnen de club. Daarbij moest de ongeschreven regel worden veranderd dat (oud-)spelers geen erelid kunnen worden.

Hij was jarenlang samen met Bennie Muller het gezicht van Ajax. Swart is na zijn carrière bij Ajax nog fanatiek blijven voetballen in de amateursectie van Ajax en speelt nog geregeld in het gelegenheidsteam van oud-profs Lucky Ajax en andere gelegenheidsteams met oud-internationals. Hij speelt nog ongeveer 30 wedstrijden per jaar en heeft zijn eigen ‘Tafel van Sjaak’ in de Champions Lounge van de Johan Cruijff ArenA.

Op 24 september 2005 werd een brug in de Amsterdamse wijk Park de Meer vernoemd naar Swart. Het is één van twaalf bruggen die genoemd zijn naar spelers van het Gouden Ajax. Op 14 december 2009 verscheen zijn biografie, Mister Ajax – De eeuwige jeugd van Sjaak Swart die is geschreven door Raymond Bouwman.

Prijzenkast en erelijst:

* Kampioen Eredivisie: 1956/57, 1959/60, 1965/66, 1966/67, 1967/68, 1969/70, 1971/72, 1972/73
* KNVB Beker: 1960/61, 1966/67, 1969/70, 1970/71, 1971/72
* Europacup I: 1970/71, 1971/72, 1972/73
* Wereldbeker voor clubteams: 1972
* UEFA Super Cup: 1972, 1973
* International Football Cup: 1961/62
* Intertoto Cup (poule winnaar): 1968
Nederlands elftal:
* 31 interlands; doelpunten: 10

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Koning Voetbal, De Ajacieden(1971)–Maarten de Vos, kentudezenog.nl