Verdwenen voetbaltermen en spelregels.

1. De Schaar

De schaarbeweging of kortweg de schaar is een schijn- of passeerbeweging in het voetbal, die bedoeld is om de tegenstander op het verkeerde been te zetten, waarna hij gepasseerd kan worden. De beweging wordt uitgevoerd door te doen alsof de bal met de buitenkant van de ene voet meegenomen wordt, maar dan het been over de bal heen of achter de bal langs te bewegen. Vervolgens wordt de bal met de buitenkant van de andere voet meegenomen.

Eerste toepasser van de schaarbeweging was Law Adam en niet zoals velen denken Piet Keizer.

In de jaren zestig werden mensen gek als ze dat Piet Keizer van Ajax zagen doen. Maar het is een uitvinding van Law Adam, staat in het boek ’Als de kraaien overvliegen’. Het boek is een verzamelbundel over het Haagse voetbal met artikelen van wisselende kwaliteit. Jimmy Tigges schreef een leuk stuk over oud-international Law Adam (1908-1941). Deze oud-speler van onder meer het Haagse HVV was gezegend met een enorme techniek. En werd de uitvinder van de schaar. “Veel voetbaljournalisten en –historici”, schrijft Tigges, “hebben die beweging genoemd en ook geroemd, maar tot een accurate beschrijving bleek niemand van hen in staat.”

Tigges sprak daarom met Max G. Colthoff, die in de jaren dertig juniorlid was van HVV en zodoende drie jaren lang heeft gekeken naar Adam. Hopelijk is zijn geheugen nog goed genoeg om erachter te komen.

“Hij trok één rechte lijn naar de goal, liep langs drie kerels, die omvielen door de scharen die hij maakte en schopte ‘m erin.” We weten nu dus in ieder geval dat Adam die beweging maakte. Maar goed, hoe ging die dan?

Colthoff: “Als ik het goed heb (beweegt linkerbeen in cirkelvorm tegen de klok in) ging het zo, dat-ie de bal opdreef en met zijn linkervoet rechts om die bal heenging. Doordat-ie dat deed van binnen naar buiten, ging de tegenstander daarin mee, en dan liep Law met de bal aan het rechterbeen door langs de tegenstander in kwestie. De man was uitgespeeld, doordat-ie niet naar de bal keek, maar naar het lichaam. Het gebeurde altijd aan de rechterkant van het veld. De tegenstander ging de linkerkant uit en dan ging hij er rechts voorbij.”

Wie thuis nadoet wat de getuige zojuist beschrijft ontdekt dat het klopt! Het is een echte, ouderwetse schaar, zoals het hoort. We weten helaas alleen niet exact wanneer Adam voor de eerste keer hiermee de tegenstander verraste. Waarschijnlijk was Adam niet de eerste voetballer ter wereld was die dit kunstje beheerste, omdat buiten Nederland ook meer dan redelijk werd en wordt gevoetbald. Maar we weten nu wel hoe Adam ruim 75 jaar geleden iets deed wat later werd gewaardeerd.

Piet Keizer is er niet meer, maar zijn schaar zal altijd voortleven. Over honderd jaar zullen er nog steeds voetballers zijn die de karakteristieke passeerbeweging van de linksbuiten kopiëren en toepassen. Voetballiefhebbers die de overleden Piet Keizer herinneren, zullen zijn ‘schaar’ nooit vergeten: de karakteristieke beweging waarmee de oer-Ajacied tegenstanders op het verkeerde been zette.

Keizer zou de uitvinder zijn geweest van deze truc waarmee hij met zijn lichaam een beweging naar rechts maakte om zijn opponent vervolgens na een overstapje op links te passeren. Maar zijn handelsmerk kende zijn oorsprong in… Eindhoven. Bij Willy Schmidt.

Keizer zelf heeft er nooit moeilijk over gedaan. De vermaarde linkerspits van het ‘gouden Ajax’ zegt in het boek dat verscheen bij gelegenheid van het honderdjarig bestaan van zijn club in 2000 onder meer: “Er is eigenlijk maar één speler van wie ik duidelijk iets overgenomen heb: Willy Schmidt. Die speelde toen linksbuiten in het eerste en had een prachtige schaarbeweging.”

1969: Ajax – Benfica (3-0). Piet Keizer zet zijn tegenstander op het verkeerde been. Op de achtergrond kijkt legende Eusebio toe
foto: ANP

Schmidt voetbalde bij FC Eindhoven én daarna voor Ajax. Met beide clubs werd hij landskampioen. De voormalig inwoner van Breugel is er trots op dat Keizer zich zo over hem uit liet. In een interview met De Ajacied, het blad van de gelijknamige supporters-vereniging van Ajax, zei hij jaren geleden: “Inderdaad leuk en complimenteus zulke opmerkingen. Vooral ook, omdat Piet niet, zoals vele andere voetballers, de eer voor zichzelf opstrijkt.”

“Ik heb die beweging bij FC Eindhoven, op de training, uitgevonden. Anderen heb ik de schaar ook proberen aan te leren. Dat viel echter niet mee, want je moet hem wel op snelheid kunnen toepassen, terwijl je de bal controleert.”

“Daarbij kijk je je tegenstander aan, doe je alsof je een bepaalde stap wil zetten en maak je dan met je andere been de beweging om hem te verrassen. Vervolgens speel je de bal erlangs en ga je erachteraan. Een enkele keer liep het voor mij verkeerd af toen een tegenstander me bijna letterlijk de grond in boorde.”

Piet Keizer liet zich hierdoor niet afschrikken. Hij paste de schaar meer dan eens toe en vrijwel altijd trapte zijn opponent erin, waarna een zoveelste gouden voorzet volgde. Met dank aan zijn voorbeeld, aan oud-Eindhoven-speler en voormalig clubgenoot Schmidt. Keizer noemde de beweging van Schmidt in ‘Ajax 1900-2000’ fantastisch. “Hij ging er gewoon langs en de back stond dan als aan de grond genageld. Ik vond het zo’n mooie en effectieve beweging dat ik die heb overgenomen.”

De schaar was het handelsmerk van Keizer. Iedereen kende deze beweging. Desondanks zette Ajax’ linksbuiten met zijn schijnbeweging zijn tegenstanders keer op keer op het verkeerde been. ‘De schaar van Keizer’ bracht Ajax in de Europa Cup I-finale van 1971 zelfs op het winnende spoor. Op aangeven van de linkeraanvaller, die aan zijn voorzet een fraaie schaar vooraf liet gaan, kopte Dick van Dijk raak op Wembley en tegen Panathinaikos. Ajax leidde na vijf minuten met 1-0; de Ajacieden van Rinus Michels – de trainer waarmee Keizer een moeizame relatie onderhield – zouden de finale uiteindelijk met 2-0 winnen.

Linksbuiten Piet Keizer kreeg bij Ajax opvolging van rechtsbuiten Tscheu La Ling (officiële naam Ling Tshen La).

La Ling beschikte over een doeltreffende schaarbeweging. Dat de beste linksback van Nederland, de AZ’ er Hugo Hovenkamp, moeite had om hem de bal af te pakken, zegt iets over de kwaliteiten van deze ouderwetse rechtsbuiten. In 1976 ging Michels terug naar FC Barcelona, onder trainer Tomislav Ivic bloeide de rechtervleugelspits helemaal op. Hij kreeg alle vrijheid, mocht al zijn energie steken in aanvallende acties. Je kon hem uittekenen: La Ling kreeg de bal, zocht de linksback van de tegenstander op, maakte een dubbele schaar, flitste langs zijn tegen-stander, haalde de achterlijn en gaf de bal voor. Als de zon scheen, was hij helemaal in zijn element.

Tscheu La Ling de scharenslijper van Ajax.
foto: Onbekend

Tal van tegenstanders speelde hij tureluurs. Zo ook de back van Manchester United in de eerste ronde van UEFA Cup in september 1976. met een dubbele schaar….

“Het ging als volgt: Ik had de bal aan mijn voet en stond helemaal stil. Plots kreeg ik een ingeving; in plaats van iets te doen, wenkte ik met m’n vingertje m’n tegenstander, zo van: ‘Kom maar jongetje’. Puur om die speler, Stewart Houston, een international, voor paal te zetten. Te sarren. Dat lukte perfect. Hij werd natuurlijk link. Het publiek hield de adem in.”

“Twee keer stapte ik over de bal heen: dubbele schaar. Hij hapte. Maaide. In de lucht. Weg was ik. Een minutenlange ovatie was mijn beloning. 60.000 man op de banken. De media zijn daar altijd op teruggekomen, mensen beginnen er nog vaak over.” Die actie, dat was nou typisch Ling. Want lukt het niet, dan sta je door zo’n wenkgebaar dubbel voor paal. “Op dat moment had ik daar geen angst voor.” De voorzet die volgde werd door Ruud Geels op de lat gekopt.

Tscheu La Ling was een sierlijke rechtsbuiten die de schaarbeweging op commando uit zijn trukendoos toverde. Als Søren Lerby, het Deense loopwonder dat hem bij Ajax in de rug dekte, de bal naar Ling speelde en schaááár’ brulde, dan wist de directe tegenstander van Ling dat zijn benen enkele ogenblikken later uit de knoop moesten worden gehaald. Ling kon vleugelverdedigers in een staat van totale verwarring brengen met zijn schaar.

2. De schouderduw.

Iets wat in de 20e eeuw nog regelmatig voorkwam, maar tegenwoordig zelden meer te zien is. Helaas kunnen we stellen de dat ‘de elleboog’ de plaats van deze reglementaire actie heeft overgenomen.

Een schouderduw, een sliding of een kopduel zijn spelsituaties die zijn vastgelegd binnen de regels, maar zo wijd interpreteerbaar dat een stevige schouderduw al onderwerp van discussie kan zijn. Ook een schouderduw is alleen toegestaan als de speler de bal binnen speelbereik heeft. … Een tegenstander met de schouder omver lopen onder het mom van een schouderduw is niet toegestaan.

Een stevige schouderduw van Guardado brengt de Amerikaan Christian Pulisic aan het wankelen
foto: Onbekend
De meest merkwaardige ‘schouderduw’ was tijdens de WK kwalificatiewedstrijd Nederland-Ierland uit 1934.

” We gaan naar Rome toe” Willy Derby zong het en de hele natie zong het met hem mee. De Nederlandse voetbalgekte ontstond in 1934 toen het nationale elftal zich plaatste voor het WK in Italië. Met dank aan de crisis, waardoor het volk wel een verzetje kon gebruiken.

Rome werd gehaald op 8 april 1934. In een uitverkocht Olympisch Stadion versloeg Oranje Ierland met 5-2 en plaatste zich ondanks een hoogst merkwaardig doordrukincident voor het tweede WK uit de geschiedenis. De stemming was euforisch, want een maand eerder had Oranje in de traditionele Holland-België in hetzelfde stadion de Zuiderburen met 9-3 een ongekend pak slaag gegeven. Het was ook de wedstrijd waarin Leen Vente vijf keer scoorde (nog steeds een ongebroken Oranje-record!). Overigens plaatste ook België zich voor het WK in Italië.

Aanvankelijk kabbelde de wedstrijd heen en weer, aldus het Rotterdamsch Nieuwsblad: “Men kan niet bepaald zeggen dat er een doelpunt in de lucht hangt, want de verdediging van Oranje is safe.” Na elf minuten spelen werd de wedstrijd op zijn kop gegooid – net als de Feyenoorder Adri van Male trouwens.

De Leeuwarder Courant schreef: “En dan plotseling een doelpunt. Van Male krijgt van Squires een schot te verwerken. Op een drietal meters van het doel stuitert het leder neer, van Male kan gemakkelijk den bal, op de lijn staand, vangen. Maar de pijlsnelle Moore is toegestormd. Met kracht werkt hij van Male in doel, zoodat de bal, dien de Feijenoorder nog steeds in zijn handen heeft, ook achter de lijn komt. Moore juicht, scheidsrechter Ohlsson fluit, het is een geldig doelpunt. 1-2.”

Nederland-Ierland: het “doordrukincident”
foto: onbekend

Een ontzagwekkend geloei steeg op in het stadion. Een uiterst merkwaardig doelpunt: keeper had bal klemvast en werd toch over de lijn geduwd. Deze affaire ging de geschiedenis in als Het Doordrukincident.

Tegen de onverslaanbaar geachte profs van de Ierse Vrijstaat stonden de Nederlandse amateurs lange tijd achter met 2-1. Toen begon er een periode die bekend raakte als het ‘krankzinnig kwartiertje’, het ’emotionele kwartiertje’ en het ‘Hollandsche kwartiertje’. Binnen 16 minuten werd de achterstand omgebogen tot een 5-2 voorsprong. NSB’ers, liberalen, socialisten, communisten en KVP’ers omhelsden elkaar op de tribune. Nederland had zich geplaatst voor het WK.

3. De rechts- en linksbinnen (het 2-3-5 systeem)

In de beginjaren van het voetbal (we spreken rond 1900) was er nog nauwelijks sprake van een systeem of opstelling. Voetballers speelden nauwelijks over en iedereen “deed maar wat”. Gedurende de jaren werd het 2-3-5 systeem het meest gespeelde systeem. Dat wilde zeggen twee verdedigers, of zijn Engels gezegd backs. Drie middenvelders (rechtshalf, spil, linkshalf). Plus vijf aanvallers, rechtsbuiten, rechtsbinnen, midvoor, linksbinnen en linksbuiten. Het team dat het meest succesvol was met deze speelwijze was het Uruguayaanse team uit de jaren 20. Zij voegden er twee elementen aan toe. Zij waren fysiek ijzersterk en zij speelden veel vaker de bal over dan de ander teams gewend waren.

Voetballen is als spelletje begonnen met een keeper en tien aanvallers. Het ging erom doelpunten te maken. Dat spel veranderde langzamerhand toen ook het voorkómen van doelpunten aandacht kreeg. Uiteindelijk kwam daar een 2-3-5-opstelling uit voort. Voor stonden vijf man: rechts- en linksbuiten, rechts- en linksbinnen en de midvoor. Tot 1947 werd er in Nederland op die manier gevoetbald.

Een variant van dit systeem was het MM-systeem (3-2-3-2) systeem, wat de Hongaren speelden in de jaren 50. Hierbij speelden de midvoor als extra middenvelder en waren de binnenspelers de centrale aanvallers. Bij het succesvolle Hongaarse team speelden sterspelers Sándor Kocsis rechtsbinnen en aanvoerder Ferenc Puskás als linksbinnen. Spits Nándor Hidegkuti speelden daarachter. Hongarije maakte hiermee veel indruk in de voetbalwereld en kregen als bijnaam: “De Magische Magyaren”, helaas leidde dit net niet tot een wereldtitel.

Hoewel de achterhoede en het middenveld in de jaren vijftig tactisch anders werd neergezet werd in de jaren vijftig nog steeds gespeeld met vijf aanvallers: rechtsbuiten, rechtsbinnen, middenvoor, linksbinnen en linksbuiten. De links danwel rechtsbinnen bleef nog wel bestaan in de jaren 60. Zo speelde Ajax in de jaren zestig een 4-2-4 systeem. Met als de vier aanvallers: Sjaak Swart, Johan Cruijff, Klaas Nuninga en Piet Keizer.

De viermansvoorhoed van Ajax jaren 60: Johan Cruyff, Piet Keizer, Klaas Nuninga, Sjaak Swart.
foto: Paul Huf, 1967

JOHAN CRUYFF: “Een linksbinnen is vooral een smaakmaker. Als we de vijf genomineerden van deze week bekijken, dan wordt meteen ook duidelijk waarom. Het zijn allemaal fantastische spelers, die eigenlijk alles kunnen. Vorige week heb ik bij de rechtsbinnens al aangegeven, dat binnenspelers op dit niveau zo veelzijdig zijn dat er moeiteloos met ze geschoven kan worden. Kick Smit, Abe Lenstra, Kees Rijvers, Henk Groot en Willy van der Kuijlen waren op meerdere posities in de aanval van internationale klasse. Dat blijkt ook uit het aantal doelpunten dat ze gescoord hebben. Alleen al in het Nederlands elftal kwamen ze in 170 interlands tot 88 treffers.”

Ze spraken zo tot de verbeelding, dat ze voor velen echte idolen waren. Zo stonden Kick Smit en Abe Lenstra, samen met Faas Wilkes, model voor de beroemde stripfiguur Kick Wilstra. Bovendien staat voetbalminnend Heerenveen nog altijd in het teken van Abe Lenstra. Het mooie stadion, een restaurant en waarschijnlijk nog veel meer, zijn allemaal naar dit Friese fenomeen vernoemd.

Over de specifieke kwaliteiten van de linksbinnen kan ik daarom kort zijn. Een vereiste is natuurlijk dat iemand op deze positie technisch heel begaafd moet zijn, maar met deze genomineerden trap ik dan een open deur in. Verder met hij kunnen passen, combineren, scoren en moet hij positioneel sterk zijn. Ook aan deze voorwaarden voldoen Kick Smit, Abe Lenstra, Kees Rijvers, Henk Groot en Willy van der Kuijlen moeiteloos. Stuk voor stuk een klasse apart.

Kick Smit is bij mij weliswaar het minst bekend, maar als ik mensen uit zijn tijd spreek, dan wordt duidelijk dat hij tot één van de grootste voetballers uit de vaderlandse geschiedenis gerekend moet worden. Alleen al zijn extreem hoge rendement in het Nederlands elftal (26 doelpunten in 29 interlands) geeft aan, hoe goed Kick Smit geweest is.”

4. Stopperspil(systeem)

Al in de jaren twintig had de legendarische Arsenal-manager Herbert Chapman in Engeland het stopperspilsysteem ingevoerd. Grote voetballanden als Italië, Frankrijk en Duitsland volgden spoedig deze tactische ingreep in het spel, maar in Nederland werd voor de oorlog alleen door KFC en SC Enschede de aanvallende spil veranderd in een defensieve (stopper)spil. Hier te lande werd de stopperspil vrijwel unaniem afgedaan als een puur negatieve vondst.

Terwijl de nationale ploeg van Engeland in 1946 met professionals het stopperspilsysteem speelde, togen de amateurs van Oranje vrolijk met een aanvallende spil naar Huddersfield. De Engelse midvoor Tommy Lawton wist niet wat hem overkwam. Engeland won met 8-2 van Nederland en Lawton scoorde vier maal. “Zo veel vrijheid heb ik nog nooit gehad. Nederland heeft goede voetballers, Faas Wilkes is zelfs een speler met internationale allure, maar wanneer het Nederlands elftal iets wil bereiken, moet onmiddellijk op het stopperspilsysteem worden overgegaan”, aldus Lawton.

Tommy Lawton scoort op Wembley. Lawton scoorde 22 keer in 23 interlands voor Engeland.
foto: dailymail

Vanaf het seizoen 1933-1934 had ook de Volewijckers met het nieuwe spelsysteem geëxperimenteerd. Tweede voorzitter Douwe Wagenaar verbleef een tijd in Engeland en had bij het Londense Arsenal kennisgemaakt met het stopperspilsysteem. Vóór die tijd was een elftal piramidaal opgebouwd met de doelman, 2 verdedigers, 3 middenvelders en 5 aanvallers. (In de gespiegelde opstelling, 5-3-2, speelde Oranje op het WK van 2014.)

Het nieuwe systeem maakte van de middelste middenvelder een stopperspil, die werd geflankeerd door twee backs. De twee overgebleven middenvelders werden ‘kanthalfs’ genoemd en de voorhoede bestond nog steeds uit vijf man: twee vleugelaanvallers en aan weerszijden van de midvoor een links- en rechtsbinnen.

Het was de taak van de stopperspil om de midvoor van de tegenpartij uit te schakelen. Critici vonden dat getuigen van een defensieve instelling. De spelers hadden in de nieuwe opstelling een duidelijke taak en daarom noemden de tegenstanders het systeem ook wel smalend ‘marionettenvoetbal’.

Parttime trainer Pagnam vervolmaakte het systeem bij de Volewijckers. Jaap van der Leck cultiveerde de Engelse opstelling vanaf zijn aanstelling bij de Volewijckers in 1940. Het landskampioenschap van 1944 werd de bekroning van het stopperspilsysteem. Er waren echter meer factoren die de Volewijckers kampioen hadden gemaakt, zoals de degelijke organisatie en de bloeiende jeugdopleiding.

Gymnastiekleraar en voetbaltrainer Van der Leck publiceerde vlak na de oorlog Modern voetbal. Daarin betoont hij zich een aanhanger van het stopperspilsysteem. In het seizoen 1943-1944 speelde de Volewijckers 26 wedstrijden, inclusief de acht kampioens-wedstrijden, en scoorde daarin 89 keer. Het stopperspilsysteem was dus niet bepaald defensief, schrijft Van der Leck. De weerstand tegen het nieuwe systeem verklaart de trainer met: “De mensch is van nature vasthoudend en gul in zijn critiek.”

De adviezen van Tommy Lawton wogen zwaar. Juist in 1946 leverde hij aan het KNVB-blad ‘De Sportkroniek’ zijn wekelijkse rubriek ‘Voetballessen van Tommy Lawton’. Op 27 november 1946 werd Oranje in de pan gehakt en een week later waren de Keuze Commissie en trainer Jese Carver het er al over eens dat de aanvallende spil uit de tijd was. Niet iedereen was het hier overigens mee eens. Maanden lang vormden de dagbladen, maar ook ‘De Sportkroniek’ de podia voor scherpe polemieken tussen voor- en tegenstanders van het stopperspilsysteem.

Eén der belangrijkste tegenstanders van het ‘stopperen’ was oud-international Dirk Lotsy. Deze stoere DFC’er was er in 1905 als speler al bij geweest toen Oranje officieel aftrapte. Lotsy was niet helemaal met zijn tijd meegegaan, maar wel strijdbaar gebleven. In Huddersfield was de jonge spil Arie Vermeer van Excelsior als aanvallende spil in het diepe gegooid. Vermeer was een debutant, die met name oog had voor het ‘voeden’ van de aanval. Om het gevaar Lawton bekommerde hij zich nauwelijks. Dat was ook geenszins zijn opdracht geweest. Na de monsternederlaag schreef Dirk Lotsy: “Vooral na de rust was Vermeer ruim voldoende. Zijn goede kopwerk viel op en ook zijn onvermoeid zwoegen. Als geheel was het een debuut met een belofte.”

Arie Vermeer had nog de grootste moeite gehad om vrij te krijgen voor de trip naar Engeland. Hij was slagersknecht en zijn baas vond dat voetballen maar niks. Vermeer was ook onverwacht in het Nederlands elftal gekozen. In 1946 was eerst de dertigplusser Henk Pellikaan – in het begin van de jaren dertig al international – als spil opgesteld en nadien mocht de lange, eveneens voor-oorlogse international Gerard Kuppen het twee keer tegen België proberen. Voorts waren in de eerste na-oorlogse Oranje-selecties voor de spilpositie Jany van der Veen (Ajax) en Henk Schijvenaar (EDO) opgeroepen.

Maar Vermeer werd dus plotseling op de Engelsen los gelaten. De reden waarom was kenmerkend voor het gebrek aan tactische realiteitszin, kort na de oorlog. Op 17 november 1946 had het voorlopige Oranje op Spangen voor de Gouden Onafhankelijkheidsbeker gespeeld tegen het Rotterdams Elftal. Bij de Rotterdammers was Vermeer de spil. En hoewel de ‘voorlopigen’ met 5-0 wonnen, waren de Keuzeheren toch buitengewoon tevreden over de aanvallende aspecten in het spel van Vermeer.

De arme Arie Vermeer werd na het pak slaag in Huddersfield nooit meer voor Oranje gekozen. Bij Excelsior ging het spelsysteem ook om. Van aanvallende spil werd Vermeer omgeschoold tot rechtshalf. Hij bleef de club van Kralingen nog tien jaar lang in het eerste elftal dienen. Oranje schakelde in de lente van 1947 over op de stopperspil.

7 April 1947: Nederland-Belgie 2-1.
foto: Nationaal Archief. Fotocollectie Anefo
staand vlnr: Stroker, Kraak, Möring, van Bun, de Vroet, van der Linden (captain); zittend vlnr: Lakenberg, Wilkes, Roosen, Rijvers, Bergman.
Hennie Möring maakte in 1936 zijn debuut voor Sportclub Enschede. Gedurende vijftien seizoenen was hij een vaste waarde in het eerste elftal van de Tukkers. Hij ontwikkelde zich tot stopperspil; een voorstopper die als belangrijkste taak het dekken en afstoppen van de spits van de tegenpartij had. Hoewel het stopperspilsysteem in de grote voetballanden Italië, Frankrijk en Duitsland breed ingang had gevonden, was het in Nederland niet populair.

SC Enschede was een van de weinige teams die de aanvallende spil had ingeruild voor een puur verdedigende speler. Toen echter het Nederlands elftal in 1946 met 8-2 verloor van Engeland, werd prompt Möring uitgenodigd voor de volgende interland. Op 7 april 1947 werd Möring tegen België op aanvaller Bert De Cleyn gezet. Nederland won de wedstrijd met 2-1. Toen Nederland het een maand later in Antwerpen weer tegen België opnam, werd Möring vanwege de verdedigende wijze van voetballen uitgefloten door het publiek. In België werd overigens schande gesproken over dit schaduwwerk. Decleyn ergerde zich in het veld dusdanig aan zijn bewaker, dat hij hem op zeker moment in het gezicht schopte. Nederland won echter opnieuw en volgens de Nederlandse media was het stopperspilsysteem daarvoor een belangrijke reden.

Hennie Möring hield het niet lang vol als stopper bij Oranje. In 1948 werd hij opgevolgd door de Spartaan Rinus Terlouw. Dit brok beton was nog net iets krachtdadiger dan Möring.

Na de Tweede Wereldoorlog ging men steeds vaker over tot het zogenaamde stopper-spilsysteem. In dit systeem werd de centrale middenvelder (spil genoemd) een linie naar achteren gezet (stopperspil genoemd). Hierbij ontstond het 3-2-5 systeem, ook wel het WM-systeem genoemd. De rechts- en linksbinnen stonden dan iets teruggetrokken en speelden tegen de “kanthalfs” (rechter- en linkermiddenvelder). Je kunt het ook als 3-2-2-3 omschrijven. Op deze manier stond iedereen recht tegenover een directe tegenstander. Het team dat met dit systeem veruit de meeste successen had was het Real Madrid uit de jaren 50 en 60.

5. Ausputzer (en libero)

Ausputzer – (Duits) andere naam voor ‘achterstopper’ of vrije verdediger; speler die geen directe opponent heeft omdat hij het eigen doel moet beschermen; de laatste verdediger voor de keeper dus. Men spreekt ook wel van libero of opruimer. Nog niet zo lang geleden speelde een vrije verdediger doorgaans meer achter dan voor de de verdediging (de Ausputzer, sweeper of libero). Vaak werd die rol vervuld door een technisch bekwame voetballer, niet een pure verdediger.

De ausputzer [een goed Nederlands woord is ‘opruimer’ (Engels: sweeper)] is de achterste verdediger, de laatste man die permanente rugdekking geeft aan de lijn van verdedigers voor hem. Hij beweegt zich in het niemandsland voor het doel dwars over de breedte van het speelveld, met de bal mee (tegenpartij dus in balbezit). Je zou hem dus ‘slingerback’ kunnen noemen. Hij is zelf vrije man, want doet niet aan persoonlijke mandekking. In plaats daarvan maakt hij telkens driehoekjes met de beide verdedigers voor zich tegenover de man aan de bal: dubbele rugdekking dus, maar door één speler in plaats van twee.

De idee van de ‘grendel’ gaat terug tot Karl Rappan, De Oostenrijkse trainer van het Zwitserse nationale elftal in de dertiger jaren. De ausputzer onderschept dieptepasses (staat hij echter op de rand van het strafschopgebied of verder terug, dan kan ook de keper achter hem dat doen). Hij neemt over, d.w.z. stopt een doorgebroken aanvaller af, op de vleugel of in het centrum, zodat hij op één lijn met de verdedigers voor zich komt.

De ausputzer is niet alleen laatste man, maar ook extra verdediger. In beginsel betekent zijn aanwezigheid altijd een numerieke meerderheid tegenover de vijandelijke aanval. Vanuit zijn positie achter de verdediging kan hij het hele gebeuren uitstekend overzien. Hij kan ook niet ‘on the blind side’ [in zijn rug] worden verrast door een opkomende man van de tegenpartij. Zijn taak is het die extra man op te vangen. Spelen met ausputzer is dus een middel tegen opkomen: extra man (verdediger) tegen extra man (aanvaller).

Waar Johan Cruijff symbool was voor het aanvallende Ajax, zal Velibor Vasovic altijd het symbool van de verdediging van het ‘grote Ajax’ zijn.

Ajax Ausputzer Velibor Vasovic hier op het trainingsveld met Johan Cruijff
foto: Onbekend

De defensie is het fundament waar Feyenoord op rust. “Het vertrouwen in de achterhoede is groot”, zei coach Giovanni van Bronckhorst. “Er is een drive om de nul te houden.” Hoe kijken verdedigers uit de succesvolle jaren zestig en zeventig naar deze achterhoede? Voormalig Feijenoord verdediger Rinus Israël vertelt in een koffiezaak in zijn woonplaats Landsmeer dat ze destijds in een ander systeem opereerden. Hij was de vrije man achter de defensie – de ausputzer – en gaf rugdekking aan de verdedigers. Nu spelen ze op één lijn. Zijn compagnon in het hart van de achterhoede was Theo Laseroms – De Tank, de mandekker. Israël: “Hij had of de bal of de tegenstander.” Verdedigen was toen nog een ambacht: mannetje uitschakelen, middenvelder inspelen, werk gedaan. “Verdedigen is een vak”, zegt Wim Rijsbergen, van 1971 tot 1978 verdediger bij Feyenoord. “Nu zijn er te veel verdedigers die moeten laten zien dat ze ook aanvallend mee kunnen doen.”

De libero is een variant op de ausputzer. De Amerikanen noemen hem wel eens ‘elastic sweeper’, omdat hij zelf als extra aanvaller, gewoonlijk door het centrum, opkomt. Ook gaat hij mét bal in hoog tempo over de middenlijn voor een schot uit een 1-2tje. Bij hoekschoppen trekt hij mee naar voren om te koppen. Bij vrije schoppen op de rand van het strafschopgebied van de tegenpartij kan hij zich aanbieden of ze zelf nemen. In al deze gevallen kan zijn positie door een medeverdediger worden ingenomen, als de tegenpartij weer in balbezit komt, totdat de libero op zijn oude plaats achter de verdediging terug is.

De libero is het summum van modern voetbal. Hij is de extra man in een aanval tegen een verdediging. Hij is het middel tegen zichzelf: hij komt zelf op en verdedigt tegen opkomen!

De libero Franz Beckenbauer

<
Franz Beckenbauer Duits libero van Bayern München en het nationale elftal.
foto: Onbekend

Beckenbauer had een gevoelvolle balbehandeling – waarbij hij probeerde de verbijsterde toehoorder de finesses van diens spel bijna letterlijk voor ogen te voeren. Beckenbauer was een geniale speler en bijna onkwetsbaar in de duels. Die twee typeringen van Franz Beckenbauer zijn hier verhelderend: onkwetsbaarheid in duels en een geniaal spelinzicht. In de wereldgeschiedenis van het voetbal geldt Beckenbauer als geen ander als de libero bij uitstek. Beckenbauer zegt zelf dat zijn onkwetsbaarheid er vooral op berustte dat hij zijn benen optrok als aanstormende tegenstanders een tackle inzetten. Hij won de duels niet, hij onttrok zich er slechts aan, en met succes.

Zowel de onkwetsbaarheid als de genialiteit in Beckenbauers spel typeren aldus de libero als een speler die in principe niet in het spelgebeuren van het eigen elftal opgesloten zit en zoals de anderen achter de bal aanloopt waar die ook maar heen vliegt (kick and rush). De libero belichaamt eerder de mogelijkheid om los te komen van het gebeuren en de drukte en daarmee van de principiële balfixatie van de anderen, om ten opzichte van degenen die op het snelle succes azen (kick and rush) een stap terug te doen om een nieuw begin te maken.

Beckenbauer was als ‘geniale speler’ niet maar iemand die in de zin van zijn eigen ‘ding deed’, maar iemand die, omdat hij in principe op de centrale positie speelde, tegelijkertijd het hele spel maakte wanneer hij zijn ding deed.

Tenslotte nog een enkel woord over de figuur die in het Engels ‘defensive screen’ heet. Het is een ausputzer/libero, maar dan eentje die afschermt enz. vanuit een positie vóór de achterste lijn van verdedigers, met alle gevolgen van dien uiteraard.

6. Pingelen

Betekenis ‘pingelen’ volgens Van Dale:
1. aanhoudend afdingen
2. (voetbal) de bal te lang bij zich houden

Als kleine voetballer is dit bijna het eerste wat je in Nederland wordt afgeleerd: pingelen. ‘Wel netjes overspelen!’, riep je trainer dan, zelfs al speelde je alle tegenstanders op een hoop en maakte je zo elke wedstrijd 5 goals. Ook in het volwassen voetbal heeft het woord ‘pingelen’ een negatieve lading, maar het kan juist een ongelooflijk wapen zijn. Zie onze eigen Arjen Robben. Wat doen PSV en Ajax als ze in wedstrijden behoefte hebben aan aanvallers die iets kunnen forceren in de kleine ruimte? Dan stellen ze Gaston Pereiro en Amin Younes op. Twee in het buitenland opgeleide pingeldozen.

‘Jongen, speel die bal nou toch eens áf’. Een van de meest gehoorde verzuchtingen op het voetbalveld, het verzoek om de bal aan een ander door te geven. Langs de lijn omdat toeschouwers het fout zien gaan, in het veld omdat een speler zich overgeslagen voelt. Spelers die de bal ongaarne afgeven en het eigenlijk per definitie liever zelf proberen, heten pingelaars. Ik weet niet waar de voetbalterm ‘pingelen’ precies vandaan komt (elders is het iets met afdingen en slechtlopende motoren) maar het klinkt niet goed.

Beroepspingelaar Arjen Robben van een uitstervend ras ?
foto: Onbekend
Pingelen is niettemin een begrijpelijke, diepmenselijke impuls. Wat een ander gaat doen weet je niet, maar wat je zelf van plan bent weet je wel. Op de vraag of voetbal een team- sport is of een individuele sport, luidt geloof ik het verplichte antwoord: teamsport. Daarom hoor je uitblinkers na een wedstrijd ook altijd roepen dat het team het met elkaar gedaan heeft. Toch kijken we het liefst naar de supertalenten die het in hun eentje lijken te kunnen, Maradona, Ronaldo, Zidane. Het is geloof ik ook niet toevallig dat jongens bij voorkeur één speler nemen waaraan ze zich spiegelen, niemand wil Ajax of Heracles worden, maar wel Marco van Basten of Robin van Persie.

Alleen door te pingelen kun je een betere voetballer worden. Alleen door te pingelen voel je de vrijheid, de creativiteit om intuïtief te handelen. Alleen door te pingelen word je een betere voetballer. Denk je nu echt dat Messi, Ronaldo of Robben vroeger niet mochten pingelen? Juist het pingelen heeft ze gevormd. Maar onze generatie trainers en ouders wil hun kind in een keurslijf stoppen. Samenspelen, driehoekjes, positiespel. Flikker op! Pingelen, pingelen en nog eens pingelen! Geen eenheidsworsten creëren maar voetbal Picasso’s. Een goede begeleider geeft de jeugd die ruimte, en geeft ze, naarmate ze ouder worden, aan waar op het veld ze mogen pingelen.

Het nieuwe Masterplan van de KNVB en de clubs voor ons voetbal is af. Eén van de prikkelende actiepunten wordt het aanpakken van het eindeloze gebrei. Weg met het passen, passen, passen om het passen. Vanaf de pupillen moeten spelers weer gaan pingelen. En tegenstanders leren uitspelen in duels 1 tegen 1.

Verdwenen spelregels

De voetbalwereld staat bekend als uiterst conservatief. Veranderingen in de reglementen zijn uiterst zeldzaam. De FIFA werkt tegenwoordig met doellijntechnologie, een revolutionaire verandering in het voetbal. Een overzicht van de belangrijkste regelveranderingen in het voetbal sinds de Engelse bond in 1863 voor het eerst de spelregels op papier zette.

Veranderde voetbalregels
1866 Passes naar voren worden toegestaan.
1891 Scheidsrechters worden ingezet.
1891 Introductie van de strafschop.
1912 Doelman mag de bal buiten het strafschopgebied niet met de handen aanraken.
1925 Buitenspelregel wordt aangepast, twee in plaats van drie spelers moeten dichter bij de doellijn staan.
1958 Er mag worden gewisseld. De eerste jaren nog alleen bij een blessure.
1970 Introductie van gele en rode kaarten.
1990 Speler staat niet meer buitenspel als hij op gelijke hoogte met verdediger loopt.
1992 Doelman mag pass van eigen speler niet meer oppakken.
2012 Invoering van doellijntechnologie

1992: het afschaffen van de terugspeelbal op de keeper.

“Verrek, dat mocht toen nog.” Zittend in de wedstrijdbesprekingskamer op De Toekomst, het trainingscomplex van Ajax, keek de (spitsen)trainer John Bosman naar het Nederlandse openingsduel van het EK 1988 in West-Duitsland. De tegenstander was de Sovjet-Unie en centraal in de spits bij Nederland stond Bosman. Naast de gedrevenheid van vooral Frank Rijkaard viel hem op dat er verrassend vaak werd teruggespeeld op de keeper, waarna deze de bal in de handen pakte. Die regel was Bosman helemaal vergeten.

“Terugspelen op de keeper mocht inderdaad nog gewoon”, zei hij. “Als je dat deed in een moeilijke spelsituatie kreeg je zelfs applaus van het publiek. Rust brengen met een bal op de keeper heette dat toen.”

Spelregelgoeroes en speelstijlhistorici herkennen de uitleg van Bosman, maar delen niet zijn verbazing. Zij weten precies welke voetbalregel wanneer en waarom werd aangepast. En vooral historici kunnen dan ook vertellen wat de uiteindelijke gevolgen waren van de aanpassingen van de regels. Zoals vaker het geval is, geldt ook bij voetbal dat de meest wezenlijke veranderingen zich vrij onopgemerkt voordoen. Het afschaffen van de terugspeelbal naar de keeper in 1992 – feitelijk een aanpassing van spelregel 12: terugspelen mocht nog wel, maar het aanraken van de bal door de keeper met zijn handen werd voortaan als unfair gezien en was daarmee verboden – had als achterliggende reden het vele tijdrekken gedurende het laatste gespeelde WK in Italië in 1990. DE FIFA ontnam verdedigende teams de mogelijkheid om met voortdurend terugspelen van de bal kostbare tijd te winnen.

De gevolgen van de regelverandering waren veel groter. Zo werd ineens het meevoetballen van de doelverdediger een belangrijke extra kwaliteit. Tijdens keeperstrainingen werd voortaan ook het aannemen, passen en trappen getraind. Beginnend in het jeugdvoetbal, verdween langzaam de doelman die enkel goed was met zijn handen. De doelman die plotseling als vroeger op straat een “vliegende keep” moet zijn, moet kunnen voetballen, wordt uitgelachen als hij een bal verkeerd met de voeten speelt.

De moderne keeper moet tegenwoordig ook meevoetballen.
foto: Onbekend

Verder had de aanpassing ook gevolgen voor de gehanteerde speelwijze. Doordat de keeper de bal niet meer in zijn handen mocht nemen werd het aantrekkelijker te proberen de tegenstander al op zijn eigen helft de bal af te pakken. Terugspelen naar de keeper bracht immers niet langer rust, maar veroorzaakte onrust. In voetbaljargon betekende dat: “meer druk naar voren zetten”, of “vroeger de verdedigers afjagen”.

Los van deze specifieke en mogelijk voor een voetballeek wat te specialistische invulling maakt de verbazing van Bosman wel duidelijk dat voor wie het wil het terugkijken van hele wedstrijden de mogelijkheid biedt om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het voetbalspel.

Dat zelfs voetballers (en in dit geval met name keepers) niet altijd op de hoogte zijn van de spelregels, en het terugspelen op keeper bleek in november 2017 tijdens de competitiewedstrijd Groningen – Vitesse.

Vroeg in de eerste helft was er nog geen vuiltje aan de lucht voor de club uit Arnhem. Vitesse leidde de partij met 0-1 tot Chelsea-huurling Fankaty Dabo plots pijnlijk in de fout ging. De ongelukkige verdediger wou een bal van wel heel ver terug naar doelman Jeroen Houwen sturen. Het leer nam een stevige vlucht en verdween zo mooi voorbij Houwen in het eigen doel.

“Ik heb mijn excuses al aangeboden bij de ploegmaats. Als ze mij er deze week op aanspreken dan is dat maar zo”, verduidelijkte Dabo na de wedstrijd. Doelman Houwen wist het ook even niet meer toen hij zijn zegje mocht doen over de bewuste fase. Op de vraag waarom hij de bal niet gewoon uit de lucht had geplukt, ging de keeper andermaal de mist in.

“Ik wilde de bal niet pakken, want dan is het terugspeelbal”, stamelde Houwen. Wanneer de reporter hem er fijntjes op wijst dat Houwen door die actie allicht een goal had voorkomen, kwam de ongelukkige Vitesse-man met een nieuwe, bizarre verklaring uit de hoek. De goalie zou bij het plukken van een terugspeelbal normaliter wegkomen met een gele kaart, maar dat had Houwen tijdens de wedstrijd anders begrepen. “Als ik die bal pluk, dan pak ik toch een rode kaart?”.

Vitesse-doelman Houwen begrijpt de dingen even helemaal niet.
foto: Onbekend

Hoe zit dat nou precies? Volgens de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is het glashelder. “Een keeper mag de bal die door een medespeler wordt teruggespeeld niet met de hand aanraken, dus ook niet vastpakken. Doet hij dat wel, dan krijgt de aanvallende partij een indirecte vrije trap. Daar krijgt de doelman nooit een kaart voor.”

Hier zijn geen uitzonderingen op, laat de bond weten. Maar, er is alleen sprake van een terugspeelbal als de speler de intentie heeft om de bal terug te spelen op de keeper. Een schot van de tegenpartij dat door een verdediger wordt aangeraakt, is dus geen terugspeelbal. Het is aan de scheidsrechter om te bepalen of het opzet was of niet.

1891: introductie van de de strafschop

In de jaren vijftig was er nog geen televisieaandacht van betekenis, het betaald voetbal was nog pril, had zijn onschuld nog niet aan de commercie verloren en er deden zich nog dingen voor die we allang vergeten zijn. Zoals het protest tegen het niet toekennen van een strafschop: na de wedstrijd kwamen er dan een speler en een keeper uit de kleedkamer en werd die penalty alsnog genomen. En het verbod op invallers na de 44e minuut – ook een spelregel die al lang is weggezakt.

De strafschop werd in 1890 bedacht door de Ierse doelman William McCrum als ultieme straf tegen verdedigers die tot het uiterste gingen om ene treffer te voorkomen. Het voorstel werd ingediend bij de spelregelcommissie IFAB, maar kreeg nog geen steun.

Dat veranderde na een incident op 14 februari 1891 tijdens het FA-Cupduel tussen Stoke City en Notts County. De eerste ploeg kreeg een vrije bal tegen omdat verdediger Hendry de bal met zijn hand uit het doel geslagen. Het complete team van Stoke ging daarna op de doellijn staan, wat een treffer onmogelijk maakte. Voor zover bekend werd de eerste strafschop op Nederlands grondgebied genomen bij Victoria – HVV op 12 november 1893. Deze wedstrijd was in Rotterdam, waar de thuisploeg een penalty kick kreeg, zoals het in die tijd hoorde nog helemaal in het Engels uitgedrukt. “Een penalty-kick ging zonder aangeraakt te zijn door de Haagsche goal” aldus tijdschrift De Athleet. Helaas hebben we geen naam van de voetballer die de strafschop toen nam.

Ik herinner me uit het straatvoetbal uit de jaren zestig een prima en veel simpeler uit te voeren regel om het afdwingen van corners te belonen: drie corners penalty. “Drie kornes pienantie” Voor drie corners krijg je een penalty. Bij straatvoetbal was dit een gebruike-lijke regel. Toegegeven, voetbal lijkt met deze regel iets meer op hockey, maar het wordt wel spannender en er is alle reden voor de teams om de tegenstander ver van het doel te houden en dus: aan te vallen.

This entry was posted in VOETBAL VAN A-Z. Bookmark the permalink.