101 voetbaliconen: (79) Ferenc Puskas

PASPOORT
Geboren: Boedapest, 2 april 1927
Overleden: Boedapest, 17 november 2006
Nationaliteit: Hongaars
Positie: Aanvaller
Clubs: Boedapest Honvéd, Real Madrid
Interlands: Hongarijje: 85 doelpunten: 84. Spanje: 4 doelpunten: 0
Doelpunten: Boedapest Honvéd: 352, Real Madrid: 156
Trainer: Hércules CF, SF Golden Gate Gales, Vancouver Royals, Deportivo Alavés, Panathinaikos, Real Murcia,
Colo-Colo, Saoedi-Arabië, AEK Athene, Al-Masry, Club Sol de América, Cerro Porteño, South Melbourne Hellas, Hongarije

Hoewel Ferenc Puskas klein van stuk was, iets te veel kilo’s meetorste, een nutteloos rechterbeen had en in de lucht niets klaarspeelde, wordt hij terecht beschouwd als één van de beste aanvallers in de voetbalgeschiedenis. Na de oorlog leverden zijn snelheid en verwoestend schot hem, achttien jaar oud, meteen een plaats op in het Hongaarse elftal. Zijn succes bij Honved, een Hongaars legerteam, was voor Real Madrid aanleiding hem naar Spanje te halen, waar hij samen met Alfredo di Stefano het waarschijnlijk beste aanvalsduo, aller tijden vormde.

De twee leidden Real naar ongekende successen in Spanje en Europa. ‘De Galopperende Majoor’ werd vier keer topscorer van Spanje, en wanneer hij het niet werd, dan werd Di Stefano het wel.

Hij scoorde vier keer in de legendarische, met 7-3 gewonnen EC I finale tegen Eintracht Frankfurt.

Puskas wist op 35-jarige leeftijd in de EC 1 finale tegen Benfica zelfs nog een hattrick te scoren. Toch verloor Real met 5-3.

Daarnaast maakte Puskas deel uit van het fantastische Hongaarse elftal dat tussen 1950 en 1954 vier jaar lang ongeslagen bleef alvorens in de WK finale te verliezen van Duitsland.

De critici en toeschouwers konden alleen maar bewonderd toekijken hoe Puskas, Czibor, Hidegkuti en Kocsis op Wembley met 6-3 de vloer aanveegden met Engeland, waarmee ze Engeland de eerste thuisnederlaag in de geschiedenis bezorgden. De ploeg viel in 1956 na de Hongaarse opstand uiteen en Puskas zou later nog vier wedstrijden spelen voor Spanje, zijn tweede vaderland.

Puskas was door een blessure niet inzetbaar in de kwart- en halve finale van het WK in 1954, maar wilde, hoewel maar half fit, per se meespelen in de finale. Zoals altijd scoorde hij, maar Duitsland won met 3-2 na met 2-0 achtergestaan te hebben.

Puskas maakte voor Hongarijje 83 doelpunten (in slechts 84 interlands): een wereld- record.

Hij was in 1971 trainer van het Panathinaikos dat in de Europa Cup 1 finale tegen Ajax speelde.

In 1993 beleefde Puskas een emotioneel weerzien met een vrij Hongarijje toen hij de positie van interim-bondscoach aanvaardde.

Puskás ook bekend onder de bijnaam De Voetballende Majoor.
foto: EFE

Jeugdjaren

Ferenc Puskás, werd onder de naam ‘Purczeld Ferenc’ in 1927 te Kispest (een dorpje aan de rand van Boedapest) geboren, maar velen zullen hem kennen als ‘De Voetballende Majoor’. Vanwege zijn gedrongen gestalte kreeg hij ook bijnamen als ‘De Napoleon van het voetbal’, of het Hongaarse ‘Puskás Öcsi’ (de kleine man), ‘Puskás Bácsi’ (oompje) of ‘Öcsi bácsi'(klein oompje).

Vader Ferenc Purczeld (die in 1938 de familienaam liet verhongaarsen tot Puskás) was een verdienstelijk voetballer en later trainer van de club Kispesti FC. Het talent van Ferenc junior werd vroeg onderkend en vanaf zijn 11e jaar speelde hij bij de club van zijn vader. In die tijd al samen met zijn vriend en buurjongen József Bozsik, die later ook deel uitmaakte van het Gouden Team.

De legende verhaalt dat hij al tegen een bal begon te trappen zodra hij kon lopen en reeds op 9-jarige leeftijd kans zag zich aan te sluiten bij een voetbalvereniging. Dit laatste met dank aan een oogluikend toegestane fraude, aangezien hij daar eigenlijk 12 jaar voor had moeten zijn. Puskás was een man met verschillende gezichten. Hij liet zich door niets en niemand de wet voorschrijven. Als jeugdig toptalent van Kispest zette hij op zijn zestiende alles naar zijn eigen hand. Puskás had al snel door dat hij als voetballer iedereen in zijn land ontsteeg en genoot ervan dat het volk aan zijn voeten lag.

Hongarijje: (Kispest) Budapesti Honvéd SE

Hij maakte op 5 december 1943 zijn voetbaldebuut in het eerste team van Kispest en twee jaar later, in 1945 maakte hij zijn debuut in het nationale elftal, tegen Oostenrijk. Als jongen van amper 16 mocht Ferenc Puskas debuteren in het eerste elftal van Kispest, een club in een volksbuurt aan de rand van Boedapest. Een papperig jongetje, klein van stuk, zo op het oog niks bijzonders. En toch zou de kleine Ferenc niet veel later uitgroeien tot het Brein van het Gouden Team, tot de Magiër der Magyaren, tot de beste linksbenige aanvaller van zijn tijd, tot de beste schutter die Hongarije ooit heeft voortgebracht.

Vanaf 1943 speelde Puskás bij Kispest in de hoogste klasse, in 1947-48 werd hij in de clubcompetitie nationaal en Europees topscorer met 50 doelpunten. Na de onder Sovjet invloed tot stand gekomen socialistische machtsovername in Hongarije kwam de club in 1949 onder controle van het Hongaarse leger. In de socialistische landen was het gebruikelijk dat ministeries, vakbonden en grote bedrijven hun eigen voetbalclub hadden.

Vanaf dat moment heette de club Honved en waren de spelers beroepsmilitair. Ze kregen allemaal een versnelde officiersopleiding. Puskás begon als luitenant, maar na de Olympische Spelen werd hij bevorderd tot majoor. Het nationale elftal maakte furore en bleef van 4 juni 1950 tot 4 juli 1954 gedurende 32 interlands ongeslagen. Op 25 november 1953 schreven de Hongaren historie. Met de vedetten Bozsik, Kocsis, Hidegkuti, Czibor en Puskás ging het onverslaanbaar geachte Engeland met Matthews, Mortensen, Ramsey en Wright op Wembley met 6-3 onderuit.

8 december 1956: vriendschappelijke wedstrijd AC Milan-Honved, Nils Liedholm en Ferenc Puskás
foto: Onbekend

Omgedoopt tot Budapesti Honvéd SE moest de club van Kispest bijdragen aan de popularisering van de strijdkrachten. Vanwege de grote invloed van het leger (dienstplicht!) kon Honvéd makkelijk getalenteerde spelers van andere clubs aantrekken en zo de kern van het Gouden Team vormen. In 1949-50 werd de club voor het eerst nationaal kampioen. Met Honvéd zou de Gallopperende Majoor vijfmaal de nationale titel veroveren, en kwalificeerde hij zich nog drie keer als landelijk topscorer.

Omdat de spelers uit de hoogste Hongaarse afdeling staatsamateurs waren, mochten alle vedetten in 1952 deelnemen aan de Olympische Spelen in Helsinki. Het leverde Puskás en zijn medespelers niet alleen een gouden plak op, alle voetballers kregen bovendien als beloning een villa van de staat.

De vlucht uit Hongarijje

Alle Europese topclubs wilden tegen Honved voetballen. Omdat de club een Europa Cup-wedstrijd moest spelen tegen Athletic de Bilbao, werden er meteen vriendschappelijke duels in Antwerpen, Essen, Parijs, Madrid en Barcelona gepland. Tijdens deze trip kwam het Hongaarse volk in opstand tegen het communistische regime. Het leger steunde de revolutie en op 29 oktober 1956 werd Imre Nagy uitgeroepen tot de nieuwe leider. Terwijl Honved door Europa toerde, vielen de Russen Hongarije binnen om de opstand de kop in te drukken. De spelers durfden niet naar hun land terug en maakten zich ernstig zorgen over hun gezinnen.

In november kreeg Puskás het bericht dat zijn vrouw, de handbalster Bozsi Erzsebet, en zijn dochter Aniko naar Wenen waren gevlucht. De autoriteiten wilden dat de spelers terugkeerden. Minister Gustav Sebes reisde speciaal naar Brussel om de voetballers op andere gedachten te brengen, maar ze wilden eerst nog een trip door Zuid-Amerika maken. De Hongaarse voetbalbond probeerde dat via de FIFA te verhinderen en Honved werd zelfs opgeheven.

Honved-manager Emil Östreicher reisde toch met het elftal naar Brazilië en verdeelde de opbrengst van de wedstrijden onder de spelers.

Terug in Wenen kochten de meeste spelers een nieuwe auto en reden langs de Donau naar huis. Alleen Puskás, Czibor en Kocsis bleven achter. Om fit te blijven trainden ze mee met Wiener SK tijdens de door de FIFA uitgesproken schorsing, maar Puskás vestigde zich al snel in Milaan. Maar ook zonder die maatregel was het voor de gedeprimeerde voetballer moeilijk om een nieuwe werkgever te vinden. De clubs in Italië, waar zijn voorkeur naar uitging, vonden de 30-jarige Puskás te oud en inmiddels ook te dik. Via de eveneens uitgeweken Honvéd assistent Emil Oestreicher kon Puskás (na 10 kilo te zijn afgevallen) uiteindelijk een contract sluiten met Real Madrid. In Madrid was de Hongaar voor het eerst niet de superster van het elftal. Die rol had Alfredo Di Stéfano, maar desondanks werd Puskás in 1960, 1961, 1963 en 1964 topscorer van Spanje.

Puskás speelde tot 1956 bij Honved en in 349 wedstrijden scoorde Puskas 357 doelpunten, een ongekend moyenne. Het was ook de tijd dat de politiek een groot stempel drukte op de sport. Puskas voetbalde eerst in Hongarije dat werd overheerst door de Sovjet-Unie, later in Spanje onder Franco.

Real Madrid en Spaans nationale elftal

In Spanje bouwde Puskás in 1958-1966 een tweede carrière op als sterspeler van Real Madrid. Real Madrid had in 1956 het eerste Europacup-toernooi gewonnen en deze titel in 1957 en 1958 geprolongeerd. Met sterspelers als de Argentijn Alfredo Di Stéfano, Fransisco ‘Paco’ Gento en nu ook Puskás, kon Real zijn overheersende positie in Spanje en Europa lang vasthouden.

In zijn acht seizoenen bij Real Madrid scoorde Puskás 156 keer in 180 competitie- wedstrijden. Viermaal was hij Spaans topscorer, terwijl de club vijfmaal het lands- kampioenschap veroverde, één keer de nationale cup, en nog driemaal de Europacup voor landskampioenen (1959, 1960, 1966). Puskás speelde 39 Europacup wedstrijden voor Real Madrid en scoorde 35 keer. In zijn eerste finale, 1959, was Puskás echter niet opgesteld.

Het verhaal gaat dat dit voor Real-chef Santiago Bernabéu reden genoeg was om, ondanks winst, de trainer te ontslaan.

Gedenkwaardig was de Europacupfinale van 1960. Voor 135.000 toeschouwers op Hampden Park in Glasgow, versloeg Real Madrid het West-Duitse Eintracht Frankfurt met 7 – 3. Drie doelpunten kwamen op naam van Alfredo Di Stéfano en de andere vier werden alle gescoord door de Magyaar met het gouden linkerbeen.

Begin jaren zestig van de 20e eeuw verloor Real zijn onaantastbare positie in het Europees clubvoetbal. In 1962 bereikte het nog wel de finale van het Europa Cup I-toernooi. Maar in het Olympisch Stadion van Amsterdam verloor Real met 5 – 3 van het Portugese Benfica. Alle doelpunten van Real Madrid werden gemaakt door de inmiddels 35-jarige Puskás.

Puskas voor Real Madrid bezig aan zijn “tweede” carrière
foto: Real Madrid

Een moment om nooit te vergeten. De finale van de Europa Cup tussen Real Madrid en Benfica in het Olympisch Stadion van Amsterdam. Aan de ene kant de parel van Mozambique, Eusebio. Aan de andere kant Ferenc Puskas en, vooruit, Alfredo di Stefano. En precies daartussen in nog een beroemdheid: de fluitende stoffenhandelaar Leo Horn. Er zijn in dat jaar nog niet zo gek veel voetballiefhebbers in het bezit van een televisietoestel.

De gelukkigen die het spektakelstuk tussen de kampioen van Portugal en het ook toen al in smetteloos wit gestoken Spaanse kampioen op het scherm kunnen volgen, herinneren zich tot de dag van vandaag de spetterende goals van Eusebio, maar vooral die ene inderdaad onvergetelijke vrije trap die de koninklijke brigade uit Madrid krijgt. Wie gaat die vrije trap, op zo’n 25 meter van het Portugese doel, nemen? Iedereen hoopt vurig dat de geblokte linksbinnen van Real Madrid, die tovenaar met het gebrillantineerde ravenzwarte haar en de scheiding in het midden, zich over het buitenkansje gaat ontfermen. Maar niets wijst daarop. Puskas houdt zich weliswaar in de buurt van de bal op, maar dat kleine, gedrongen lichaam met die opvallende tonachtige borstkas maakt maar geen aanstalten het projectiel de gewenste lel te verkopen.

Geen aanloop of iets wat daar serieus op lijkt. Puskas staat daar maar wat te staan en lijkt de bal die aan zijn voeten ligt straal te negeren. Dan ineens haalt hij, bijna geniepig, zijn linkerbeen uit en kogelt de bal – die in die tijd loeizwaar was – met sidderende effecten achter de Portugese keeper Pereira. Benfica wint met 5-3 en Eusebio is door de drie doelpunten die hij maakt op slag een beroemdheid.

Velen vinden die treffers van de parel uit Mozambique inderdaad juweeltjes, maar die halen het in schoonheid toch niet bij die trap uit stand van Puskas. Om nooit meer te vergeten. Ferenc Puskas was er in Kispest, een dorp aan de rand van Boedapest, al vroeg bij. Hij kon, beweren enthousiaste geschiedschrijvers, eerder tegen een bal trappen, met zijn linkervoet uiteraard, dan lopen op beide benen. Een natuurtalent, al viel er voor zijn vader, die als semiprof speelde voor Vasas, natuurlijk nog wel het nodige te schaven.

Puskas succesvol als aanvaller bij Real Madrid.
foto: Onbekend

Volgens zijn biograaf en als hoofd communicatie verbonden aan de Ferenc Puskás Academie, György Szöllösi: „Hij was technisch sterk, maakte doelpunten, maar straalde ook buiten de lijnen. Hij heeft Hongarije als voetballand op de kaart gezet, maar eigenlijk was zijn periode bij Real Madrid nog indrukwekkender. Probleem was echter dat iedereen buiten Hongarije hem wel heeft zien schitteren, maar de bevolking hier kreeg er weinig tot niets van mee. Neem de Europa-Cupfinale in 1960 tussen Real en Eintracht Frankfurt, voor 135.000 toeschouwers op Hampden Park in Glasgow. Puskás scoorde vier keer. Overal was de wedstrijd via televisie en radio te volgen. Maar niet in Hongarije. Vier regels in de grootste krant. Meer niet.”

Szöllösi, is van mening dat de profjaren bij Real Madrid het belangrijkste erfgoed zijn. „Toen hij in Spanje aan de bak wilde zag bijna niemand het in hem zitten. Puskás was dertig jaar, veel te dik en omstreden. Puskás stelde zich bescheiden op, viel in mum van tijd achttien kilo af en veroverde al snel de harten van de Spanjaarden”, zegt de auteur van het boek Puskás. „Ik heb jaren achtereen beelden van hem bestudeerd. Hij was zó compleet. Puskás maakte doelpunten, maar gaf ook assists. Een echte nummer tien.”

In 1962 vertrok de in 1961 tot Spanjaard genaturaliseerde Puskas met het Spaanse nationale team naar Chili, om daar deel te nemen aan de eindronde van het Wereld- kampioenschap. Het werd een teleurstelling. Puskás kwam niet tot scoren en Spanje werd al in de eerste ronde uitgeschakeld. In totaal zou hij viermaal voor de Spaanse selectie uitkomen.

In 1966 stonden ‘de koninklijken’ – mèt Puskás als wisselspeler – toch weer aan de Europese top. De finale in de Europa Cup 1 werd niet alleen bereikt, maar ook nog gewonnen. In Brussel, van het Joegoslavische Partizan Belgrado, met 2 – 1. Regisseur Gento veroverde zijn zesde Europa Cup 1, hij bezit dit record nog steeds. Maar hierna beëindigde Ferenc Puskás, 39 jaar, zijn carrière als voetballer en werd hij trainer.

Volgens Szöllösi is Puskás de ware uitvinder van het totaalvoetbal. „Rinus Michels krijgt hiervoor de credits, maar het spel van Puskás was revolutionair. Alleen is daar nooit de term totaalvoetbal opgeplakt. Michels heeft zich bij Ajax als trainer laten inspireren door zijn latere opvolger Stefan Kovács – een geboren Hongaar. Puskás was voor vele coaches in Europa een inspiratiebron. Maar door zijn vertrek naar Spanje helaas in Hongarije zelf niet.”

In Madrid speelde Puskas van 1958 tot 1967. In 179 competitiewedstrijden scoorde hij 155 keer, een verbluffend gemiddelde. Een paar internationale wedstrijden die Puskas speelde zijn legendarisch, zoals de Europa Cupfinale van 1960. In Glasgow zagen 130.000 toeschouwers hoe Real Madrid korte metten maakte met Eintracht Frankfurt: 7-3. Puskas scoorde vier keer.

Met Di Stefano, een genaturaliseerde Argentijn, en de grillige Francisco Gento vormde Puskas de weergaloze voorhoede van de geheel in het wit geklede Madrilenen, die Spaans kampioen werden in 1961, 1962, 1963, 1964 en 1965.

Het was ook de tijd van de mooie bijnamen. Puskas was De galopperende majoor, bijvoorbeeld, en Broertje, en Pancho, en Cañoncito Pum (Kanonnetje Boem). En Oom broertje. Hij schijnt een innemende man te zijn geweest.

Het Hongaarse wonderteam

Puskás was aanvoerder van het Hongaarse nationale elftal dat als het Gouden Team (Aranycsapat), ofwel de Magische Magyaren, in de eerste helft van de jaren 1950 furore maakte.

In augustus 1945 debuteerde Puskás in het nationale elftal en hij wist in deze eerste interland tegen Oostenrijk ook te scoren. In 1945-1956 zou hij in totaal 85 keer uitkomen voor de Hongaarse nationale selectie, en scoorde hij 84 maal.

In 1952 werd het Hongaarse team met Puskás als aanvoerder Olympisch kampioen op de Spelen van Helsinki, door in de finale Joegoslavië met 2-0 te verslaan. Dat er twee socialistische landen in de finale stonden was overigens geen toeval. Beroepsspelers waren destijds van deelname aan de Olympische Spelen uitgesloten, maar deze regel had in de socialistische landen geen effect.

Toch was het Hongaarse team werkelijk superieur: tussen 1950 en 1954 bleef het in 32 wedstrijden ongeslagen.

Veel indruk maakte in 1953 de sensationele winst van Hongarije in een vriendschappelijke wedstrijd tegen Engeland. Engeland had in zijn voetbaltempel nog nooit verloren van een continentale tegenstander, maar werd nu helemaal zoek gespeeld. De Hongaren scoorden al in de eerste minuut en lieten de Engelsen alle hoeken van het veld zien.

Voor aanvang van de ‘match of the century’ zei een van de Engelse spelers: ‘Moet je kijken hoe klein en dik hij is. Die rollen we op.’ Puskas was aan de mollige kant, dat wel, maar dat maakte niet uit: onder zijn leiding rolde Hongarije Engeland op. De Engelsen verloren op Wembley de Match of the Century met 6-3, de eerste thuisnederlaag van het Engelse nationale elftal in dertig jaar. Puskás scoorde tweemaal in deze wedstrijd, die hij later het hoogtepunt van zijn loopbaan noemde.

Met hun overwinning in het hol van de leeuw maakten Puskas en zijn mannen een resoluut einde aan de in Groot-Brittanië hardnekkig gekoesterde mythe dat het Engelse team het beste op aarde was. Het elftal kreeg de bijnaam ‘Magische Magyaren’ en Puskás zelf, die vermaard was vanwege zijn linkerbeen, de bijnaam ‘Magyaar met het gouden linkerbeen’.

Nog erger werden de Engelsen vernederd in de return, die de Hongaren in Boedapest wonnen met 7-1. Na de overwinning op Engeland werden de Magische Magyaren, met naast aanvoerder Puskás onder andere Sándor Kocsis en Zoltán Czibor, gezien als het sterkste elftal ter wereld.

In 1954 was dit team dan ook dé grote favoriet om in Zwitserland wereldkampioen te worden. In het begin van het toernooi raakte Puskás in een wedstrijd tegen West-Duitsland, die de Duitsers met 8-3 verloren, ernstig geblesseerd. Zonder hem bereikten de Hongaren toch de finale in Bern, opnieuw tegen West-Duitsland. Puskás werd, nog niet geheel hersteld, weer opgesteld en wist binnen enkele minuten al te scoren. De voorsprong van de Hongaren werd tot 2-0 vergroot, maar nog voor rust slaagden de Duitsers erin gelijk te komen. Kort voor het einde van de tweede helft brachten ze de stand op 3-2, een tegentreffer door Puskás in de voorlaatste minuut werd afgekeurd. Beide doelpunten zijn nog steeds omstreden, maar door het Wonder van Bern waren de Duitsers wel wereld- kampioen. Een bittere pil voor de Hongaren, die ook in 1938 al een finale van het wereldkampioenschap hadden verloren.

Puskas in actie in de WK finale van 1954 tegen West-Duitsland.
foto: Onbekend

Eind 1956 viel het Gouden Team uiteen. Russische tanks trokken Boedapest binnen. Puskas bevond zich met zijn club Honved tijdens de inval in Spanje vanwege een Europa Cupwedstrijd tegen Athletic Bilbao en weigerde terug te keren naar zijn bezette vaderland. Omdat hij destijds officier bij het Hongaarse leger was, stond hij als deserteur geboekt en dreigde hij bij zijn terugkeer naar zijn geboorteland aangehouden te worden. Tevens werd hij door de Hongaarse Voetbalbond, voor één jaar geschorst, wat door de FIFA wereldwijd werd omgezet tot anderhalf jaar.

Puskas scoorde altijd en overal, voor Kispest, dat in 1948 door de communisten werd omgedoopt tot Honved, maar hij scoorde vooral als hij het Hongaarse shirt droeg: 83 doelpunten in 84 interlands. Onder zijn leiding greep het Hongaarse elftal de wereld- macht. Het Gouden Team liet in de periode 1950-1954 elke tegenstander verbleken. In 33 interlands op een rij trok het maar liefst 32 keer aan het langste eind. Slechts één keer ging het mis, nota bene in de WK-finale van 1954.

Trainer

Terwijl Puskás als voetballer maar voor twee clubs uitkwam, wisselde hij als trainer frequent van werkgever. Mogelijk een aanwijzing dat zijn trainerscarrière minder bevredigend was dan zijn loopbaan als voetballer.

Hij begon in 1967 in Spanje, en werkte daarna twee jaar in Noord-Amerika. Na enkele seizoenen bij Deportivo Alavés was Puskás in 1970-74 trainer van het Griekse Panathinaikos. Met Panathinaikos behaalde hij driemaal het Griekse landskampioen- schap, en in 1971 de finale van het Europa Cup I-toernooi. Panathinaikos verloor deze wedstrijd echter met 2 – 0 van AFC Ajax.

Later werkte Puskás als trainer in Zuid-Amerika, Spanje, Griekenland, en Egypte. Hij was in 1976-77 bondscoach voor Saoedi-Arabië. In 1990-91 werd hij met South Melbourne Hellas Australisch kampioen en cupwinnaar.

Terugkeer en overlijden in Hongarijje

Puskás had destijds gezworen nooit meer terug te keren naar Hongarije maar na 25 jaar afwezigheid kwam hij, op lang aandringen van velen, in 1981 voor het eerst terug naar zijn geboorteland. Toen de topvoetballer in 1956 achterbleef in Wenen was hij officier in het leger, waardoor hij als deserteur te boek stond. Pas na aandringen van de Hongaarse politiek keerde hij terug naar zijn geboortesland. Het was de opzet hem deel te laten nemen aan een filmproject en samenkomst van het vroegere ‘Golden Team’. Hij werd ontvangen als held, maar het zou nog tot 1992 duren eer hij zich permanent in Boedapest zou vestigen.

Na de val van het socialisme in 1989 werd Puskás in Hongarije een nationale held. In 1992 keerde hij definitief terug, en in het daarop volgende jaar deed hij als interim coach van het Hongaars nationaal elftal een poging om kwalificatie voor de eindronde van het Wereldkampioenschap 1994 af te dwingen. Dit lukte echter niet.

In 1997 kreeg Puskás de Olympic Merit Award van het Internationale Olympisch Comité en in datzelfde jaar ontving hij een award als topscorer aller tijden tijdens het Football Gala of the Century, omdat hij in 528 wedstrijden voor Kispest AC, Honved en Real Madrid, 512 keer scoorde.

In 1999 kreeg hij de titel van ‘Honorary Ambassador of Hungarian Sports’ en in 2001 werd hij verkozen tot beste mannelijke sportman van de 20ste eeuw. Hij werd ereburger van zijn geboortestad Kispest en op zijn 75ste verjaardag in 2002 herdoopte de Hongaarse regering het grootste voetbalstadion van Hongarije om, van ‘Boedapest Népstadion’ in het ‘Puskás Ferenc Stadion’. De FIFA maakte in oktober 2009 bekend dat het vanaf december van dat jaar voortaan jaarlijks de naar de Hongaar vernoemde Puskásprijs uitreikt, voor het mooiste doelpunt van het jaar.

Puskas als trainer bij één van de vele clubs die hij trainde.
foto: Onbekend

In 2000 werd bij Puskás de ziekte van Alzheimer vastgesteld en in zijn laatste levensjaren moest de Hongaar veelvuldig worden opgenomen in het ziekenhuis. Hij leed aan een vorm van de ziekte van Alzheimer waarbij hij 24 uur per dag verpleegd moest worden.

Puskás kon zijn verzorging niet zelf betalen en daarom werd er op 14 augustus 2005 in het Ferenc Puskás-stadion een door vijftigduizend toeschouwers bijgewoonde benefiet- wedstrijd gespeeld tussen zijn voormalige club Real Madrid en een Puskás All Stars Team onder leiding van coach Lothar Matthäus.

Het was ronduit vernederend dat het Engelse veilinghuis Bonhams Sporting Memorabilia alle trofeeën, prijzen en geschenken van de legendarische voetballer per opbod verkocht omdat de rekeningen van het ziekenhuis betaald moesten worden. Ruim honderd items gingen van de hand, waaronder de zilveren medaille die hij overhield aan de verloren WK-finale tegen West-Duitsland in 1954, een gesigneerd shirt van tegenstander Pelé en een zilveren model van het Bernabéu-stadion dat hij op zijn 75ste verjaardag van Real Madrid kreeg.

Het enige voordeel van Alzheimer is dat Puskás deze gênante vertoning niet meer meekreeg. Maar de Hongaarse overheid moest zich schamen voor de wijze waarop ze destijds omsprong met de man die tijdens een UEFA-bijeenkomst in 2003 door de Hongaarse voetbalbond werd uitgeroepen tot de beste speler van de afgelopen vijftig jaar.

Puskás overleed op 17 november 2006 op 79-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Boedapest. Hij werd in grootse stijl begraven in de Sint-Stefanusbasiliek. Puskás liet zijn vrouw Erszébet, met wie hij in 1949 getrouwd was, en een dochter achter.

Zoals op veel Hongaarse voetbalvelden, werd ook in Spanje, het tweede thuisland van Ferenc, in het Bernabeustadion in Madrid, vóór de wedstrijd Real Madrid-Santander en voor 78.000 toeschouwers, een ontroerende hulde gebracht aan Ferenc Puskás in Spanje gekend als ‘Pancho’ of ‘Cañoncito Pum’. Op de achtergrond weerklonk de weemoedige muziek die Laura Benítez op de cello ten gehore bracht…

De kist van Puskás in het midden van de groene grasmat. Hongarije hield op zaterdag 9 december 2006 een nationale rouwdag voor de begrafenis van haar voetbalheld, Ferenc Puskás. De nationale vlag werd gehesen, om daarna halfstok gehangen te worden aan het parlement, in tegenwoordigheid van Hongaarse overheidsbekleders van regering, justitie en leger. Aan de publieke gebouwen wapperden zwarte vlaggen. Duizenden, waaronder Hongaarse leiders en bekende voetbalspelers, hebben in het nationaal stadion in Boedapest in de namiddag de rouwdienst bijgewoond, om hun legendarische voetbalspeler te eren.

Jan Mulder, gewezen Nederlands topvoetballer, die vooral bij Anderlecht en Ajax furore maakte, en later schrijver en columnist, schreef in Humo van 21 november 2006: “…Hij behoorde tot de topdrie van de wereld (Pelé, Maradona?). Over de wreef waarmee Puskás een raket laag over de grond naar het doel vuurde, beschikten de twee topcollega’s niet… Puskás schitterde als de grootste ster die deze sport heeft voorgebracht.”

“Zijn overlijden is een groot verlies voor het voetbal, hij liet voetballiefhebbers dromen”, volgens Paul Van Himst (Belgisch voetbalicoon).” Mijn carrière begon toen de carrière van Puskás op zijn einde liep, maar ik heb het geluk gehad tegen hem te kunnen spelen. Met Anderlecht namen we het in de Europabeker op tegen het grote Real Madrid. Het is een fantastische herinnering, we slaagden er in om in Madrid een gelijkspel te halen (3-3) en thuis te winnen (1-0). Hij was een getalenteerde speler met een enorme techniek en hij kon vernietigend uithalen. Ik heb levendige herinneringen aan het trio dat hij vormde met di Stefano en Gento. Indrukwekkend, hij heeft zijn stempel gedrukt op een tijdperk. Ik heb hem niet persoonlijk gekend, maar iedereen bewonderde zijn generositeit en menselijke kwaliteiten. Vandaag is hij er niet meer, maar hij blijft voor altijd een voetballegende.”

Denk aan Ferenc Puskas en er schieten je allerlei grote, grootse en ouderwetse woorden te binnen, woorden uit een andere tijd. Zeg Puskas en je denkt vanzelf: gloriejaren, buitenaards voetbal, magische Magyaren, Gouden Team, hegemonie. Puskas’ gloriejaren waren andere tijden. De wereld was nog zwart-wit. Ook het voetbal was anders. De stadions zaten vol, de toeschouwers schouwden keurig toe en er vielen veel meer doelpunten dan nu.

Sommige mensen vinden hem de beste voetballer aller tijden, Ferenc Puskas.

Puskas speelde voor 2 clubs: Kispest AC/Honvéd (349 wedstrijden, 352 goals) en Real Madrid CF (372 wedstrijden en 156 goals). Hij behaalde de volgende indrukwekkende erelijst: Hongaars kampioen (5): 1949-50, 1950, 1952, 1954, 1955, Spaans kampioen (5): 1961 t/m 1965, Spaans bekerwinnaar (1): 1962, Europees clubkampioen (3): 1959, 1960, 1966 – finalist in 1962, 1964, Wereldbekerwinnaar (1): 1960, Olympisch kampioen (1): 1952, Europees landskampioen (0) – won wel een voorloper, de Gero-beker, in 1953 Wereldkampioen (0) – finalist in 1954.

Ook persoonlijk is zijn heldenstatus het best weer te geven door deze opsomming: Hongaars topscorer: 1947-48, 1949-50, 1950, 1953, Spaans topscorer: 1960, 1961, 1963, 1964, Europees topscorer: 1948, Wereldselectie: 1963, Europese selectie: 1965, Lid van de FIFA International Football Hall of Fame: 1998, Sportman van de 20e eeuw in Hongarije: 2001, Sportman van de Hongaarse natie: 2004.

En we ontkomen er niet aan de volgende records te vermelden: De meeste doelpunten in één wedstrijd: 7 doelpunten, de meeste doelpunten in één seizoen: 50 doelpunten, derde plaats op de topscorerslijst van de 20e eeuw (489 doelpunten), derde plaats in de Hongaarse lijst van topscoreres (357 doelpunten in 1943–1956), meeste doelpunten voor het Hongaarse elftal (84 doelpunten), dertiende plaats in de Spaanse lijst van topscorers (155 doelpunten in 1958–1967), derde plaats in de lijst van topscorers in de Europacup I.

Prijzenkast en erelijst:

* Kampioen Hongarije (Boedapest Honvéd): 1949/50, 1950, 1952, 1954, 1955
* Primera División-Spaans Kampioen (Real Madrid); 1960/61, 1961/62, 1962/63, 1963/64, 1964/65
* Copa del Rey: 1961/62
* Europacup I: 1958/59, 1959/60, 1965/66
* Intercontinental Cup (Wereldbeker): 1960
Hongarijje
* Balkan Cup: Goud 1947
* Olympisch kampioen: 1952
* Centraal-Europese Internationale Beker: 1953
* Wereldkampioenschap voetbal Zilver 1954
Individueel
* Hongaars topscorer: 1947-48, 1949-50, 1950, 1953
* Spaans topscorer: 1960, 1961, 1963, 1964
* Europees topscorer: 1948
* Wereldselectie: 1963
* Europese selectie: 1965
* Lid van de FIFA International Football Hall of Fame: 1998
* Sportman van de 20e eeuw in Hongarije: 2001
* Sportman van de Hongaarse natie: 2004
* De meeste doelpunten in één wedstrijd: 7 doelpunten (19 februari 1949)
* De meeste doelpunten in één seizoen: 50 doelpunten (1948)
* Derde plaats op de topscorerslijst van de 20e eeuw (489 doelpunten)
* Derde plaats in de Hongaarse lijst van topscoreres (357 doelpunten in 1943–1956)
* Meeste doelpunten voor het Hongaarse elftal (84 doelpunten)
* Dertiende plaats in de Spaanse lijst van topscorers (155 doelpunten in 1958–1967)
* Derde plaats in de lijst van topscorers in de Europacup
Trainer
* Kampioen Griekenland (Panathinaikos): 1969/70, 1971/72
* Kampioen Paraguay (Club Sol de América): 1985/86
* Kampioen Australië (South Melbourne Hellas): 1990/91
* National Soccer League Cup (South Melbourne Hellas)) : 1989/90

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Het Voetbal Boek, Volkskrant, NRC, Voetbal International, Groene Amsterdammer, www.kentudezenog.nl, diamental.nl, www.labdarugo.be