101 voetbaliconen: (98) Faas Wilkes

PASPOORT

Geboren: Rotterdam, 13 oktober 1923
Overleden: Rotterdam, 15 augustus 2006
Nationaliteit: Nederlands
Positie: Aanvaller
Clubs: Xerxes, Internazionale, Torino, Valencia, VVV-Venlo, Levante, Fortuna ’54, Xerxes
Interlands: 38 doelpunten: 35
Doelpunten: Xerxes: 49, Internazionale: 47, Torino: 1, Valencia: 38, VVV-Venlo: 23, Levante: 20, Fortuna ’54: 33, Xerxes: 10
Trainer: –

27 november 1946 speelt Engeland in Huddersfield tegen Nederland, Nederland verliest met 8-2. Bij Nederland doet Faas Wilkes mee. De voetbalexperts van de Engelse pers zijn lovend over hem, The Daily Herald noemt hem één van de beste binnenspelers van het continent. Charlton Athletic en Arsenal proberen Wilkes te strikken, maar Wilkes kiest er uiteindelijk in 1949 voor om als beroepsvoetballer bij Inter Milan te gaan spelen.

Hij voetbalt drie seizoenen bij Inter en vormt daar met de Hongaar Nyers en de Zweed Skoglund het in die jaren toegestane drietal buitenlanders. Na een jaar bij Torino te hebben gespeeld, speelt hij drie seizoenen bij FC Valencia in Spanje. Bij Inter en Valencia kan hij zijn balvaardigheid, zijn kap- en draaibewegingen en zijn talenten als begaafd tweebenig dribbelaar volledig tentoonspreiden. Hij speelde in zin eentje alle verdedigers uit om vervolgens zijn vrijstaande medespelers in staat te stellen om te scoren. In Italië werd hij beschreven als een ‘Hollandse windmolen, met die rondzwaaiende armen’.

De spelers van Inter van het seizoen 1951-1952, waaronder Faas Wilkes spelen in een komische film, waarin gewed wordt over de uitslag van de (geacteerde) voetbalwestrijd Inter-Napoli.

In 1954 won Valencia de Spaanse beker. Faas Wilkes was daar niet bij, omdat dictator France had bepaald dat in de bekerwedstrijden om de Copa del Generalisimo geen buitenlandse spelers mee mochten doen.

In 1954 was Wilkes Spaans voetballer van het jaar, vóór Di Stefana en Kubala

In 1954 maakte Wilkes in één wedstrijd drie goals binnen vijf minuten, in de wedstrijd Valencia-Barcelona. Hij werd die dag 31 en in het doel van Barcelona stond de befaamde Ramallets.

Wilkes heeft slechts 38 interlands gespeeld. Vanwege de Tweede Wereldoorlog speelde hij zijn eerste interland pas in 1946, en hij is zes jaar niet geselecteerd, tussen 1949 en 1955, toen hij op zijn hoogtepunt was, omdat de Nederlandse voetbalbond profvoetballers weerde.

Faas Wilkes (rechts) in de aanval tijdens Nederland-België in de Kuip.
foto: ANP

Xerxes: 1941-1949

Faas Wilkes moest van jongs af aan meubelmaker worden om samen met zijn broer het transportbedrijf van zijn vader en oom, verhuizertje Fa. Wilkes & Zoonen (later genaamd A. Wilkes en Zoonen) over te nemen. De in Rotterdam geboren Wilkes begon in 1933 bij Hion, waarna hij als talentvolle junior naar Xerxes vertrok, de club waar hij in 1964 zijn carrière ook beëindigde. Wilkes was toen al in de veertig.

De verhuizerij was toch niet zijn roeping en op 14 april 1941 debuteerde hij bij Xerxes op 17-jarige leeftijd tegen CVV (6-0).

In het eerste elftal van Xerxes, speelt hij nog even met zijn jeugdidool, Wim Lagendaal, oud-midvoor van het Nederlands elftal. Die begint trouwens ook meteen over het dribbelen van Wilkes. ‘Jij pingelt nogal he, dat moet je niet te veel doen, hoor. Wel de ballen zoveel mogelijk voor me vrijmaken.’ Het is dan 1940, de interlandloopbaan van Wilkes kan natuurlijk de eerste jaren niet beginnen. Het wordt nadien goedgemaakt door Faas die eigenlijk Servaas heet.

In die tijd kende de Nederlandse voetbalwereld geen profs, maar Wilkes wilde toch met voetballen zijn geld verdienen. Wilkes en zijn broer Leen die doelman was bij XerXes verhuisden naar MVV in ruil voor twee Bedford vrachtwagens. In de amateurvoetbal- wereld van toen was dat een schande en Wilkes kreeg een speelverbod opgelegd van een jaar. Wilkes en zijn broer hebben hier toen van afgezien en dat seizoen speelde hij toch voor Xerxes.

Faas Wilkes zegt het met een glimlach. ‘Kijk, ik was niet gek op geld, maar ik voelde me wel een artiest. Bij Xerxes had ik al afspraken met de penningmeester, dat die me weleens een vergoeding gaf als er veel publiek was geweest. Konden we lekker uit. Het zat in mij, om ervan te profiteren.’

Hij werd vooral beroemd in Spanje en Italië. Omdat in die jaren amateurvoetbal de norm was voor het Nederlandse voetbal werd hij zes jaar voor Oranje gepasseerd.

Internazionale: 1949-1952

In 1949 kreeg Faas Wilkes dan eindelijk waar hij naar op zoek was, een club waar hij geld kon verdienen met voetbal. Internazionale bood hem een contract aan ter waarde van 70.000 gulden per jaar. Hij was na Gerrit Keizer (Engeland), Beb Bakhuys en Gerrit Vreeken (beiden Frankrijk) de vierde Nederlandse voetballer die in het buitenland ging spelen. Maar dit was de eerste echte grote transfer van een Nederlandse voetballer naar een buitenlandse topclub.

Eigenlijk is Wilkes al een halve Italiaan voordat hij naar Inter gaat. Die superieure stijl van spelen, die uitstraling. Wilkes maakt indruk bij zijn allereerste verschijning in de wondertent van VUC in Den Haag, waar de Nederlands Elftal-club altijd verzamelt om te trainen en de preken van bobo’s als Karel Lotsy aan te horen. Het is de winter van 1945/46 als Oranje voor het eerst na de oorlog bij elkaar komt. Met debutant Wilkes van Xerxes. De gemiddelde international is in deze tijden van schaarste sober, donker gekleed. Niet Wilkes. Deze verschijnt in een fraaie, lichte overjas van uitmuntende stof.

De KNVB was hier echter niet blij mee en sloot Wilkes vanwege zijn prof-status voor een aantal jaar uit van het Nederlands elftal. Bij de begrafenis van Wilkes betuigde KNVB-voorzitter Jeu Sprengers hierover zijn spijt.

Faas Wilkes was de eerste Nederlandse voetballer die voor een profclub in Italië ging spelen. Wilkes alias Il Tulipano ontving 70.000 gulden op het moment dat hij in 1949 een tweejarig contract bij Internazionale tekende. Hij ging een salaris van 500 gulden per maand verdienen. Wilkes was zo populair in Milaan dat daar op dit moment nog steeds mensen rondlopen die Servaas heten. In Italië spraken zijn speelstijl en uiterlijk de fans meteen aan en Wilkes werd als snel de sterspeler van Internazionale.

Inter wordt een succes voor Wilkes, bijna drie jaar speelt hij er de pannen van het dak. Zijn laatste seizoen wordt wel een beetje verpest door een knieblessure.

Faas Wilkes op de massagebank bij Internazionale.
foto: Voetbal International

In de boeken van en over Inter staan geen pagina’s vol over de drie seizoenen van Faas Wilkes bij de club. “Hij is één van die kampioenen die geen grote gedenkwaardige feiten achterlaat, maar wiens goede herinneringen moeilijk vergaan,” zo staat hij in de Dizionario della grande Inter beschreven.

Wilkes speelde veel (95 competitiewedstrijden) en scoorde vaak (47 doelpunten), cijfers waar zijn Nederlandse opvolgers bij Inter nooit aan toe zijn gekomen. Dennis Bergkamp (52 wedstrijden, 11 doelpunten), Wim Jonk (54 en 8), Aron Winter (76 en 1) en Clarence Seedorf (61 en 8) deden ruim veertig jaar later onder voor hun illustere voorganger.

In het prachtige, zelfs in de boekwinkel al vergeelde naslagwerk Il secolo del Inter, hebben de auteurs lijstjes van de beste spelers uit de geschiedenis van de club opgesteld. Op de ‘ranking’ van middenvelders staat Wilkes zevende, nummer één is Mario Corso, met bijna 500 wedstrijden voor de club. Maar het mooiste lijstje is natuurlijk dat van de beste spelers in het algemeen:

Guiseppe Meazza
Mario Corso
Luis Suárez
Sandro Mazzola

Meazza, de naamgever van het stadion, was met zijn slechts 1,69 meter en immer ingevette, naar achteren gekamde haren hét monument van Inter, twintig jaar trouw als voetballer, met 287 officiële doelpunten de recordhouder van de club, tweemaal wereldkampioen met Italië, in 1934 en ‘38. Corso, Suárez en Mazzola vormden het wondertrio van de zwartwitten in de jaren zestig, heerser in Italië en in Europa. En dat was de pech van Wilkes. In zijn drie jaar, van 1949 tot 1952, won Inter geen prijs. Het was de laatste fase van een lange droogte. Inter had al sinds 1940 de scudetto niet meer gewonnen, al zat daar wel een korte onderbreking, in ’44 en ’45, voor de oorlog tussen.

In zijn tweede seizoen was Wilkes er wel heel dicht bij. Op de voorlaatste speeldag verloor koploper Milan thuis van Lazio (1-2), maar Inter, op slechts één punt achterstand van de roodzwarte buren, overkwam hetzelfde bij Torino. De 5-2 tegen degradant Genoa op de laatste speeldag hielp niet meer. De doelpunten kwamen van de drie buitenlanders van Inter: twee van Wilkes, twee van Skoglund, één van Nyers. Samen met centrumspits Lorenzi vormden ze een gevreesd kwartet.

In 1949 werd het aantal buitenlanders in de Italiaanse competitie officieel op een maximum van drie vastgesteld. Nyers, Skoglund en Wilkes waren dat eerste trio, al had Inter altijd al een stroom buitenlanders gehad. Vandaar ook die naam, gevonden door een groep leden van AC Milan dat zich van die club afscheidde omdat daar alleen maar Italianen mochten spelen. Internazionale betekende voor hen, bij de oprichting in 1908, dat de club voor alle nationaliteiten openstond. Nou ja, alle. Tussen 1909 en 1910 speelden er, behalve Italianen, alleen maar Zwitsers, bijna twintig in totaal.

Daarna volgde er bijna veertig jaar lang een stroom van Argentijnen en Uruguayanen, althans, volgens hun paspoorten. Hun namen waren zeer Italiaans: Demaria, Frione, Devicenzi, Mascheroni, Rizzo, Ferraro, Pozzo en Volpi, onder anderen. Dus waren Nyers, Wilkes en Skoglund eigenlijk echt de eerste officiële buitenlanders bij Inter.

Nyers, Lorenzi en Skoglund vormden het aanvallende trio van Inter, Faas Wilkes stond er als mezzapunto vlak achter. Lorenzi: “We speelden op de counter, maar niet met één spits voorin, maar met drie man, dát was onze counter. Plus Servaas, natuurlijk. Uniek was hij, ik heb nog nooit iemand zo zien dribbelen. Maar hij kon je ook een bal op dertig, vijftig meter aanspelen. Natuurlijk was hij individualistisch, maar niet altijd. En op de één of andere manier wisten we altijd wanneer we de bal van hem konden verwachten.”

“We hadden een prachtploeg, we vermaakten het publiek, dat was ook ons doel. Maar altijd met respect voor de tegenstander. Soms hadden we die kunnen vernederen, met 9-0 kunnen winnen, maar dat deden we niet. We hielden het op vijf doelpunten, hooguit. Het publiek genoot van een voetballers als Servaas, de club had hem nooit moeten laten gaan.”

En al kwamen ze niet tot 9-0, het moet soms genieten zijn geweest. Inter-Venezia, 7-0, met twee treffers van Wilkes en twee van Amadei. Lucchese-Inter, 0-5, twee van Amadei, één van Wilkes. Como-Inter, 1-5, drie keer Nyers, één keer Wilkes. Inter-Triestina, 6-1 (Campatelli 2, Nyers 2, Wilkes 1), Inter-Lucchese, 6-3, twee van Wilkes. Inter-Roma, 6-0, 3x Nyers, 2x Wilkes. Inter-Sampdoria, 5-1, hattrick van Wilkes. Napoli-Inter, 0-5, hattrick Nyers. Inter-Genoa, 5-2, twee van Wilkes, twee van Skoglund.

In Il secolo del Inter wordt Faas Wilkes beschreven als een ‘Hollandse windmolen, met die ronzwaaiende armen’. En als een beetje een clownesk figuur, met van die grote voetbalschoenen. (De lange Rotterdammer vertelde eens dat hij in Milaan arriveerde met de prachtige, zware Britse kicksen van Manfield, terwijl de voetballers al lichtvoetig op gestroomlijnde voetbalschoenen liepen.) En Wilkes was volgens De eeuw van Inter getrouwd met een ‘Javaanse prinses’, wat nog altijd zijn Mona van later is. Met de molen en de prinses kan Benito Lorenzi het eens zijn, met de clown niet. “Hij was wel een grappenmaker, nam graag iemand in de maling. Mij noemde hij altijd piccolo. Maar Servaas was geen clown. Die armen van hem gebruikte hij wel, ja. Hij was lang, moeilijk van de bal te brengen, en liet zich respecteren op het veld door af en toe een elleboog te gebruiken.

Ooit was een verdediger zo vervelend bezig, dat Servaas hem na een nieuwe tackle opeens bij de keel greep. ‘En nu ga je voetballen en stop je met schoppen,’ zei hij. Toen ik dat zag, zei ik hem: ‘Faas, je bent een fenómeno’.”

De Toscaan Lorenzi, uit het gat Borgo a Buggiano, hield wel van dat soort optreden, van ferme taal ook. Il Veleno, was zijn eigen bijnaam, het gif. Om de rauwe woorden die hij in en buiten het veld altijd uitspuwde, denken velen. Lorenzi figureerde al eens in een speelfilm. Maar niet hij alleen. Ook Wilkes. En de andere spelers van het seizoen ’50-’51. Hoofdrolspeler Tino Scotti bezocht voor zijn werk in Milano miliardaria de training van Inter en op het filmdoek zijn de blauwzwarte sterren aan het werk te zien. Het schijnt één van de leukste films te zijn die met voetbal te maken hebben.

Inter wordt een succes voor Wilkes, bijna drie jaar speelt hij er de pannen van het dak. Zijn laatste seizoen wordt wel een beetje verpest door een knieblessure. Torino neemt hem over, Wilkes blijkt inderdaad geopereerd te moeten worden. Na een jaar doet Torino de Nederlander dus maar weer van de hand. Wilkes later: ‘Dat jaar heb ik wel het meeste verdiend in mijn carrière. Ik had al een deel van het geld van Inter ontvangen en ook Torino betaalde me.’

Torino: 1952-1953

Bij Torini speelde Wilkes samen met de Duitser Horst Buhtz, Eén jaar speelden ze samen, in Torino. Een moeilijk jaar, voor Wilkes, verkocht door Inter, maar vooral voor Torino.

“De club moest alles opnieuw opbouwen. Net in die periode zaten we toen Wilkes kwam. Faas was weer snel weg, maar ik bleef. Vijf jaar heb ik bij Torino gezeten. Ik was onverkoopbaar, zeiden ze, want rond mij moest die opbouw zich voltooien.” Een opbouw die al drie jaar bezig was toen Wilkes arriveerde, maar die eigenlijk onmogelijk was na de tragedie op 4 mei 1949. Al vier keer achtereen was il grande Torino kampioen geworden, soms met 104 en 125 doelpunten vóór en 35 en 33 tegen, soms met een recordvoorsprong van zestien punten op nummer twee, soms met een serie van 21 wedstrijden zonder te verliezen. Op weg naar de vijfde scudetto op rij, mocht Torino het duel tegen Inter naar 30 april 1949 vervroegen om een paar dagen later een vriendschappelijke wedstrijd in Lissabon tegen Benfica te spelen. De wind, de regen en de lage wolken lokten het driemotorige toestel I-Elce op de terugweg in een vreselijke val. Het vloog zich tussen 17.01 en 17.04 uur te pletter aan de voet van de basiliek van Superga, een bergje aan de rand van Turijn, en de 31 passagiers, onder wie achttien spelers van Torino, kwamen om het leven. De jeugdploeg maakte het seizoen vol, en won de titel, met vijf punen voorsprong op Inter. Er was geen feest.

14 september 1952: Torino-Sampdoria-2-0. Faas Wilkes passeert Sampdoria verdediger Guido Gratton.
foto: Onbekend

Toen was het voorbij voor de granata, nooit hadden de opvolgers van een legende een zwaardere taak. Voorzitter Ferruccio Novo kreeg van het Italiaans Olympisch comité een lening van 200 miljoen, en nog eens 50 miljoen van de bond. Na de zesde plaats van het seizoen ’49-’50, begon Torino tegen de degradatie te vechten. De komst van Buhtz bleek een soort balsem om in ieder geval in de middenmoot te eindigen. En toen kwam ook Wilkes nog, één van de helden van Inter.

“We konden het goed met elkaar vinden, spraken Duits met elkaar. De oorlog? Om Gods wil, natuurlijk had die geen invloed op ons kameraadschap. Hoewel, niet veel later heeft mijn vrouw jarenlang in Düsseldorf gewerkt, en daar heeft ze veel Nederlanders ontmoet die niet zo aangenaam waren, door die oorlog. Maar met Faas hadden we geen enkel probleem. Ik heb z’n hele gezin nog gekend.”

Maar op het veld ging het minder, ook al zegt Horst Buhtz dat ook hij dankzij Wilkes veel heeft kunnen scoren. Ze speelden naast elkaar in de spits, “en de trainer zei tegen mij dat ik niet zoveel moest lopen. Gewoon voorin gaan staan en doelpunten maken.” Buhtz maakte er dat seizoen acht, net als Marzani. Sentimenti scoorde zeven maal. Faas Wilkes slechts één keer. Een kapotte meniscus en een operatie aan de knie verpestten zijn seizoen.

Die ene treffer trouwens, op 8 februari 1953, scoorde hij juist in Milaan, tegen Inter. In de 52ste minuut zorgde hij voor de gelijkmaker, Buhtz en Sentimenti tekenden voor de verrassende 1-3 zege van Torino, dat dat seizoen als tiende zou eindigen. De winst op Inter kon het kampioenschap van de ex-club van Faas Wilkes niet voorkomen.

Valencia: 1953-1956

Het was een vriendschappelijke wedstrijd ergens in 1953. Valencia ontving Torino. De technische staf van de thuisclub raakte onder de indruk van die lange Nederlander. Hij werd bijna direct gekocht. Noch de meniscusoperatie, noch zijn leeftijd, bijna dertig jaar, waren een probleem. En Valencia zou er nooit spijt van krijgen. In zijn eerste seizoen speelde Wilkes 28 wedstrijden en scoorde hij achttien doelpunten. In het seizoen ’54-’55: elf doelpunten in negentien wedstrijden. Zijn laatste besloot hij met negen treffers in vijftien duels. Valencia werd derde, vijfde en zesde.

Opvallend detail: al die 62 wedstrijden speelde de Rotterdammer de volle negentig minuten; nooit viel hij in, nimmer viel hij uit. En hij kopte nooit. Het hoofd was om mee te denken, niet om mee te voetballen, hield hij zijn ploeggenten voor.

Valencia speelde volgens een vast patroon, en Puchades en de andere spelers van toen kennen de opstelling nog uit hun hoofd. Timor in het doel, als opvolger van de legendarische Izaguirre. Vóór hem drie verdedigers: Sócrates, Quincoces II en Monzó. Dáárvoor twee man, aanvoerder Puchades en Pasieguito. Als aanvallende middenvelders, of binnenspelers: Buqué en Fuertes. En voorin, Seguí links op de vleugel, Mañó rechts en Wilkes als centrumspits.

Puchades: “Faas was de beste dribbelaar die ik ooit heb gezien. Een soort jongleur. Het was ongelooflijk moeilijk hem de bal af te nemen. Altijd maar dribbelen, veel schieten, maar hij was niet echt een topscorer. De mensen vermaakten zich, kwamen naar het stadion om Wilkes te zien. Hij kwam natuurlijk als de ster, met het betere salaris, maar zo gedroeg hij zich niet. We gingen allemaal van hem houden. Een grappenmaker ook. Hij wilde niet denken aan voetbal alleen, had besloten zich ook te vermaken. Vaak kwamen we met de helft van de ploeg in mijn grote huis in El Perelló samen, maakten we een paella en speelden we voetbal op het strand. Op reis met de ploeg naar een uitwedstrijd nam hij wel eens een fles cognac mee, die zette hij zo aan de lippen.”

En dat waren vaak lange reizen, in het Spanje van de jaren vijftig. Een kleine bus, een oude Leyland, bracht het elftal naar La Coruña (952 kilometer over de huidige, moderne wegen), Bilbao (zo’n 740), of richting Sevilla (650). Op vrijdag rond middernacht begon de reis al, ná het avondeten, want zo spaarde de club een gezamenlijk diner uit. In de loop van zaterdag kwam de ploeg dan aan, en op zondag de wedstrijd. Direct erna weer de bus in, en een terugreis van twintig uur over smalle wegen. Vooral voor het gezin kon dat zwaar zijn, al woonde Mona – de ‘Javaanse prinses’ van wie de Valencia-spelers dachten dat ze van Curaçao kwam – met haar twee kinderen aan het strand, boven een restaurant.

December 1953: Valencia-Real Madrid : Faas Wilkes omsingelt door de Madrilenen Muñoz, Navarro en Becerril.
foto: Onbekend

Di Stefano, Kubala, Wilkes, dat waren de grote sterren in Spanje toen.

Mede door die eerste twee won Wilkes ook bij Valencia geen kampioenschap. Toch staat de oudste bezoekers van stadion Mestalla nog één beeld helder voor de ogen. Eén van de ‘runs’ van Wilkes leidde hem in een thuiswedstrijd tegen Barcelona tot de hoekvlag. Daar kwam Kubala hem in het nauw drijven. Maar terwijl de ster van Barça, met dat typische gebaar waarmee hij zich nóg breder maakte dan hij al was, zijn al even stevige benen vóór die van de Rotterdammer plantte, vloog de bal van de ene naar de andere voet van Wilkes, en weer terug. Kubala trapte in de schijnbeweging en zeeg neer op de grasmat. En Wilkes was weg. “Wilkes liet Kubala zitten!”

Aan de enige grote prijs van de club in die periode mocht hij echter geen bijdrage leveren. Spanje had dan wel buitenlanders tot zijn competitie toegelaten, maar generaal Franco had verordend dat de beker, die toen de Copa del Generalísimo heette, veroverd moest worden door compleet Spaanse ploegen. Er was een lange vergadering tussen de trainer, de voorzitter en de technische directeur van Valencia voor nodig om te bepalen wie aan het begin van het seizoen ’53-’54, het eerste jaar van Wilkes, zijn mooiste, zijn beste jaar ook, met achttien doelpunten in de Liga, wie dus Wilkes in de punt van de aanval moest vervangen. Het werd Badenas. Wonderwel bereikte Valencia de finale, en versloeg daarin FC Barcelona met 3-0. Wel mocht de Nederlander enkele maanden later meedoen in de wedstrijd om de Supercup, die in de Galicische havenplaats El Ferrol werd gespeeld, omdat Franco daar was geboren. Valencia won met 3-1 van Atlético Madrid. Het is de enige grote prijs van Wilkes geweest.

Voormalig middenvelder Tonín Fuertes begint er zelf over, in het lokaal La Pepica van de veteranen van Valencia, in een straat tegenover het stadion Mestalla, waar een twintigtal oud-spelers uit verschillende jaargangen elke zaterdagochtend een ruim ontbijt, compleet met de stevige callos, een soort gedroogde runderpens, tot zich nemen. “Men zei dat er iets mis was tussen mij en Faas. Dat was gelogen. Iedereen heeft wel eens wat, maar onze vriendschap was groot.”

En om dat te bewijzen heeft de kleine Fuertes, op dat moment al bijna tachtig jaar oud, het voorbeeld nog tot in details in het hoofd staan. “We speelden een toernooi in Venezuela, dat heette de mini-wereldcup. In onze laatste groepswedstrijd moesten we gelijkspelen. De trainer, Quincoces, had gezegd dat de vijf voorin daar moesten blijven en dat de vijf achterin geen moment over de middenlijn mochten komen. Maar dat werkte niet. Door pech kwamen we met 1-0 achter en toen riep ik naar Pasieguieto, toen de aanvoerder, die met Puchades vóór de verdediging speelde, dat ze mee naar voren moesten komen. Dat weigerde hij. En ik maar roepen en vloeken, maar het enige wat hij terugzei was dat hij deed wat de trainer ons had opgedragen. In de rust was ik nog steeds woedend en vroeg de trainer wat er tussen ons aan de hand was. ‘Pasieguito heeft geen verstand van voetbal, en u ook niet,” riep ik. Daarop zei hij me dat ik me kon aankleden. Ik gooide mijn schoenen naar zijn hoofd, rukte het shirt van m’n lijf en riep dat ik dat nooit van mijn leven meer zou aantrekken. Toen kwam net de technisch directeur binnen. ‘Wat is er aan de hand?’ De trainer zei dat ik me had misdragen. Toen stond Faas op. ‘Nee’, zei Faas, ‘Fuertes heeft gelijk, Pasieguito en Puchades hadden ons voorin moeten steunen.’ Waarop de technisch directeur tegen de trainer zei dat hij naar de tribune kon gaan. Hijzelf zou ons de tweede helft leiden. Zó was Faas.” Valencia won met 4-1.

Wilkes was populair. “Een beetje gierig soms,” zeggen ze bij La Pepica, maar wel een fantastische collega, ook als het op geld aankwam. Hij was al ongetwijfeld de best betaalde speler van het stel, maar de voorzitter beloofde hem eens een extra premie van 1.000 peseta’s als ze een bepaalde wedstrijd zouden winnen. “Maar niet tegen de anderen zeggen.” Dat deed de Nederlander natuurlijk wel, waarop het hele elftal de premie opeiste. En kreeg.

Een kameraadschap dat op diezelfde verre reis in Zuid-Amerika door het hele team werd beloond, aldus Fuertes. “Faas had ná de mini-WK een vriendschappelijke wedstrijd op Curaçao georganiseerd. Zijn vrouw was een beetje donker, we dachten dat zij daar vandaan kwam. We zouden daar flink wat dollars kunnen verdienen. Maar het bestuur probeerde die trip te verhinderen, wilde dat we gelijk naar huis gingen. Toen hebben we in de kleedkamer een vergadering belegd. ‘Maak je geen zorgen Faas, als het bestuur niet wil, blijft het maar hier, wij gaan voor jou die wedstrijd op Curaçao spelen. Laat het vliegtuig maar komen.’ Het was een onvergetelijke ervaring. Ook door de hitte. Het was echt onmogelijk daar te voetballen.”

Later, wat rustiger, praat Fuertes vertederend over Faas. “De beste dribbelaar van de wereld, maar ook de meest elegante. Vaak zie je voetballers dribbelen, krommen ze de schouders, duwen ze het hoofd naar beneden, over de bal heen. Faas niet, die bleef altijd kaarsrecht lopen. Eén, twee, drie man voorbij. Ja, spits was hij bij ons. Van die plaats kreeg je hem niet vandaan. Behalve als ze het gras hadden laten groeien en besproeid hadden, daar hield hij niet van. Dan wisselden we van positie.”

Volgens Fuertes zou één van de grote tribunes van Mestalla naar de Nederlander genoemd moeten worden. Want het was kort na de komst van Wilkes dat voorzitter Luis Casanova besloot het stadion uit te breiden en te moderniseren. In die jaren werd ‘het grote Mestalla’ geboren, want iedereen wilde de dribbels van Wilkes zien. Dankzij de nieuwe tribune konden er 45.000 mensen naar hem kijken. “Die tribune is van hem,” aldus Fuertes, die accepteerde zijn salaris uitgesmeerd over vijftien jaar te ontvangen omdat de uibreiding van Mestalla de club aan de rand van de economische afgrond bracht. “Maar ook dankzij Faas waren de supporters bereid seizoenkaarten voor een periode van ook vijftien jaar te kopen, om de bouw te financieren. En als de supporters zoiets deden, hoe kon ik als speler zoiets weigeren?”

De Wilkes-tribune, het zou mooi zijn. Zoals Abe Lenstra zijn stadion heeft, en Johan Cruijff zijn schaal.

In zijn tijd bij Valencia werd Wilkes (1954) uitgeroepen tot voetballer van het jaar in Spanje. Hij hield hiermee grootheden als Di Stefano (Real Madrid) en Kubala (Barcelona) achter zich.

1954: Faas Wilkes in actie tegen Las Palmas.
foto: Onbekend

Levante: 1958-1959

Levante. Laatst dook Wilkes’ naam er weer op. De kranten brachten verhalen over de komst van een nieuwe ster, Pedja Mijatovic, ex-Valencia, ex-Real Madrid. En niemand hoefde in de archieven te duiken om zich te herinneren wie die andere grote mannen waren geweest die opeens, om bijna onverklaarbare redenen in de bescheiden historie van Levante waren opgedoken. Wilkes, als eerste, in 1958 dus. De Chileen Caszely, voluit Humberto Caszely Garrido, die in 1974 voor 8,5 miljen peseta’s van Colo-Colo overkwam. En daarna Johan Cruijff, in het seizoen ‘80-’81, of eigenlijk een half seizoen. Of nog niet eens dat.

Wilkes, Caszely, Cruijff, Mijatovic. Alles had en heeft natuurlijk te maken met geld. Af en toe deed Levante een forse investering om een publiekstrekker naar het stadionnetje te halen en zo eens uit de schaduw van het rijkere Valencia proberen te komen. En geld was er voor Faas Wilkes. Met liefst één miljoen peseta’s stond hij toen in de geschiedenis- boeken van de club als de duurste aankoop ooit. Een miljoen was heel erg veel toen.

Maar Wilkes, inmiddels bijna 35, deed het niet alleen om de poen. Het ging om het goede leven, het leven dat hij die drie jaar bij Valencia had gekend en in Venlo niet meer had aangetroffen. In die sfeer vond ook zijn aankoop plaats. Journalist Guzmán Zamorano, in de jaren vijftig voorzitter van de regionale voetbalbond van Valencia, vroeg aan Antonio Ramón, voorzitter van Levante UD, waarom hij Wilkes niet probeerde naar de club te halen. De Nederlander was die dagen in de stad, het was een mooie gelegenheid. Faas zat, natuurlijk, bij La Pepica zijn paella te eten en was, zoals gewoonlijk, toe aan zijn laatste bord, toen Guzmán en Ramón aan tafel schoven. (Guzmán had al een belangrijke rol gespeeld bij zijn overgang van Torino naar Valencia.) Of hij naar Levante wilde komen. Oké, zei Wilkes, maar daar moest één miljoen peseta’s voor worden betaald. Beide bezoekers schrokken zich rot, maar toch riep Ramón bijna direct: ”akkoord.” Hij had gelijk. Na het bekend worden van het nieuws, van de komst van de vroegere ster van de grote rivaal, Valencia, verkocht Levante voor één miljoen peseta’s extra aan seizoenskaarten. En het debuut van Wilkes zorgde voor een recordrecette van 35.000 peseta’s. Een debuut, trouwens, dat aan een zijden draadje hing.

“Wilkes mocht eigenlijk niet spelen. Buitenlanders mochten niet meedoen in de tweede divisie. In mijn herinnering heeft Wilkes zijn hele eerste seizoen niet meegespeeld.” Maar de herinnering van Rafael Verdú faalt een klein beetje. Hij is ook al 75 jaar en maakte slechts één seizoen met de Rotterdammer mee.

Wilkes miste de eerste wedstrijd van het seizoen, kreeg daarna dispensatie en leidde Levante naar de tweede plaats in de competitie. Verdú, ooit gedurende een half seizoen speler van Real Madrid, staat het seizoen met Wilkes nog goed bij. “Nee, Faas was geen trainer-coach, zoals sommigen zeggen. Maar hij had natuurlijk een enorme ervaring, was een international voor wie geen tactiek bestond. Voor hem alleen kwamen de mensen naar het stadion. En daarnaast was hij een nationale ster, dus iedereen luisterde naar hem. De trainer, Alvaro, liet hem spelen waar hij wilde. Hij was zo goed een goed mens ook.”

Terug in Nederland

Mede door gezondheidsproblemen keerde Wilkes in 1956 terug naar Nederland. Hij koos voor VVV uit Venlo omdat men daar bereid was hem een jaarsalaris van 50.000 gulden te betalen. Het Nederlandse voetbal was echter nog steeds weinig professioneel en Wilkes kon daardoor niet meer aarden in Nederland. Na twee seizoenen kocht hij zich vrij en ging hij als speler/trainer naar het Spaanse Levante in Valencia. Na een jaar in Valencia speelde Wilkes nog drie seizoenen voor Fortuna ’54 en op 38-jarige verliet hij Fortuna voor zijn eerste liefde Xerxes, waar hij op zijn 40e jaar in 1964 afscheid nam van het voetbal. Faas Wilkes speelde bij veel verschillende clubs maar werd nooit landskampioen.

Reinier Kreijermaat en Faas Wilkes tijdens Feyenoord-Fortuna ’54 in 1961
foto: Harry Pot/Nationaal Archief

Nederlands elftal

Wilkes debuteerde op 10 maart 1946 voor het Nederlands elftal in een wedstrijd tegen Luxemburg. Deze wedstrijd werd door Nederland gewonnen met 2 – 6, mede dankzij vier doelpunten van Wilkes. Dit is een evenaring van het record van Eddy de Neve, die tijdens de eerste interland van Nederland tegen België ook vier keer scoorde.

Faas Wilkes heeft twee wedstrijden op de Olympische Spelen van 1948 gevoetbald. Meedoen is belangrijker dan winnen, luidt een motto van dit sportfeest, maar de voetballer had daar weinig mee. “Deelnemen belangrijker dan winnen? Ben je gek zeg. Winnen. Dáár gaat het om. Zo is het nu eenmaal in de sport. Zo is het trouwens in het hele leven: Winnen! De sport ontdaan van al zijn franje is toch niets anders dan: we moeten winnen! Winnen! Winnen!”

Twee wedstrijden later lag Oranje er al uit. “Voor Kees Rijvers was de emotie te machtig en hij barstte in een hartroerend snikken los. Hij was nauwelijks tot bedaren te brengen. We waren er kapot van. De olympische droom was uitgedroomd. Vage visioenen van lauweren en goud hadden erin geschemerd, verlangens die gerijpt waren in de nevelen der verbeelding. Misschien wel een te verhitte verbeelding.”

De behendige dribbelaar kwam 38 keer uit voor het Nederlands elftal, waarvoor hij in totaal 35 keer scoorde. Dit aantal goals had veel hoger kunnen zijn als hij tussen 1949 en 1956 gewoon voor Oranje had mogen uitkomen. Wilkes werd zelfs als een ‘verrader’ beschouwd. Dit kwam mede doordat de KNVB voor een lange tijd spelers boycotte die voor het geld in het buitenland speelde. Pas in 1956, toen het profvoetbal ook in Nederland was ingevoerd, keerde Wilkes terug in de Nederlandse ploeg.,

Toch is hij met dat aantal lange tijd, van 4 november 1959 tot 4 juli 1998, recordhouder gebleven. Faas Wilkes wordt 4 november 1959 topscorer van Oranje aller tijden in de laatste minuut van de interland tegen Noorwegen. De goal is een typische Wilkes-goal: hij passeert al dribbelend drie tegenstanders, komt aldoende vrij voor de keeper, maar wacht met afronden totdat hij ook de keeper is gepasseerd. Het is zijn 34ste goal in zijn 35ste interland in zijn 36ste levensjaar.

‘Door de oorlog en mijn transfer naar Italië heb ik zeker 25 interlands gemist. Allicht dat ik dan ook wat meer goals had gemaakt al was ik geen typische goalgetter. Bergkamp, Ronaldo, dat zijn goalgetters. Ik ging er meer met de bal tussenuit, liet anderen scoren.’ Dennis Bergkamp loste hem uiteindelijk af als recordhouder.

Wilkes speelde op zijn 37ste z’n laatste interland op 14 mei 1961 in Leipzig de WK kwalificatie interland tegen West Duitsland de uitslag van die wedstrijd was 1-1.

Samen met Abe Lenstra en Kees Rijvers vormde Wilkes in Oranje wat destijds het Gouden Binnentrio werd genoemd. Van de tien interlands die zij samen speelden werd er slechts één verloren.

Faas Wilkes was een technisch zeer begaafd speler, die het liefst de bal bij zich hield. Dat leidde ooit tot de verzuchting van Lenstra dat voetbal toch echt met elf tegen elf werd gespeeld, waar Wilkes op antwoordde: “Abe, als ik er vier voorbij ben, is het nog maar zeven tegen elf.”

Faas Wilkes in één van zijn 38 interlands.
foto: Onbekend

Na zijn voetbalcarrière dreef hij met zijn vrouw (dochter van de Surinaamse minister Adolf Brakke) een modezaak in Rotterdam.

Deze voetballende gentleman wordt gezien als één van de beste en sierlijkste Nederlandse voetballers aller tijden. En als tweebenige dribbelkoning was hij vooral bekend om zijn lange rushes en als raspingelaar. Voor Johan Cruijff was Faas Wilkes het grote voorbeeld. Daarom nodigde deze Wilkes in 1999 uit voor de wedstrijd van het “Oranje van de eeuw.”

De stad Rotterdam heeft hem in 1983 de Wolfert van Borselenpenning toegekend. Faas Wilkes overleed op 82-jarige leeftijd in zijn woonplaats Rotterdam aan de gevolgen van een hartstilstand. Cor van der Hart, die bij Fortuna ’54 en het Nederlands elftal met Wilkes samenspeelde, zei een goede vriend verloren te hebben: “Faas was altijd vrolijk, echt een fijn mens.” KNVB-directeur Henk Kesler roemde hem als een monument: “Hij heeft ons land op de internationale voetbalkaart gezet.”

Bij de opening van het vernieuwde complex van XerxesDZB is het sportpark vernoemd naar deze legendarische voetballer. Vanaf 27 november 2010 heet het complex Sportpark Faas Wilkes.

Prijzenkast en erelijst:

* Internazionale Serie A: #2 seizoen 1950–51, #3 seizoen 1951–52
* Valencia La Liga: #3 seizoen 1953–54
* Valencia: Concepción Arenal Trophy: 1954
* Levante Segunda División: #2 seizoen 1958–59
Nederlands elftal
* 38 interland, 35 doelpunten
* Olympisch elftal 1948
Individueel
* Nederland All-Time Topscorer: 1959–1998
* Internazionale Topscorer: 1950–51
* Valencia Topscorer: 1953–54, 1955–56
* Levante Topscorer: 1958–59
* Speler van het jaar Spanje: 1954

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Het Voetbal Boek, Edwin Winkels, (Hard Gras, december 2002),Volkskrant, www.bestevoetballers.nl,www.npogeschiedenis.nl, www.voetballegends.nl