Keepen, een vak apart

Men is toch echt wel in gaan zien dat keepen een “vak apart” is. De tijd dat de spelers die in het veld niets konden maar in het goal gezet werden is gelukkig wel voorbij, keepers worden ook niet gemaakt…je wordt geboren als keeper. Vaak worden keepers, samen met linksbuitens, afgeschilderd als de zonderlingen in het voetbal. Vreemde types die, geheel op hun eigen wijze, deel uitmaken van een amusementsindustrie die miljoenen en miljoenen trekt.

Ondanks dat een keeper onderdeel uit maakt van een team blijft deze vaak een einzel- gänger. Het keepen is een vak apart, wie wil er nu op doel staan? Een keeper is maar een rare snuiter bij het voetballen. Hij mag als enige de bal met zijn of haar handen pakken zonder dat daarvoor wordt gefloten. Als verdediger of aanvaller mag je best nog wel eens een foutje maken zonder dat dat echt gevolgen heeft maar als een keeper een fout begaat dan is dit bijna altijd een doelpunt.

De buitenbeentjes van weleer worden tegenwoordig steeds serieuzer genomen.
“En terecht ”

Je moet eerst tweebenig zijn, dan ballen over vijftig meter op de stropdas kunnen leggen, maar zijn primaire taak is en blijft het tegenhouden van op doel geschoten ballen.

We hebben een aantal Nederlandse keepers op en rijtje gezet die nationaal, danwel internationaal, indruk hebben gemaakt.

1. Reinier Beeuwkes (1903-1910) 13. Nico van Zoghel (1960-198?)
2. Just Göbel (1909-1920) 14. Pim Doesbug (1962-1987)
3. Gejus van der Meulen (1922-1935) 15. Heinz Stuy (1963-1978)
4. Leo Halle (1925-1937) 16. Jan van Beveren (1965-1986)
5. Frans de Munck (1944-1967) 17. Piet Schrijvers (1965-1985)
6. Piet Kraak (1945-1960) 18. Hans van Breukelen (1976-1994)
7. Wim Landman (1949-1962) 19. Joop Hiele (1977-1995)
8. Eddy Pieters Graafland (1951-1970) 20. Ed de Goey (1985-2006)
9. Gert Bals (1954-1973) 21. Edwin van der Sar (1990-2011)
10. Piet Lagarde (195.-1965) 22. Ronald Waterreus (1992-2007)
11. Tonny van Leeuwen (1959-1971) 23. Maarten Stekelenburg (2001-….)
12. Jan Jongbloed (1959-1986) 24. Jesper Cillessen (2010-….)

 

1. Reinier Beeuwkes (1903-1910: 19 interlands)

De allereerste keeper van het Nederlands elftal ooit. Speelde op 30 april 1905 tegen België en kreeg één treffer om de oren, ook nog eens van een ploeggenoot (1-4). Veroverde met Nederland ook brons op de Olympische Spelen van 1908 in Londen. In 1910 vertrok hij naar Nederlands-Indië en eindigde zijn interlandcarrière.

Beeuwkes was de allereerste keeper van het Nederlands voetbalelftal. Hij speelde zijn eerste interland op 30 april 1905, tegen België in Antwerpen. Deze wedstrijd, die met 4-1 werd gewonnen, was de eerste officiële interland van het Nederlands elftal. Zijn laatste wedstrijd voor Nederland was ruim vijf jaar later, op 16 oktober 1910. In de periode daartussen droeg de Hagenaar in grote mate bij aan de ontwikkeling van het Nederlands elftal tot een van de sterkste nationale teams van die tijd. In totaal kwam Beeuwkes 19 maal uit voor het Nederlands elftal, waarvan 13 wedstrijden gewonnen werden en 6 verloren. Nadat hij was gestopt als international nam Just Göbel van Vitesse het van hem over als eerste doelman.

Beeuwkes vertegenwoordigde Nederland op de Olympische Zomerspelen van 1908 in Londen, waar voor het eerst voetbal werd gespeeld. Omdat Hongarije en Bohemen hun teams hadden teruggetrokken kwam het Nederlands elftal tot de halve finale zonder een wedstrijd te hebben gespeeld. Daar verloor het team echter met 4-0 van de latere winnaar Engeland. Met een 2-0-overwinning op Zweden werd alsnog de bronzen medaille in de wacht gesleept.

In clubverband kwam Beeuwkes onder meer uit voor het Haagse HVV Quick, waarna hij in 1903 overstapte naar DFC uit Dordrecht. In 1910 beëindigde hij zijn carrière, en emigreerde naar Nederlands-Indië waar hij hoofdambtenaar werd. Zestien jaar later verhuisde hij naar Frankrijk, en in 1933 keerde hij weer terug naar Nederland. Hij zou uiteindelijk in 1963 in zijn geboortestad Den Haag komen te overlijden.

Nederlands elftal voorafgaand aan zijn eerste interland, uit tegen België op 30 april 1905
foto: NOS
Achterste rij: trainer Kees van Hasselt, Bok de Korver, Guus Lutjens, de Belgische official Paul Havenith, Ben Stom, Dolf Kessler, Peet Stol, Eddy de Neve, grensrechter Bep Willing. Voorste rij: Reinier Beeuwkes, Karel Gleenewinkel Kamperdijk, Rein Boomsma, Dirk Lotsy, Willy de Vos.

2. Just Göbel (1909-1920: 22 interlands)

Marius Jan (“Just”) Göbel (Soerabaja, 21 november 1891 – Wageningen, 5 maart 1984) was een Nederlandse voetbalkeeper van Indonesische afkomst.

De carrière van de in Soerabaja geboren goalie kende een stormachtig verloop. Als kind was hij naar Nederland verhuist, waarna hij in Arnhem kwam te wonen en actief werd bij Vitesse. Zijn postuur leende zich voor het keepersvak. In het seizoen 1909/1910 veroverde hij als tiener een basisplaats bij Vitesse, waar hij uiteindelijk vele wedstrijden voor speelde. Mede omdat zijn stijl afweek van andere keepers van toen. Göbel was namelijk de eerste keeper in Nederland die de bal niet probeerde weg te stompen of weg te trappen, maar juist te vangen. Het kwam mede door zijn grote lengte dat hij deze nieuwe stijl goed kon etaleren. Hij keepte klemvast en volgens velen ook erg stijlvol. Een andere techniek die hij in Nederland introduceerde was al vallend de bal van de voeten van de aanvaller plukken. Deze techniek werd al gebruikt op de Engelse velden. Göbel zelf had de techniek geleerd van de Engelse trainer Warburton bij de voetbalclub Hercules uit Utrecht. Deze stijl was even wennen, ook voor het publiek, dat soms zenuwachtig werd van de afstand tussen de keeper en de goal. Al snel werd Göbel echter een “tweede Beeuwkes” genoemd, naar de eerste doelman – en dan recordinternational – van het Nederlands elftal.

De lange, sierlijk keepende Göbel was belangrijk voor de emancipatie van het voetbal buiten West-Nederland. Sinds de oprichting van het elftal in 1905 stonden er meestal slechts één of zelfs nul niet-Randstedelijke spelers in het veld. De jonge Just was dan wel niet de eerste ‘Oosterling’ in het team, maar hij bleek wel de eerste die langer dan een paar wedstrijden zijn plek wist te behouden. Een sportblad schreef over zijn eerste potje in 1911: “Zijn debuut […] is flink geweest en niemand zal de keuze van deze Oostenlijken speler betreurd hebben.”.

Toen het Nederlands elftal met Just Göbel. (Bron: De revue der sporten 1911, nr. 45, p. 709) elftal in 1912 een vriendschappelijke wedstrijd met 4-0 van Engeland verloor, kreeg keeper Just Göbel een staande ovatie van het Engelse publiek. Niet omdat de supporters dankbaar waren dat deze onbekende, enigszins slungelige jongeman het ze zo makkelijk had gemaakt – integendeel. In het begin van de twintigste eeuw was het Engels elftal zeer machtig; de wedstrijd was volgens de pers met een andere keeper minstens op 10-0 uitgekomen. Men vermeldde dan ook dat het ‘de eerste maal in de Engelsche voetbal- historie’ was, dat een vreemdeling zo werd gehuldigd. Just Göbel is dan twintig jaar oud, en zal twee maanden later uitblinken op de Olympische Spelen in Stockholm.

In totaal zou hij 22 wedstrijden spelen voor het Nederlands elftal. Op de oudste film- beelden van het Nederlands voetbalelftal, daterend van 28 april 1912, is Göbel in actie te zien tegen België. Zijn beroemdste wedstrijd was die op Houtrust in Den Haag in 1913, toen hij met zijn reddingen een grote bijdrage leverde aan de eerste overwinning van Nederland op Engeland. Hij werd zowel in Nederland als daarbuiten erg geroemd, en werd diverse malen genoemd als beste keeper in Europa. Göbel zelf was altijd bescheiden en vond alle heisa om hem heen nogal overdreven.

Just Göbel in actie tegen Zweden op de Olympische Spelen van 1912.
foto: Onbekend
Zijn carrière werd onderbroken door de Eerste Wereldoorlog en in loop van zijn carrière besloot hij een studie medicijnen te gaan volgen waardoor hij niet altijd speelde. In het laboratorium tijdens deze studie liep hij een oogverwonding op. Nadien speelde hij vaak met bril wat hem enigszins hinderde bij het uitvoeren van zijn befaamde vangtechniek. Daarom besloot hij uiteindelijk zich alleen nog maar met zijn werk bezig te houden en niet meer te keepen.

Just Göbel wordt beschouwd als één van belangrijke symbolen van Vitesse. Door zijn rol in het eerste voetbalteam van de Arnhemmers droeg hij sterk bij aan de successen van de club. Hij groeide uit tot één van de boegbeelden van de club. Vitesse heeft op 14 april 2016 bekendgemaakt de West-tribune in GelreDome te vernoemen naar Just Göbel.

3. “Gejus” van der Meulen (1922-1935: 50 interlands)

Ageaus Yme (“Gejus”) van der Meulen (Amsterdam, 23 januari 1903 – Haarlem, 10 juli 1972) behoorde in de jaren ’20 en 30 van de twintigste eeuw hij tot de populairste sportmensen van Nederland, maar later tot de meest verguisde vanwege zijn collaboratie met de Duitse bezetter.

Van der Meulen was sinds 1922 succesvol clubdoelman bij HFC. Hij debuteerde in het Nederlands elftal op 27 april 1924 in de uitwedstrijd tegen de Rode Duivels. Datzelfde jaar verdedigde hij het Nederlandse doel tijdens de Olympische Spelen. Ondanks een ruime overwinning op Roemenië kwam Nederland niet verder dan een vierde plaats: de halve finale tegen (latere winnaar) Uruguay werd nipt verloren en de wedstrijd tegen Zweden om het brons eindigde in 1-1; de replay werd een 3-1 nederlaag.

Vier jaar later, tijdens de Spelen in Van der Meulens geboortestad Amsterdam, werd Oranje in de eerste ronde uitgeschakeld. Daarna maakte hij een aantal legendarische overwinningen mee, zoals de 3-4 uitzege tegen Frankrijk in 1931, waarin Oranje in twee minuten driemaal scoorde. Van der Meulen was zo populair dat zijn huwelijk in 1933 zelfs het Polygoonjournaal haalde.

Doelman Gejus van der Meulen is gepasseerd. Ook Sjef van Run kan geen redding meer brengen en België scoort.
België – Nederland (4-2), gespeeld op 3 mei 1931 in het stadion van de Royal Antwerp FC (De Bosuil) te Antwerpen.
foto: Nationaal Archief, Rijksfotoarchief: KNVB Fotocollectie,
Na zijn voetbalcarrière vestigde Van der Meulen zich met een eigen praktijk als kinderarts in Haarlem. Uit ‘sociale overwegingen’ sloot hij zich na de inval van de Duitsers aan bij de NSB. Van der Meulen vond de sterilisatiewetten van Hitler prachtig. Hij zei tegen een vriend: “Wij artsen strijden voor een gezond mensengeslacht. Nu zegt Hitler dat wij bij de kans op ongezonde kinderen moeten ingrijpen (door ouders preventief te steriliseren, red.). Dat is goed! Dat moeten wij hier ook hebben.” Van der Meulen schreef over zijn keuze voor het nationaal-socialisme een brief aan de ouders van zijn patiëntjes. Daarin zei hij dat ze vrij waren om de relatie met hem te verbreken. Dat deden ze allemaal en Van der Meulen moest zijn praktijk sluiten.

Na bemiddeling door de NSB kon hij aan de slag in het Binnengasthuis in Amsterdam. In zijn strafdossier kwam later te staan dat hij daar werd gezien als ‘onbetrouwbaar en gevaarlijk’. Hij zou onder meer hebben geweigerd om kinderen van niet-NSB’ers te behandelen. Van der Meulen nam in 1941 dienst bij het SS-Feldlazarett ‘Freiwilligen Legion Niederlande’. Hij kreeg een medische en militaire training in kazerne Oranienburg en reisde in 1942 met het Nederlandse veldhospitaal af naar het oostfront.

Van der Meulen kreeg acht jaar gevangenisstraf. In maart 1948 diende het hoger beroep. De toen nog jonge sportverslaggever Herman Kuiphof deed verslag. “Hij was vooral geestelijk een wrak. Een geslagen hond. Hij probeerde nog nauwelijks zichzelf te verdedigen”. De straf bleef 8 jaar. Prominente Nederlanders namen het voor Van der Meulen op. Schaakkampioen Max Euwe meende dat Van der Meulen “met de edelste motieven toetrad tot de NSB”. Job Pannekoek, inmiddels ziekenhuisdirecteur in Deventer, dacht dat zijn keuze te maken had met een slechte financiële situatie. “Zijn praktijk liep slecht. Hij werd financieel afhankelijk van zijn schoonvader die reeds sterk onder de invloed van de NSB verkeerde. De verhouding met zijn schoonvader is funest geweest”, meende Pannekoek.

In augustus 1949 kreeg Van der Meulen gratie. Hij verliet de gevangenis als een gebroken man. Hij begon een nieuwe praktijk, maar had bijna uitsluitend oud-NSB’ers als patiënt. Als hij bij zijn oude club HFC kwam om zijn zoon aan te moedigen, sprak niemand met hem. Van der Meulen overleed in 1973.

4. Leo Halle (1925-1937: 15 interlands)

De in Deventer geboren keeper (26 januari 1906 – 15 juni 1992) begon bij amateurver- eniging ZEWION (Zwart En Wit Is Onze Naam) en vertrok al op zijn 14e naar Go Ahead Eagles. Daar zou hij op zijn 17e zijn debuut maken. ‘Kowet’ had toen net het stadion aan de Vetkampstraat in gebruik genomen.

Halle was een imponerende verschijning: hij was zo’n 1 meter 84 lang, woog meer dan 90 kilo (‘180 pond spieren’) en had een brede borstkas en grote handen. Door zijn karakteris- tieke wollen trui zag hij er nog breder uit. Ondanks zijn wat logge voorkomen lag hij bij harde schoten razendsnel in de hoek. Die reactiesnelheid, zijn rustige uitstraling, zijn gevoel voor positie, zijn betrouwbaarheid en het lef waarmee hij voor de voeten van tegenstanders dook, maakten hem erg populair.

Halle werd wel ‘de Reus’ genoemd, maar stond toch vooral bekend als ‘de Leeuw van Deventer’. De Leeuw brulde geregeld: ‘Laat maar gaan’, om teamgenoten te waarschuwen dat hij de bal wel zou ‘pakken’. Het waren succesvolle tijden voor de Deventenaren. De ploeg werd in 1917 en in 1922 landskampioen. Met Leo Halle zou de club ook in 1930 en 1933 kampioen van Nederland worden. Halle speelde in dit succesteam onder meer samen met zijn broer Jan, de midhalf die ook wel De Kromm’n werd genoemd. Beiden haalden het Nederlands elftal; zij kwamen daarin overigens nooit samen uit.

Naast keeper was hij chauffeur van flessen melk bij de Coöperatie Ons Belang in Deventer. De combinatie met het voetballen was dikwijls zwaar: het kwam voor dat hij ‘s avonds in Den Haag trainde met het Nederlands elftal en pas diep in de nacht thuiskwam. De volgende morgen moest hij weer gewoon op de vrachtwagen.

De interlandcarrière van de doelwachter was er eentje met wisselend succes. Samen met Beb Bakhuys debuteerde hij bij Oranje in 1928 hoopvol tegen Italië, maar toch moest hij wachten tot 1934 voor zijn volgende interland. Hij had te maken met geduchte concur- rentie van keepers als Gejus van der Meulen en Kick Geudeker. De verwachting was dat hij eerste keeper zou zijn op het WK 1934, maar bondscoach Karel Lotsy haalde tot verrassing en ongenoegen van velen de inmiddels gestopte Gejus van der Meulen weer terug.

Hij liet de gebeurtenissen gelaten over zich heen gaan, maar sprak jaren later het vermoeden uit dat hij de dupe was geworden van het standsverschil: de arts Van der Meulen was, evenals Lotsy, een vooraanstaand lid van de elitevereniging Haarlemsche Football Club (HFC), terwijl Halle maar een ‘gewone arbeider’ was.

Na de vroege uitschakeling van Oranje op het WK ’34 werd Halle eerste keeper. Zijn tweede interland was tegen Zwitserland, toevallig de ploeg die Nederland op het WK had verslagen. In Bern werd met 4-2 gewonnen en Halle werd vaste keus. Hij werd vooral bekend toen hij in twee achtereenvolgende interlands een strafschop stopte.

In mei 1935 keepte hij de wedstrijd van zijn leven. Bij Nederland-Engeland in Den Haag waren de Engelse profs veel sterker, maar zij wonnen slechts met 1-0, doordat Halle bijna niet te passeren was. Hij maakte in deze periode naam als strafschopspecialist. In twee achtereenvolgende uitwedstrijden – begin december 1935 tegen Ierland en een maand later tegen Frankrijk – stopte hij een penalty.

8 december 1935; Doelman Leo Halle in actie tijdens de interland Ierland-Nederland 3-5.
foto: Onbekend
In 1936 gaf het toenmalige Nederlands Elftal het goede voorbeeld. In het Parc des Prince won Oranje met 1-6. Bep Bakhuys scoorde drie keer en Leo Halle stopte een penalty en keepte weergaloos. Hiermee hielpen ze Nederland aan een record; nog nooit was het landenteam zo vaak achter elkaar ongeslagen geweest. Er reisden 7000 supporters mee vanuit Nederland. Ongekende aantallen voor die tijd. Voetbal- en Oranje-gekte bereikte een toppunt. Met Go Ahead-oprichter Han Hollander als bekende radioverslaggever.

Voor Leo Halle kende de wedstrijd echter een zeer nare nasleep. De doelman werd direct na deze wedstrijd ‘ernstig ongesteld’, zoals de kranten kopten. Doordat hij in doorweekte kleding nog lang in de kou allerlei verplichtingen moest doen liep hij een ernstige long- ontsteking op. Hij moest hierdoor bijna 50 dagen in het ziekenhuis verblijven en zette hem maandenlang buitenspel en kostte hem zelfs bijna zijn leven. Dit op het hoogtepunt van zijn landelijke populariteit.

Deze longontsteking zou Halle de rest van zijn carrière parten spelen: hij was bang dat hij de ziekte nog eens zou krijgen, en daarom keek hij vaak naar de lucht of het weer niet zou omslaan. Onder zijn keeperstrui droeg hij sindsdien een soort zwempak als bescherming tegen de kou.

In de met 3-2 verloren thuiswedstrijd tegen Frankrijk, eind oktober 1937, maakte Halle een onzekere indruk, en hij had schuld aan een doelpunt. Hij was nog één keer reserve, maar daarna was zijn interlandloopbaan voorbij. Hij kwam uiteindelijk tot vijftien interlands.

Na zijn voetbalcarrière werd Leo Halle succesvol trainer bij diverse amateurclubs. Hij bleef ook tot op hoge leeftijd wedstrijden bezoeken van ‘zijn’ Go Ahead Eagles. De naam van de sympathieke keeper geniet nog steeds een grote naamsbekendheid in Deventer en omstreken. Hij wordt dan ook terecht geëerd met een eigen tribune in de Adelaarshorst. Leo Halle, een van de grootste Eagles-spelers ooit, overleed in 1992 op 86-jarige leeftijd.

5. Frans de Munck (1944-1967: 31 interlands)

Frans de Munck (Goes, 20 augustus 1922 – Arnhem, 24 december 2010) de bijnaam van de doelverdediger luidde De Zwarte Panter, vanwege zijn zwarte haren, dito keepers- kleding en katachtige reflexen. De Munck was een schitterende doelman, letterlijk en figuurlijk. “Ik kon er ook niets aan doen, maar ik had wat. Mijn figuur. Ik dwong respect af. En dan namen ze hun meisjes of vrouwen mee naar het voetbal. En tja… dan hadden die meiden het steeds over De Munck. Kon ik dat helpen?”

Het spreekt bijna voor zich dat Frans de Munck in zijn lange loopbaan hier en daar tegen kinnesinne en domme jaloezie opliep. Niet zelden lokte De Munck de problemen zelf uit. Door eerste klasse te reizen terwijl de rest van de ploeg op houten banken derde klasse zat. Door zichzelf op te hemelen. En misschien ooit door een wedstrijd te verkopen.

Zoals bij Goes tegen Sittardse Boys, in mei 1944. Het werd eerst 0-0, toen 1-2 voor de Limburgers, na een onbegrijpelijke blunder van De Munck. Onbegrijpelijk? Het was wel opvallend dat de doelman voor de wedstrijd in Sittard op het station werd afgehaald door het bestuur van de Boys en dat De Munck zich pas een kwartier voor de wedstrijd in de kleedkamer meldde en meteen na de wedstrijd weer verdwenen was. En bij aanvang van het volgende seizoen bij Sittardse Boys onder de lat stond… Volgens De Munck kon hij zijn voetbaltalent in het destijds geïsoleerde Zeeland onvoldoende ontwikkelen.

Daarbij wist een geldschieter van de Limburgse club te voorkomen dat hij in Duitsland te werk zou worden gesteld. In Sittard kreeg hij een baan bij de politie. Later werkte hij bij een verzekeringsmaatschappij. Hij zag er in die tijd oogverblindend mooi en indruk- wekkend uit op elftalfoto’s . Zwarte kousen, witte klassieke knielappen, zwarte broek en een zwarte trui met twee witte horizontale strepen. Na de bevrijding, op 18 september 1945, werd Frans de Munck agent in Sittard en keeper van het Nederlands politie-elftal.

De Munck had in 1947 na afloop van een vriendschappelijk toernooi in Barcelona een aanbieding van FC Barcelona gekregen. Een transfer ketste af, omdat hij beschikbaar wilde blijven voor het Nederlands elftal, waarvoor toen een strikte amateurstatus nog een vereiste was. Vanaf 1948 deed hij pogingen zich te laten overschrijven naar Ajax. In juni 1949 kwam het tot een breuk met Sittardse Boys en verhuisde hij naar Amsterdam. Ajax had hem een goede baan in het vooruitzicht gesteld als kantoorbediende op een confectiefabriek.

Toen dat verhaal in de krant verscheen, sloeg de machtige KNVB-bobo Karel Lotsy toe. Hij had een bloedhekel aan de charismatische keeper en hield hem hoogstpersoonlijk buiten de Oranje-selectie. Plotseling hing de hypocriete official de oprechte amateur uit en vaardigde een speelverbod uit voor Frans de Munck, omdat hij prof zou zijn. De KNVB wees het verzoek tot overschrijving af en bepaalde dat De Munck tot in 1950 voor geen andere club dan de Sittardse Boys mocht uitkomen. Hij kwam dat seizoen niet uit voor een club. In mei 1950, enkele maanden voordat hij aan de slag zou gaan bij Ajax, plaatste de KNVB De Munck wegens “overtredingen der amateurbepalingen” in de beroepsklasse. De doelverdediger mocht hierdoor niet meer uitkomen in het Nederlands voetbal.

Omdat de invloedrijke Karel Lotsy zo’n hekel had aan Frans de Munck, debuteerde de keeper pas op 26-jarige leeftijd in Oranje, op 13 april 1949 tegen Frankrijk. Omdat Piet Kraak geblesseerd was. “Drie uittrappen van mij waaruit Theo Timmermans driemaal kon scoren”, herinnerde de doelman zich later nog. De Munck zou ook nooit vergeten hoe hij erbij liep die dag. “Er lag een blauw keepersshirt klaar, van de bond. Maar dat kon niet. De Fransen waren in het blauw. Ik moest een pullover aan.” Hij vond het niks. “Kleding is belangrijk. Daar moet je jezelf lekker in voelen.” Geheel in het zwart voelde hij zich wel lekker. Dat laatste was toeval. “Dat deed ik eigenlijk omdat mijn spullen zo smerig werden. Mijn vrouw kreeg mijn kleding niet meer schoon.”

De ijdele, knappe verschijning was een ster, had een geweldige reputatie als keeper en ladykiller. Maar De Munck gedroeg zich tevens als een over het paard getilde provinciaal die nooit zijn portemonnee trok, zich als een geldwolf gedroeg, alleen maatkostuums wilde dragen, in een statusverhogende Mercedes reed en weigerde met de andere spelers naar uitwedstrijden te reizen, omdat hij in de eerste klasse wilde zitten.

De zwarte panter Frans de Munck met een stijlvolle duik.
foto: Onbekend
Via een journalist kwam De Munck in contact met 1. FC Köln. Voor een (zwart) inkomen van 1500 Mark per maand en 30.000 Mark tekengeld verkaste hij per direct naar Duitsland. Bij Köln, dat getraind werd door Hennes Weisweiler, hield De Munck de latere Duitse international Fritz Herkenrath uit de basis. In Duitsland werd hij zo populair dat hij in 1954 zelfs een rol kreeg in de speelfilm “Das ideale Brautpaar”. In Duitsland kreeg hij ook de bijnaam Die Schwarze Katze, waardoor hij in eigen land als De Zwarte Panter door het leven ging.

Door de Watersnoodwedstrijd, een interland tussen in het buitenland spelende Neder- landse voetbalprofs en het Franse elftal waarvan de opbrengst naar slachtoffers van de watersnood van 1953 ging, kwam De Munck weer in de aandacht van Nederland. Na de gewonnen Watersnoodwedstrijd tegen Frankrijk en de in het buitenland spelende Nederlandse profs in het Parc des Princes, met Frans de Munck in de hoofdrol, konden de KNVB-officials het profvoetbal niet langer tegenhouden. De start van de “wilde” prof- competitie van de NBVB bracht hem terug in het Nederlandse voetbal. Hij tekende in 1954 een contract bij Fortuna ’54.

De Munck speelde later nog bij DOS, BV Veendam, SC Cambuur en Vitesse. Met DOS werd hij in 1958 kampioen van Nederland. Frans de Munck maakte het verschil, want zonder hem speelde DOS nooit een rol van betekenis. In dat kampioensjaar schreef hij geschie- denis door de Amerikaanse filmster Jayne Mansfield – zij verrichtte de aftrap bij Sparta-DOS – voor de wedstrijd op de mond te zoenen, terwijl zijn medespelers nerveus toekeken.

Op 28 mei 1967 nam De Munck op 44-jarige leeftijd afscheid tijdens een vriendschap- pelijke match tussen Vitesse en FC Köln. De Munck was op dat moment al sinds september 1966 hoofdtrainer van Vitesse, nadat zijn voorganger Joseph Gruber ontslagen was. Hoewel hij in seizoen 1966/67 ook nog als speler onder contract stond, speelde hij zijn laatste officiële wedstrijd in augustus 1966.

Na Vitesse trainde De Munck de Belgische clubs Club Brugge en Lierse SK. Met Club Brugge won hij in 1970 de Beker van België. Van 1972 tot en met 1974 was hij opnieuw trainer van Vitesse. Hierna trainde hij verschillende amateurverenigingen. Hij bleef altijd verbitterd over het feit dat hij slechts 31 interlands speelde, omdat de KNVB-officials hem niet pruimden.

6. Piet Kraak (1945-1960: 33 interlands)

Pieter Cornelis (Piet) Kraak (Alblasserdam, 14 februari 1921 – Kopenhagen, 28 april 1984) begon in 1932 in Velsen bij VSV met voetballen. Twee jaar later stapte hij over naar rivaal Stormvogels. Van die club bleef hij twintig jaar lid. Behalve als keeper kwam Kraak ook als midvoor uit voor Stormvogels. Na enkele maanden wegens een schouderblessure afwezig te zijn geweest, stond hij in januari 1954 in een wedstrijd tegen Heracles in de spits, waarbij hij een doelpunt voorbereidde en één scoorde.

Op 10 maart 1946 maakte hij in de eerste wedstrijd van het Nederlands voetbalelftal na de oorlog zijn interlanddebuut. Tegen Luxemburg werd het 6-2. In totaal kwam Kraak tot 33 interlands waarvan twee op de Olympische Zomerspelen 1948 en één op de Olympische Zomerspelen 1952. Nadat een nederlaag tegen België op 19 oktober 1952 voornamelijk aan Kraak werd toegeschreven, werd hij (voorlopig) niet meer opgeroepen.

In de rumoerige dagen voor de komst van het semi-beroepsvoetbal in Nederland, koos Kraak voor het ‘wilde’ profvoetbal bij de Haagse Profs. Zijn plaats in het Nederlands elftal had hij twee jaar eerder al moeten afstaan aan Wim Landman.

Piet Kraak deed ook meer dan alleen maar voetballen. Hij was enige tijd agent bij de politie, later had hij een café in Utrecht en tot verbazing van zijn toenmalige club Elinkwijk vertrok hij in 1956 plotseling naar Zeeland. In die provincie combineerde hij het trainen van enkele amateurclubs met het runnen van een hotel in Zierikzee. Even onverwacht als hij was gekomen, vertrok hij ook weer uit het Schouwse stadje, om vervolgens gewoon weer bij Elinkwijk onder de lat te gaan staan.

Piet Kraak lange tijd de oudste speler ooit in Oranje
foto: Onbekend
Als jongen van negentien jaar werd Piet Kraak al gekozen voor de selectie van het Nederlands elftal. Als man van 38 jaar en acht maanden werd hij nog eens terug gehaald bij Oranje. Een oudere speler was nooit voor de nationale ploeg uitgekomen. Abe Lenstra zat er met zijn 38 jaar en vijf maanden bij zijn laatste interland wel vlak bij. Kraak en Lenstra waren tijdgenoten. Lenstra mocht nog net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog debuteren. De wedstrijd tegen Luxemburg op 12 mei 1940 waarvoor Kraak was geselecteerd en Joop Wille van EDO als eerste doelman was opgesteld, moest wegens de oorlog zes jaar worden uitgesteld.

Als veteraan beleefde hij in het seizoen 1959/60 een hoogtepunt en een dieptepunt. Bij de club uit Zuilen deed hij het zo goed, dat bondscoach Elek Schwartz bij hem aanklopte, toen zich bij Oranje voor de wedstrijd tegen de Noorse amateurs een keepersprobleem voor deed. De keepers een tot en met drie, Frans de Munck (DOS), Eddy Pieters Graafland (Feyenoord) en Andries van Dijk (Sparta) waren niet beschikbaar en in nummer vier, de kort tevoren tegen West-Duitsland reserve zittende Otto Roffel (GVAV), had Schwartz niet voldoende vertrouwen. Dus kwam Piet Kraak zeven jaar na zijn laatste optreden in het Nederlands elftal terug en werd de PSV er Pim Bekkering als feitelijke nummer zes in de rangorde, reservedoelman. Kraak had tegen Noorwegen weinig te doen. Oranje telde met Faas Wilkes (36), Kees Rijvers (33) en Cor van der Hart (31) nog meer dertigers. De ploeg had een gemiddelde leeftijd van 29 jaar, maar deed het prima: 7-1.

Dit was tevens zijn laatste interland. Kraak was hiermee lange tijd de oudste speler ooit in Oranje. Pas op 1 juni 2010 werd dit record verbroken door de op dat moment 39-jarige Sander Boschker.

In hetzelfde seizoen van zijn rentree bij het Nederlands elftal, werd Kraak door het bestuur van Elinkwijk van de ene op de andere dag afgedankt. De doelman werd schuldig bevonden aan een nederlaag tegen Fortuna 54 en omdat hij een slechte invloed zou hebben op de andere spelers, werd het hem verboden nog langer deel uit te maken van de selectie.

Piet Kraak keepte zonder handschoenen en had vaak een zonneklep op. Hij was snel, sterk en had een grote sprongkracht. Z’n katachtige reflexen en onmogelijke reddingen, soms afgewisseld met blunders, maakten hem populair bij het publiek. In tegenstelling tot de meeste andere keepers was hij geen lijnkeeper. Het hele strafschopgebied was van hem, de backs moesten daarbuiten voetballen. Piet Kraak stond erom bekend dat hij een harde keeper was tegen wie je maar beter niet kon oplopen. Elinkwijk-historicus Harry Kel herinnert zich Kraak vooral als een goalie die angst inboezemt bij aanvallers. “Hij was bikkelhard en stompte je zo voor je kop. Vaak had hij met één hand de bal en met zijn andere hand de tegenstander.” “Hij was de baas in het elftal en was niet altijd even prettig in de omgang. Als hem iets niet aanstond, dan kon hij tegenstanders hard aanpakken. Zo stompte hij met de ene hand de bal en met de andere een ZFC’er vol op de kaak nadat die daarvoor in de wedstrijd een aantal keren vervelend was geweest.”

Kraak kreeg in 33 interlands niet minder dan 99 doelpunten tegen. Toch was hij een doelman van grote klasse. Na zijn loopbaan als keeper, was Kraak trainer van Zuidvogels (Huizen), Blauw Wit, Velox, VV Utrecht en LFC (Leiden). Via een aanbeveling van bonds- coach Georg Kessler werd hij in 1970 trainer bij de Deense club Aalborg. In Denemarken werd hij getroffen door een hersenbloeding. Ruim twee jaar lag hij in coma, voordat hij overleed.

7. Wim Landman ((1949-1962: 7 interlands)

Willem (“Wim”) Landman (Rotterdam, 13 april 1921 – Bleiswijk, 27 juni 1975) was als doelman op het hoogste niveau actief, maar hij had, in lagere elftallen, ook een carrière als veldspeler. Tot zijn 18e jaar speelde hij als stopperspil in het hoogste jeugdelftal van Neptunus Rotterdam. Eerder dan Frans de Munck kreeg keeper Landman de bijnaam de Zwarte Panter. Hij werd zo genoemd om zijn zwarte haar en om zijn techniek die,
ondanks dat hij aan reumatiek leed, elegant en soepel was.

Landman was afkomstig van het Rotterdamse Neptunus en maakte in 1949 de overstap naar Sparta Rotterdam. Er volgden heftige krantenartikelen in vooral Rotterdamse dagbladen. In Het Rotterdamsch Nieuwsblad verscheen zelfs de rijm: Sparta in het nauw koopt Landman en Terlouw. Want behalve met Landman versterkte Sparta zich ook met de stopperspil Rinus Terlouw van DCV.

In het clubblad van Neptunus (De Revue) hekelde de latere Het Vrije Volk-journalist en VARA-quizmaster Theo Eerdmans de transfer met woorden als schande en clubsport-onwaardig. Te meer omdat Landman de overstap pas maakte op 28-jarige leeftijd. In 1948 tijdens de Olympische Spelen in Londen was hij vaandeldrager van de Nederlandse équipe. Ook vier jaar later behoorde hij tot de deelnemers aan de Olympische Spelen, toen in Finland. Vanaf dat jaar (1952) kwam hij vier keer uit voor het Nederlands elftal. Nadat hij op 27 september 1953 voor een interlandwedstrijd tegen Noorwegen werd gepasseerd, beëindigde de als ijdel bekendstaande Landman abrupt zijn voetballoopbaan; hij voelde zich door de KNVB niet serieus genomen. “Ik ging niet eens meer kijken, want dan wond ik mij alleen maar op en een mens moet zich niet te veel opwinden. Dat is slecht voor de gezondheid.”

In 1954 keerde Landman alweer terug op de velden. Hij kreeg een profcontract aangeboden bij een van de eerste initiatieven om in Nederland betaald voetbal te bedrijven: de Beroepsvoetbalclub Rotterdam. De club bestond niet lang en ging uiteindelijk op in Holland Sport (later: Scheveningen Holland Sport). Vanaf
het seizoen 1954/55 keepte Landman voor deze club en kwam hij nog drie maal uit
voor het Nederlands elftal.

Wim Landman een kunstenaarsdoelman met dropkicks
foto: Archief Neptunus
Hij had een prachtige drop-kick en verrichtte onwaarschijnlijke reddingen, maar ook genoot hij enige bekendheid door kolossale blunders. Een fout kostte Sparta in 1952 in de beslissingwedstrijd tegen Hermes DVS het kampioenschap en drie jaar later maakte hij in het doel van Holland Sport in de kampioenswedstrijd tegen NAC ook een aantal blunders.

Bijzonder zwakke optredens in wedstrijden van SHS tegen NAC en BVV leidden tot geruchten dat Landman zich had laten omkopen. In het geval van de wedstrijd tegen BVV op 27 mei 1956 is dat heel lang voor waarheid aangenomen, omdat de KNVB hem – nadat het aan het licht was gekomen – in 1959 anderhalf jaar schorste. De omkopingspoging van Wim Landman wordt in 1956 beraamd in het supporterscafé van BVV, genaamd De Kiek. Een van de drie omkopers overlijdt als de KNVB in maart 1959 met het onderzoek start. In 1961 sterft de secretaris van BVV aan de gevolgen van de affaire.

Op 16 maart 1959 wordt in de Sportkroniek, het officiële orgaan van KNVB, de lijst van de geschorsten in de BVV-affaire gepubliceerd. Bij Wim Landman staat overigens dat hij ingaande 16 maart 1959 tot 1 juli 1960 wordt geschorst wegens het in in eerste instantie ingaan op een voorstel tot omkoping, het niet aan de KNVB ter kennis brengen van deze poging tot omkoping en het afleggen van een onvolledige en onjuiste verklaring in eerste instantie. Bij enkele van de in totaal elf geschorste bestuursleden van BVV wordt daar- entegen gesproken over ernstige nalatigheid (in relatie tot een zwarte kas en betalingen aan amateurspelers), maar inzake de omkoopaffaire staat overal poging.

Maar inmiddels blijkt omkoping niet te zijn bewezen. Vervolgens werd Landman in 1959 voor zestien maanden geschorst (en naar recent is gebleken ten onrechte). Want journalist Jan D. Swart heeft in zijn – voorjaar 2015 – verschenen boek ‘Het drama Wim Landman’ overtuigend aangetoond dat er van omkoping in 1956 geen enkele sprake was (integendeel Landman heeft geweigerd het aangeboden bedrag aan te nemen).

Op 1 januari 1961 maakte Landman zijn rentree voor SHS. Inmiddels had hij, nadat hij met zijn hand achter een hek was blijven hangen, nog maar negen vingers. Na het seizoen 1961/62 beéindigde hij zijn voetballoopbaan. Door de omkopingskwestie en ook door privéproblemen raakte Landman in depressies, in 1975 kon hij het leven niet meer aan en pleegde hij zelfmoord door in Bleiswijk voor een trein te springen.

8. Eddy Pieters Graafland(1951-1970 : 47 interlands)

Eduard Laurens (Eddy) Pieters Graafland (Amsterdam, 5 januari 1934) werd in 1999 door de IFFHS opgenomen in de top drie van beste Nederlandse keepers van de twintigste eeuw. Hij stond hier achter Hans van Breukelen en Edwin van der Sar. Als doelman kwam hij uit voor Ajax, Feyenoord en het Nederlands elftal. Zijn bijnaam was, naar zijn afgekorte achternaam, Eddy PG.

Dat hij een van de meest legendarische keepers van Nederland wordt, heeft hij min of meer aan zijn twee oudere broers te danken. Kleine Eddy moet altijd verplicht op doel staan als er in de buurt van het Olympisch stadion een potje gevoetbald wordt. Hij baalt er zo van om almaar de bal terug te halen dat hij zich bekwaamt in het behendig stoppen van het geschut. Zijn talent valt ook op bij Ajax, waar hij al op 11- in plaats van 12-jarige leeftijd mag meetrainen met de jeugdselectie (twaalf was de minimumleeftijd, maar Pieters Graaflands vader was bestuurslid bij Ajax, waardoor hij voorrang kreeg).

Op zijn zeventiende debuteert hij als keeper in het eerste elftal van de Amsterdammers. ‘Zo’n doel voelt dan groot, hoor! Maar het ging goed.’ Het is de tijd waarin het profvoetbal nog van de grond moet komen en alle spelers de sport combineren met een reguliere baan. Eddy PG wordt vertegenwoordiger, net als zijn vader. Maar waar pa handelt in chocolade, doet Eddy in sportartikelen.

Een gewonnen wedstrijd met Ajax levert hem 25 gulden op. Voor een gelijk spel krijgt hij 15 gulden. En als zijn club verliest? Dan blijft de clubknip dicht “Voor een training kregen we ook geld”, zegt hij. “Vijf gulden per keer. We trainden twee keer in de week, dus dat leverde dan een tientje op. Toen zeiden wij: kunnen we niet vier keer per week gaan trainen? Zo is het betaalde voetbal zo’n beetje ontstaan.”

Op zijn zeventiende (1951) debuteerde hij in het eerste van Ajax, en in 1958 vertrok hij naar Feyenoord voor het toentertijd recordbedrag van 134.000 gulden. Bij Ajax werd hij opgevolgd door Bertus Hoogerman. Fans stuurden hem een betraande brief met een rouwrand. Hij verliet de club na onenigheid over een trip naar Zuid-Afrika. Die duurde langer dan vooraf afgesproken, waardoor semiprof PG op eigen gelegenheid moest terugreizen.

Op 28 april 1957 debuteerde hij in het Nederlands voetbalelftal in het Olympisch Stadion tegen België (1-1). Hij zou 47 keer het doel van het Nederlands elftal verdedigen. Hij kwam als Ajacied in het Nederlands elftal, maar moest vervolgens ruimte maken voor Frans de Munck, die bij de nieuw aangetreden coach Elek Schwartz de voorkeur had.

Aan het eind van zijn lange carrière, met vijf landstitels maar ook na een gedwongen afscheid van Oranje na twee fouten tegen Joegoslavië kwam toch de grote sportieve bekroning.

Zijn grootste succes als clubspeler kwam in 1970. Dat seizoen was hij door Feyenoord-trainer Ernst Happel als eerste keeper gepasseerd en vervangen door Eddy Treytel. Op 26 april 1970 echter sloeg het sportieve noodlot toe voor Treytel. Feyenoord speelde in Amsterdam met 3-3 gelijk tegen Ajax, waarbij door missers van Eddy Treytel een 1-3 voorsprong uit handen was gegeven. Eddy Pieters Graafland was reservekeeper en tijdens de busreis terug naar Rotterdam kwam Happel op hem af. “Du, ik wil jou morgen spreken”, beval de Oostenrijker. Het was de eerste keer dat Happel met hem sprak sinds Eddy gepasseerd was als eerste keeper.

De volgende dag vroeg Happel of Eddy PG de Europacupfinale tegen Celtic wilde keepen. Het antwoord luidde: “Je hebt me het hele seizoen niet zien staan. Ik doe het niet.” Happel stelde Eddy PG voor om er thuis eens rustig over na te denken. Maar eenmaal thuis was echtgenote Teddy PG nog duidelijker: “Jij de finale keepen? Je bent gek, dat doe je niet. Ze hebben jou laten stikken, nu laat je hen mooi stikken.”

Bovendien hadden Eddy en Teddy in Rotterdam een winkel in sportartikelen. Feyenoord was voor zijn Europese finale verre van favoriet, ook bij veel Nederlanders. Een verlies kon gemakkelijk in Eddy PG’s schoenen worden geschoven, en dat kon weer de omzet van hun winkel schaden.

Eddy Pieters Graafland (Eddy PG) in actie voor Feijenoord tegen Ajax
foto: ANP
Maar Happel hield vol, en Eddy PG ging overstag. “Omdat je zo’n unieke kans maar één keer in je leven krijgt”, lichtte hij toe. Teddy wist van niets, en hoorde van een journalist dat haar man tóch de finale zou keepen. Toen Eddy thuiskwam, kreeg hij ervan langs: “Jij gaat straks voor schut als het misgaat, jij krijgt alle schuld over je heen. Waar ben je mee bezig?” Het liep goed af en mede dankzij uitstekend keeperswerk van Eddy sleepte Feyenoord de Europacup 1 in de wacht. De sportzaak floreerde als nooit tevoren.

Hij kwam tot nog eens 43 interlands en speelde ruim vijfhonderd wedstrijden voor Feyenoord, in ‘een grijze trui, een zelf gebreide, door mijn schoonmoeder’. Zijn naam stond in de jaren zestig voor de bekendste afkorting van Nederland: Eddie PG. Eddie Pieters Graafland was een begrip in Nederland. Hij stond voor rust, betrouwbaarheid, sportiviteit en gold als een van de betere doellieden uit de geschiedenis van het Neder- landse voetbal. Hij miste echter het interlandrecord van Gejus van de Meulen (54). Als specialiteit had hij het keren van strafschoppen. Hiertoe hield hij in een notitieboekje van alle potentiële penaltynemers de favoriete hoeken bij.

In 1962 kwam de Eddy Pieters Graafland-fanclub op het idee om een verkiezing van de beste voetballer van het jaar te organiseren. Tot 1975 werd deze onderscheiden met de Eddy PG-trofee.

Eddy Pieters Graafland werd in 2017 voorafgaand aan de thuiswedstrijd van Feijenoord tegen Willem II gekroond tot beste keeper in zestig jaar Eredivisie. De toen 83-jarige voormalig doelman van Feyenoord (1958-1970) kreeg de meeste stemmen uit vijf genomineerden en verdiende daarmee een plek in het ‘Gouden Elftal’ van de Eredivisie en FOX Sports.

9. Gert Bals (1954-1973 : 0 interlands)

Gerrit (Gert) Bals (Utrecht, 18 oktober 1936 – Veenendaal, 20 mei 2016) was een man van zijn tijd. Geen poespas of franje. Stevige kniebeschermers en een flinke Schotse pet bij felle zon. En hij keepte zoals hij er uit zag. Degelijk. Beetje gisteren. Geen onnodige zweef- duiken. Doe maar gewoon. En dat deed Gert. Hij kon het zelfs heel goed. Hij keepte bij vele clubs. En er waren er ook veel toen hij begon. Hij stond onder de lat bij Velox, SV Zeist, ‘Gooi, PSV, Ajax en Vitesse. En daarna begon hij – zoals voetballers dat deden – een sportzaak en later een winkel in tijdschriften en rookwaren.

Bals speelt met Ajax als eerste Nederlandse doelman ooit in een finale van de Europa Cup I. AC Milan is hierin met 4-1 te sterk.

Bals begon als jeugdspeler bij RUC in Utrecht, maar stapte over naar Velox. Toen het betaald voetbal werd ingevoerd, stapte Bals over naar SV Zeist. Later speelde hij voor ‘t Gooi, aanvankelijk in de Tweede divisie en vanaf 1959 na promotie in de Eerste divisie. Toenmalig PSV-doelman Pim Bekkering, ook afkomstig van ‘t Gooi, attendeerde zijn club op het talent van Bals. Van 1961 tot 1965 speelde Bals 120 wedstrijden voor PSV en werd hij eenmaal kampioen met de Eindhovenaren.

In het seizoen 1963-1964 vestigde hij een bijzonder record. In het Europa Cuptoernooi voor landskampioenen bleef hij 358 minuten zonder tegendoelpunt, iets wat geen ander in de eerste negen jaar van het toernooi lukte.

In 1965 kocht Ajax Bals van PSV voor 71.750 gulden. Zijn debuut voor de club vond plaats op 22 augustus tegen DOS (2-1). In vijf jaar bij de Amsterdammers werd hij vier keer kampioen. Tevens haalde hij met Ajax in 1969 de Europacup I-finale, die met 4-1 werd verloren van AC Milan. Na het vertrek van Frits Soetekouw na de uitschakeling door Dukla Praag werd hij aanvoerder.

Ajax-doelman Gert Bals in een luchtduel met een Benfica-speler, links Velibor Vasovic, rechts Henk Groot en Wim Suurbier.
foto: Onbekend
Bals raakt in het seizoen 1969-1970 zijn plaats in het Amsterdamse doel kwijt aan Heinz Stuy. Heinz kroket werd hij genoemd, omdat hij ballen als hete happen uit zijn handen liet vallen. Dat gebeurde Bals niet. Hij was heerlijk saai, maar ook aangenaam betrouwbaar. Bals’ laatste wedstrijd voor Ajax was op 10 mei 1970, tegen Telstar (1-1). Hij stapt over naar Vitesse, waar hij in 1973 zijn carriére afsluit. Bals speelde nooit voor het Nederlands elftal. Na zijn loopbaan als voetballer runt Bals een sportzaak in Velp en later een winkel in tijdschriften en rookwaren in Veenendaal.

Gert Bals verdedigde het doel van Ajax met knielappen, in een gele trui van badstof met slijtagegaatjes op de ellebogen. Scheen de zon op zijn goal, dan droeg hij een platte, beige pet op het serieuze hoofd. Gert Bals liet het keeperswerk er uit liet zien als een dood- gewone bezigheid. Bals bracht het keepen binnen handbereik. Zoals Gert Bals dat op weergaloze wijze in Trnava deed, in het voorjaar van 1969. In de halve finale van de Europa Cup 1 verdedigde Ajax bij de kampioen van Tsjechoslowakije een 3-0 voorsprong. Een blunder van Bals hielp het geweldig draaiende Spartak op gang waarna het haveloze stadionnetje in een naargeestige provinciestad voor Ajax veranderde in ‘een ziedende hel’, zoals de kranten toen schreven. Het werd 2-0, maar dat bleef het ook dankzij miraculeuze reddingen van de man met de pet, de knielappen en de gaten in zijn gele trui.

10. Piet Lagarde (195? -1965 : 2 interlands)

Piet Lagarde (Dordrecht, 9 december 1939) was als keeper in dienst van DHC Delft en Sportclub Enschede en speelde twee interlands.

Lagarde speelde in zijn jeugd voor Emma uit zijn woonplaats Dordrecht. Hij kwam in het eerste terecht net na de club was teruggezet naar de amateurs. Lagarde speelde tevens in het Nederlands jeugdelftal, als enige amateur en met spelers als Coen Moulijn en Sjaak Swart. Kort daarna verhuisde hij naar de betaald voetbalclub DHC Delft.

Op 1 april 1962 speelde Lagarde zijn eerste interland voor het Nederlands elftal, vriend- schappelijk tegen België. Op 26 september van dat jaar speelde hij zijn tweede en laatste interland, tegen Denemarken. In de 85e minuut brak hij zijn sleutelbeen en moest hij vervangen worden door de debuterende Jan Jongbloed. Inmiddels was Lagarde in de zomer van 1962 van DHC naar Sportclub Enschede gegaan. Als semi-prof had hij daarnaast een baan als vertegenwoordiger bij Adidas.

Henk Groot en doelman Piet Lagarde tijdens Feyenoord – Enschede (3-1), 22 november 1963.
foto: Dick Coersen
Bij Enschede kwam een einde aan zijn voetballoopbaan, toen Lagarde op 27 september 1964 geblesseerd raakte bij een actie van Joop Butter van Go Ahead Eagles. Hij liep een nierscheuring op en om levensgevaar te voorkomen werd twee dagen later in een zieken- huis een nier verwijderd. In februari 1965 hervatte hij de training en vanaf de zomer van 1965 stond hij onder contract bij FC Twente, maar Lagarde zou niet meer in wed- strijden uitkomen. Hij kreeg 3000 gulden schadevergoeding. Op 3 mei 1966 werd er voor hem een benefietwedstrijd georganiseerd tussen een Nederlands bondsteam met onder andere Jan Klijnjan, Coen Moulijn en Theo Pahlplatz en de Duitse ploeg Borussia Mönchengladbach. De opbrengst hiervan bedroeg 23.000 gulden.

Lagarde stortte zich op een maatschappelijke carrière bij Adidas, waar hij het tot PR-marketing directeur zou schoppen. Vanuit die functie was hij onder andere nauw betrokken bij het Nederlands elftal. Rond 2003 was hij commercieel manager bij FC Dordrecht.

11. Tonny van Leeuwen (1959-1971: 2 interlands)

Teunis Pieter (Tonny) van Leeuwen (Gouda, 21 maart 1943 – Meppel, 15 juni 1971) werd beschouwd als groot talent. Zijn loopbaan werd echter abrupt afgebroken door zijn overlijden in 1971.

Geboren in Gouda ging hij het doel van het Goudse ONA verdedigen. Sparta haalde hem naar Rotterdam waar hij de opvolger werd van de legendarische Andries van Dijk, keeper van het elftal dat in 1959 de landstitel had veroverd. Op zijn zestiende debuteerde Van Leeuwen in de eredivisie, maar een blessure deed hem zijn plaats aan een ander groot talent, Pim Doesburg, verliezen.

Ongeduld verdreef Van Leeuwen uit Rotterdam. GVAV zocht een vervanger voor Otto Roffel, de latere directeur van het Olympisch Stadion, en vond in Van Leeuwen een keeper die het op de reservebank van Sparta niet uithield. GVAV wilde hogerop en kocht in 1963 behalve Van Leeuwen ook Martin Koeman (de vader van …), van het Amsterdamse Blauw-Wit. Het seizoen 1963-’64 begon in het Oosterpark met een 3-0 overwinning op Feye- noord. Onbedoeld en enigszins anoniem kwam het einde op 9 mei 1971 met een 0-0 bij Cambuur.

Als doelman paste Tonny van Leeuwen in de jaren zestig, met toppers als Eddy Pieters Graafland, Pim Doesburg en Jan van Beveren in het rijtje van de beste keepers. ‘De allerbeste clubkeeper ter wereld’, roemde Piet Fransen (‘Mister’ Groningen) zijn inderdaad vaak niet te passeren ploeggenoot. In de veilige omgeving van het Oosterpark pakte hij regelmatig punten voor GVAV. Bij zijn club proefde hij erkenning en waardering. In die warmte voelde hij zich thuis.

Van Leeuwen werd direct een basisspeler in het team van de Groningse subtopper. Hij werd de vaste doelman van Jong Oranje en werd vanaf 1964 geregeld opgeroepen voor het Nederlands elftal, waar hij reserve was achter Eddy Pieters Graafland. Zijn selectie werd uitgesteld door een schorsing van acht wedstrijden die hij opliep in de met 2-1 verloren uitwedstrijd tegen MVV op 15 maart 1964, waarin hij tegenstander Nico Mares tegen de grond sloeg en vervolgens uit het veld gestuurd werd. Piet Fransen verving hem in die wedstrijd als doelman.

April 1967 symboliseerde het sterkst het raadselachtige contrast in de loopbaan van Tonny van Leeuwen. Op 5 april vertrouwde Georg Kessler als bondscoach hem eindelijk een debuut toe in het Nederlands elftal. Niet alleen het noorden van het land zeurde al maanden over zijn uitverkiezing in Oranje. Hij kreeg een kans in Leipzig, tegen de krachtpatsers uit de DDR. Met zijn robuuste postuur en onverschrokken ingrijpen in de lucht zou hij het geweld opvangen. Maar uitgerekend de hoekschoppen braken Nederland in de tweede helft op: een nederlaag van 4-3.

Jan Mulder, met Van Leeuwen debuterend als international, en Piet Keizer zetten Oranje in de eerste helft verrassend op een 2-0 voorsprong. Maar na rust greep de faalangst Van Leeuwen bij de keel en het Nederlands elftal bezweek onder Oost-Duitse luchtaanvallen. Hoewel Keizer, bij 2-2, nog een keer scoorde, won de DDR met 4-3. Drie hoekschoppen en een hoge voorzet werden Van Leeuwen fataal.

Maar het was niet alleen zijn schuld, ook de verdediging stond te schutteren. ‘Vooral de drie PSV’ers Schrijvers, Pijs en Kemper sprongen in de ogen van voormalig ploeggenoot Martin Koeman te kort. ‘Bij die Oost-Duitse corners stonden ze verkeerd opgesteld, te dicht op Van Leeuwen. Het was duidelijk dat er geen afspraken waren gemaakt. Het was onwennigheid in de verdediging. Piet Fransen, zelf zesvoudig international: “Tonny wilde zich voor honderdentwintig procent bewijzen, maar had het lef niet om de leiding in handen te nemen. Ik heb het er vaak genoeg met hem over gehad. Dan vroeg hij hoe ik me bij het Nederlands elftal toch zo nuchter kon gedragen.”

“Omdat ik me gewoon een van de zestien voel, zei ik dan, niets meer en niets minder. Tonny was zichzelf niet bij het Nederlands elftal.”

De kritiek blameerde vooral Tonny van Leeuwen, ofschoon zijn medeverdedigers net zo hard schutterden bij de blunders. Het tergde de doelwachter, die nog geen drie weken later op 23 april wraak nam op de algemene opinie. Hoogst persoonlijk stelde hij in de Amster- damse De Meer het kampioenschap van Ajax uit.

DE 4-3 NEDERLAAG tegen de DDR, de vervloekte ‘cornerinterland’, bezwaarde nog altijd zijn gemoed toen Tonny van Leeuwen zondag 23 april 1967 met GVAV naar Amsterdam reisde….

Tien minuten voor de aftrap arriveerde GVAV in het stadion. Ajax met zijn gevreesde voorhoede Swart, Nuninga, Cruijff en Keizer had de warming-up er al op zitten. Ludwig Veg, de Oostenrijkse trainer van de Groningers, moest zijn ploeg zonder tactische bespreking aan de Amsterdammers uitleveren. Hij kon alleen nog maar roepen dat ze met z’n allen voor het doel van Van Leeuwen moesten gaan liggen en dat niemand zich op de helft van Ajax diende te wagen. In de gang van de kleedlokalen naar het veld stonden al bossen bloemen op de aanstaande kampioenen te wachten. Ajax was in het seizoen 1966-’67 ongenaakbaar en had in Groningen niets van GVAV te duchten gehad (3-8).

Het Amsterdamse publiek maakte zich op voor een nieuwe inmaakpartij, maar Tonny van Leeuwen spuwde in de handen en besloot de wedstrijd van zijn leven te gaan keepen. Decennia later staat het mirakel Ajax-GVAV 0-1 Martin Koeman en Piet Fransen nog helder voor de geest. Koeman: “De wedstrijd was nog geen vijf minuten oud toen wij de bal al twee keer van de doellijn hadden gehaald.” Daarna werd het de wedstrijd van Van Leeuwen. ‘Fransen: “Hij pakte de ballen alsof het aardappelen waren, soms met één klauw. Hij was toen werkelijk onpasseerbaar en kreeg zelfs een staande ovatie van de Ajax-supporters.”

Ook de altijd kritische verslaggever Ben de Graaf was enthousiast getuige de Volkskrant van maandag 24 april: ‘. . . in de volgende fase ranselde hij met een gescherpt reactive- vermogen en boordevol zelfvertrouwen alle hoge ballen weg, die hem in Oost-Duitsland als muskieten om de oren waren gevlogen.’Terecht werd Van Leeuwen na afloop op de schouders gehesen. Hij had opnieuw bewezen een klasse keeper te zijn met ‘feeling’ voor talloze (18) hoekschoppen en met een ongelooflijke reflex bij verraderlijke inzetten. Zo intens beleefde Van Leeuwen zijn hoofdrol, dat hij tijdens zweefsprongen nog de tijd vond enige show op te voeren.’ Aan één uitval had GVAV in De Meer voldoende om de volle winst te grijpen.

Tonny van Leeuwen voor GVAV in actie tegen Ajax.
foto: NOS
Fransen zag zijn kans schoon bij een slordige uitworp van keeper Bals. “Suurbier kreeg de bal tegen zijn rug en ik ben er meteen op afgevlogen. Bij de achterlijn moest ik nog even wachten tot er iemand van ons voor hun doel verscheen.’De Deen Ole Fritsen, met Fransen de enige GVAV’er op vijandelijke helft, scoorde uit de afgemeten voorzet. Het kampioens- feest van Ajax, dat het seizoen zou afsluiten met de nooit geëvenaarde score van 122 doelpunten voor, moest een week worden uitgesteld.

Hoogst persoonlijk stelde Van Leeuwen in de Amsterdamse De Meern het kampioenschap van Ajax uit. In de hoofdstad neutraliseerde hij liefst achttien corners. De stunt met de zege van 1-0 dankte GVAV uitsluitend aan de op revanche beluste uitblinker. Mede op basis van deze wedstrijd won hij het vertrouwen van bondscoach Georg Kessler terug.

Op 10 mei gunde Georg Kessler hem een herkansing als international. Maar in Boedapest faalde Tonny van Leeuwen ook opzichtig tegen de Hongaren.

Vijf minuten was dit EK-duel oud of Van Leeuwen had bij een strafschop het nakijken. De vroege tegentreffer maakte hem opnieuw onzeker en toen hij mistastte bij een hoge voorzet, waardoor Hongarije op 2-0 kwam, was zijn interlandloopbaan voorbij. In de rust werd hij vervangen door Doesburg, Nederland kwam nog terug tot 2-1, maar tussen Van Leeuwen en Kessler was het over. Jan van Beveren, ook al voortgebracht door Sparta, werd de vaste keus van de bondscoach. Toen hij wist dat zijn kansen definitief waren verkeken, kwam Van Leeuwen met de ontboezeming dat hij tegen Hongarije in de rust een schouder- blessure had voorgewend. “Maar de werkelijkheid was anders. Ik kon er niet meer tegenop.”

Later gaf hij toe dat hij niet was opgewassen tegen de vreemde spanning en druk, en dat hij bij het Nederlands elftal de gemoedelijke kameraadschap miste van zijn gabbers bij GVAV. De clubkeeper verwelkte in een voor hem onbekende entourage en kil klimaat.

Die geestelijke blokkade zou nou voer zijn voor een mental coach, maar in die tijd bekommerde een trainer zich slechts om de tactische en fysieke scholing. Zeker een behoudend type als Ludwig Veg, een stugge Oostenrijker die gedurende vier seizoenen (1965-1969) wel twee keer als zesde finishte.

Toen hij in de kranten las dat Kessler hem afviel, zou hij hebben geroepen: “Verbrand maar met je Nederlands elftal. Ik stop ermee.”

Enkele maanden later bedankte hij voor het nationale elftal, omdat hij zich mentaal niet in staat voelde het doel naar behoren te verdedigen. Later kwam hij hierop terug, maar hij werd niet meer opgeroepen. Naast zijn twee interlands zat hij dertien keer op de reservebank en kwam hij uit voor Jong Oranje, Nederland B en het Nederlands militair voetbalelftal.

In het seizoen 1967-’68 werd GVAV nog eens zesde, maar daarna voerde het verval de club van Van Leeuwen naar de eerste divisie. Na de beschamende degradatie rechtten de Groningers de ruggen en in één seizoen was GVAV weer terug in de eredivisie. Martin Koeman was aanvoerder, Piet Fransen na tweeëneenhalf jaar teruggekeerd van Feyenoord en Tonny van Leeuwen bijna een heel seizoen onpasseerbaar.

Piet Fransen (de voetballende melkboer): “Bij GVAV was hij en niemand anders de baas in het strafschopgebied. Als er een hoge bal voor onze goal kwam, lagen wij al in een sprint om uit de zestien weg te komen. Dat Tonny ‘m zou pakken was zo zeker als wat. Achteraf zeg ik: Tonny van Leeuwen was een grootheid, maar alleen bij zijn club. Hij was de allerbeste clubkeeper ter wereld.”

“Hij wilde balletjes van drie meter, hard en recht op de borst. Die liet-ie dan even lekker natrillen. Ik moest het niet flikken om met een pisboogje te beginnen, want dan was ik m’n leven niet zeker. Ik heb het wel eens gedaan, zo’n smerig lobje voor de lol, maar de bal lag nog niet in het doel of ik was al op weg naar de andere kant van het veld. Hij kwam je achterna hè. ‘Dick Bosschieter, een jongen met een verschrikkelijk goede schijnbeweging, was hier net een week binnen toen hij Tonny van Leeuwen op de training naar de verkeerde hoek stuurde. Die Bosschieter had de grootste lol, maar Tonny begon te blazen. Ik zei: doe dat nou niet weer Bosschieter, want het kan je dood worden. Even later flikt-ie ‘t nog een keer. Ik heb m’n ogen dichtgedaan toen Tonny op hem afvloog. Een week of acht is Bosschieter uit de roulatie geweest”.

‘MARTIN KOEMAN: “Een betere keeper dan Van Leeuwen heb ik nooit gezien. Hij was zwaar, maar toch heel atletisch. Hij keepte op souplesse en hij wist het goed te verkopen. Hij had gevoel voor show, maar kon goed zijn concentratie bewaren. Alleen als er wrijving met een tegenstander was, kon hij wel eens z’n kop verliezen. Dan wilde hij meteen z’n goal uit, er invliegen, de vuist er onder. ‘Zoals die keer in Maastricht toen Van Leeuwen slaande ruzie kreeg met Nico Mares, de druktemaker in de voorhoede van MVV. Koeman: ‘Die kreeg een optater van jewelste. Tonny werd er uitgestuurd en Piet moest in het doel.’ Fransen: ‘Naderhand zei Tonny nog dat hij helemaal niet aan die Mares was geweest.”

Nou hij gaf hem een klap die ze in Kerkrade hebben kunnen horen. Mares, die een paar keer lelijk op hem door was gelopen en ‘m zelfs in de bek had gespuugd, moest er af met een gebroken kaak.”

In de City Bar aan de Gelkingestraat was Tonny van Leeuwen de getapte jongen. Z’n witte Mercedes parkeerde hij na de zondagse wedstrijd en na menige doordeweekse training pontificaal voor het café op de stoep en geen agent die hem durfde te bekeuren. Aan de bar werd Van Leeuwen, die het hoogste woord had, geflankeerd door Fransen en Koeman.

In het nisje van de City Bar hielden de GVAV’ers die wat minder hoog in aanzien stonden zich gedeisd. Maar Van Leeuwen zorgde er voor dat ook zij geen moment droog kwamen te staan. Piet Fransen: “Tonny was goed van rondjes geven. Je moest echt je best doen om een keer aan de beurt te komen.’ Martin Koeman: ‘En hij ging maar door. Even een uurtje weg, was een gevleugelde uitspraak van hem. En als het dan weer eens zes uur ‘s ochtends was geworden, zei hij: ik kon niet wegkomen, ik kon gewoon níet wegkomen.”

Ondanks dat er enkele keren interesse was van andere ploegen, waaronder Anderlecht, bleef Van Leeuwen GVAV trouw. Hij speelde als semi-prof en was naast zijn voetbal- loopbaan vertegenwoordiger voor sportartikelenfabrikant Quick. In 1969 stond hij enkele maanden aan de kant na een dubbele knieoperatie. In 1970 degradeerde hij met GVAV naar de Eerste divisie. Dankzij een tweede plaats achter FC Den Bosch werd na één seizoen weer promotie afgedwongen. Met zeven tegengoals was Van Leeuwen de minst gepas- seerde doelverdediger in het Nederlands betaalde voetbal.

In 23 eerste-divisiewedstrijden hield hij de nul. Op 14 juni 1971 stapte de minst gepasseerde keeper uit het beroepsvoetbal (zeven tegentreffers in dertig wedstrijden) in zijn witte Mercedes en reed naar Rotterdam om in de Embassy nachtclub een prijs, duizend gulden en een trofee, op te halen. In het Hilton-hotel was een kamer voor hem gereserveerd, maar Van Leeuwen sloeg het aanbod om in Rotterdam te overnachten van de hand. Hij wilde naar huis, het Drentse dorp Peize, vlak onder Groningen, en kroop in het holst van de nacht weer achter het stuur. Zijn vrouw Geri lag naast hem te slapen toen hij rond vijf uur ‘s morgens op Rijksweg 32 ter hoogte van Meppel, net na een flauwe bocht naar rechts, op de verkeerde weghelft belandde en frontaal op een truck met oplegger, die betonbuizen vervoerde, botste. De vermoedelijk door slaap overmande Van Leeuwen was op slag dood. Zijn vrouw overleefde de klap.

De vrachtwagenchauffeur uit Drachten, met zijn 28 jaar even oud als Van Leeuwen, ook, zij het dat hij zwaar gewond raakte. Piet Fransen, zijn maatje bij GVAV, wilde het noodlottige nieuws niet geloven.

De GVAV’ers Piet Fransen, Wim Visser, Jan Schipper, Dick van Vlierden, Frans Guns, Peter Eimers, Jaap Bos en de jonge Hugo Hovenkamp droegen de kist naar het graf met z’n witte zerk. Piet Fransen: “Eimers en Schipper hadden het bloed in de handen staan, zo krampachtig tilden ze de kist. Ze waren bang dat ze ‘m niet konden houden. Ik zei: verdomme nog aan toe. Wij laten Tonny niet vallen, dat is ondenkbaar.”

Ter nagedachtenis aan Van Leeuwen werd vanaf 1972 de trofee voor de minst gepasseerde doelverdediger in het Nederlandse betaalde voetbal naar hem vernoemd. Het bronzen beeldje was een initiatief van het voetbaltijdschrift Voetbal International. De Tonny van Leeuwen-trofee werd uiteindelijk zestien keer uitgereikt. De prijs verdween achter de coulissen tot 2017, maar herleefde na dertig jaar mede door de supportersvereniging van FC Groningen en de bijval van het Nieuwsblad van het Noorden. Als eerbetoon aan een onvergetelijke keeper, die in dienst van GVAV wonderen kon verrichten. Met een standbeeld voor de Euroborg zal, mag en kan de herinnering aan deze lokale legende vooralsnog onmogelijk vervagen…….

FC Groningen eerde hem door de zuidtribune van het Stadion Oosterpark naar Van Leeuwen te vernoemen. Ook verwijst er een straat in Groningen naar hem: de Tonny van Leeuwenlaan, en draagt een Spurt (trein) zijn naam. Op 23 oktober 2011 werd bekendgemaakt dat ook in het nieuwe stadion van FC Groningen, de Euroborg, een tribune naar Van Leeuwen vernoemd zal worden. Er is hier gekozen voor de Noord curve waar de fanatieke aanhang staat.

Jaren na zijn overlijden werd bekend dat Van Leeuwen naast zijn twee kinderen bij zijn echtgenote, een buitenechtelijk kind had. Richard Vennema werd geboren in 1967 en speelde net als zijn vader als doelverdediger in het betaalde voetbal. Hij kwam tussen 1988 en 1999 uit voor achtereenvolgens SC Heracles en Veendam.

12. Jan Jongbloed (1959-1986 : 24 interlands)

Jan Jongbloed (Amsterdam, 25 november 1940) speelde 24 interlands voor het Nederlands elftal. Noem zijn naam en de records vliegen je om de oren: meeste wedstrijden in het betaald voetbal (717), langste tijd niet gepasseerd als keeper (683 minuten), oudste prof (44 jaar). De voetbalwereld verloor in korte tijd Cruijff en Keizer, maar de oudste van de WK-finale in 1974 is er nog.

Jongbloed verdedigde het doel van DWS, DWS/A, FC Amsterdam, Roda JC, Go Ahead Eagles en van het Nederlands elftal tijdens de WK-toernooien in Duitsland (1974) en Argentinië (1978). Zijn interlandloopbaan beslaat zestien jaar. In 1960 was hij reeds reserve achter Eddy Pieters Graafland bij een trip naar de Nederlandse Antillen. In 1962 maakte hij zijn debuut toen hij inviel voor Piet Lagarde. Jaren daarna werd Jongbloed niet opgeroepen, tot 1974 toen hij in de aanloop naar het WK in dat jaar plotseling eerste keus werd. Jongbloed bezat die specifieke kwaliteiten die bondscoach Rinus Michels zocht; hij kon door zijn voetballende kwaliteiten min of meer laatste man spelen. Bovendien was de vaste doelman Jan van Beveren (PSV) langdurig geblesseerd.

Jongbloed stond bekend om zijn gedurfde speelstijl. Zo keepte hij tijdens de WK finale van 1974 met blote handen, “want anders kun je de bal niet voelen” aldus Jongbloed.

Op een uit Paraguay wordt Jongbloed gepasseerd in de finale van het WK van 1978. Hij was een zogeheten ‘meevoetballende’ keeper, die regelmatig buiten het eigen strafschop- gebied kwam. Hij brak als international een keepersrecord: 683 minuten zonder tegen- doelpunt. Ook is hij nog steeds recordhouder voor wat betreft het aantal gespeelde wedstrijden in het betaalde voetbal (717). Een aanbod van Ajax om in 1974 naar die club te verhuizen sloeg hij af. Hij wilde zijn vrije visdag niet opofferen voor een extra trainings- dag. Hij runde naast zijn bestaan als profvoetballer ook nog een sigarenwinkel annex hengelsportzaak. Jongbloed is zelf een verwoed sportvisser en heeft menigmaal te kennen gegeven het vissen nog leuker te vinden dan het voetbal.

Jan Jongbloed onderschept een Duitse aanval tijdens de WK finale in 1974.
foto: Onbekend
Zijn tweede carrière in de voetballerij begon destijds bij Haarlem. “Ik moest vanwege hernia stoppen als keeper bij Roda JC. Hans van Doorneveld vroeg of ik zijn assistent wilde worden.” Toen lijf en leden het weer enigszins toelieten, belandde Jongbloed op 41-jarige leeftijd toch weer onder de lat.

In maart 1983 klopte, het in acuut degradatie gevaar verkerende, Go Ahead Eagles aan bij keeper Jan Jongbloed. De club was naarstig op zoek naar een ervaren sluitpost en de op dat moment 42-jarige oud-international ging na enig aandringen overstag, ondanks dat hij al 1,5 jaar gestopt was. Een opvallende onverwachtse comeback in de eredivisie die veel stof deed opwaaien in het voetbalwereldje. Wonderwel bleek de noodgreep een groot succes, want na de komst van de routinier won Go Ahead Eagles zes van de nog resterende elf wedstrijden. Ruim voldoende om rechtstreeks handhaving op het hoogste niveau te waarborgen. Jongbloed wist van geen ophouden en startte het seizoen daarna ook gewoon weer als eerste keeper.

Na een wisselvallige start van de competitie stond in de 6e speelronde, op 23 september 1984, Sparta-uit op het programma. De Eagles verloren het harde duel met 2-1, maar tijdens de wedstrijd speelde zich op een ander veld in Amsterdam, zonder dat hij er weet van had een persoonlijk drama af voor de familie Jongbloed. Direct na het laatste fluit- signaal op het Kasteel werd Jan Jongbloed opgevangen door voorzitter Nieuwdorp en trainer Wullems van Go-Ahead om hem te confronteren met een vreselijk bericht. Zijn 21-jarige zoon, Eric, bleek tijdens een wedstrijd met het Amsterdamse D.W.S., waar hij keeper van het eerste elftal was, getroffen te zijn door de bliksem. Op het zelfde moment dat zijn vader de wedstrijd tegen Sparta keepte probeerde men zijn zoon te reanimeren. Overmand door emoties en zonder zich aan te kleden werd Jongbloed met zijn eigen auto naar het ziekenhuis in Amsterdam-Noord gereden. Bij aankomst bleek Jongbloed Jr. al aan zijn verwondingen te zijn bezweken.

Eric Jongbloed was, net als zijn vader, een getalenteerd keeper en speelde al op jonge leeftijd in de hoofdmacht van D.W.S. De club waar zijn vader zijn carrière ook begonnen was. Het geluk lachte hem toe. Hij was dolgelukkig met zijn verkering, Jacqueline Swart, de dochter van Mr. Ajax Sjaak Swart. Zijn ouders waren kort daarvoor uit elkaar gegaan, maar met de nieuwe vriend van zijn moeder, acteur Maarten Spanjer, kon hij het goed vinden. Zijn schoonvader zag ook het talent van Eric en, ondanks dat ras-ajacied Swart normaal gesproken niets moest hebben van D.W.S.’ers, kon hij het ook erg goed vinden met zijn schoonzoon. Hij probeerde hem zelfs over te halen om over te stappen naar Ajax.

Het moet een onwerkelijk schouwspel zijn geweest. Keeper Jan Jongbloed, in keepers- tenue, aan het rand van het ziekenhuisbed van zijn zojuist overleden zoon, eveneens getooid in zijn keeperstenue, onder toeziend oog van o.a. Sjaak Swart met zijn dochter. Zowel moeder als vader Jongbloed waren ontroostbaar. Eric had enkele dagen van te voren zijn moeder gevraagd om een nieuw keeperstenue. Het zelfde prachtige tenue dat zijn vader droeg bij Go Ahead Eagles. Een blauwe van Adidas. Zijn moeder vond deze te duur maar kocht het tenue alsnog na zijn overlijden. Maarten Spanjer kocht nieuwe passende keepershandschoenen. Eric Jongbloed droeg beiden een paar dagen later in zijn kist. Zijn voetbalschoenen stonden tijdens zijn uitvaart er bovenop, terwijl deze door zijn teamgenoten werd weggedragen naar zijn laatste rustplaats.

De rouwadvertenties in de Telegraaf van 25 september 1984 spraken boekdelen. Met name de advertentie van zijn moeder ging door merg en been. Het bestond uit een regel. Een regel die alles vertelde: “De bliksem was sterker dan mijn liefde.” Je moeder.

Jongbloed was 45 jaar toen hij zijn profcarrière beëindigde, vanwege een hartinfarct tijdens het duel HFC Haarlem-Go Ahead Eagles. Velen menen dat Jongbloeds verdiensten zijn ondergewaardeerd. Zo kwam hij niet voor op de lijst van 100 beste Nederlandse voetballers, die Henk Spaan voor dagblad Het Parool had samengesteld. Desgevraagd noemde Jongbloed het een “klotelijst” omdat hij er niet op voor kwam.

De waarheid van Jan Jongbloed is eenvoudig verpletterend. Bijvoorbeeld in zijn antwoord op de vraag of hij niet te vroeg geboren is, gezien de huidige verdiensten in de voetballerij. Natuurlijk niet, zegt Jongbloed dan. “Anders had ik mijn vrouw en mijn latere vriendin niet ontmoet.” Of op de vraag of hij nog herinneringen aan het roemrijke verleden bezit. Dan zegt hij: “Waarom? Ik heb het toch allemaal zelf meegemaakt.” Toch staan er twee dozen met knipsels en foto’s in het huis van de man die Neerlands doel bewaakte in de twee belangrijkste interlands: de WK-finales van 1974 en 1978.

Die verzameling is dan ook niet door hem zelf aangelegd. Nadat zijn oudste broer was overleden, kwamen de dozen tot Jongbloeds stomme verbazing tevoorschijn. “Ik wist wel dat hij trots op me was, maar dit was een enorme verrassing.” De dozen hebben door hun herkomst extra betekenis. “Door mijn broer ben ik eigenlijk gaan voetballen.” Jongbloeds broer stierf aan een hartinfarct, een familiekwaal. Hijzelf heeft er nu twee
overleefd.

Na zijn loopbaan werd Jongbloed assistent-trainer bij Vitesse. Tot het einde van het seizoen 2009/2010 was hij actief in die functie. Vitesse gaf toen te kennen niet verder te willen met de oud-international. De Zaanse amateurvereniging Hellas Sport legde Jongbloed daarop vast als technisch adviseur. Jongbloed is nu nog steeds actief als jeugdtrainer bij het Zaanse De Zilvermeeuwen.

13. Nico van Zoghel (1960-198? : 0 interlands)

Nico van Zoghel (Soesterberg, 22 mei 1943) begon zijn loopbaan in 1960 bij VV DOS. In 1964 stapte hij over naar Go Ahead en in 1974 verruilde hij Go Ahead Eagles voor BV De Graafschap. Hij keerde in 1977 terug bij de Eagles en stapte in 1979 over naar SC Amersfoort waar hij zijn loopbaan besloot. Hij verdedigde zijn doel met verve (alleen Eredivisie) in het niet misselijk aantal wedstrijden van 614!

Hij speelde voor Jong Oranje en werd ook geselecteerd voor het Nederlands voetbalelftal waarvoor hij nooit in actie kwam. Met zeven doelpunten is Van Zoghel de keeper die de meeste doelpunten in de eredivisie gemaakt heeft en dat maakt hem de meest scorende Eredivisie-keeper aller tijden. Het waren alle penalty’s. Van Zoghel is bovendien de enige die voor twee verschillende clubs scoorde: DOS en Go Ahead Eagles.

Nico van Zoghel in actie voor Go Ahead Eagles tegen Ajax.
foto: Onbekend
Van Zoghel werd trainer en was van 1985 tot 1988 coach van Go Ahead Eagles. In 1992 werd hij gedurende het seizoen trainer van SVV/Dordrecht’90 maar kon de degradatie uit de eredivisie niet voorkomen. Met de weer in Dordrecht’90 gewijzigde ploeg promoveerde hij weer na het kampioenschap in de eerste divisie in 1994. Hij was keeperstrainer bij De Graafschap en SBV Vitesse en assistent-trainer bij NAC onder Ton Lokhoff. In het seizoen 2007/08 was hij
was hij trainer van DVC’26.

14. Pim Doesburg (1962-1987 : 8 interlands)

Willem (Pim) Doesburg (Rotterdam, 28 oktober 1943) speelde gedurende vijftien jaar, verdeeld over twee periodes, meer dan 600 wedstrijden in het eerste elftal van Sparta. Met dat aantal is de in 1943 geboren doelverdediger de man met de meeste duels in het rood-wit van de Kasteelclub en is hij tevens de speler met de meest gespeelde duels op Het Kasteel. Tijdens zijn carrière als speler droeg hij, eveneens gedurende twee periodes, ook nog meer dan 200 duels het shirt van PSV. Pim Doesburg was als speler te vergelijken met een vaatje buskruit. Als iets hem niet zinde of er ging in het veld iets mis, ontplofte de doelman. Hij was daardoor echter wel een fanatieke en daardoor nuttige doelwachter die tot zijn 43e met dezelfde overgave speelde.

Doesburg groeide op in Oud-Mathenesse, op vijf minuten lopen van Het Kasteel. Aan de hand van zijn vader, die elk thuisduel bezocht met de oudere broer van Pim, kwam hij in aanraking met Sparta. Dat Doesburg bij die club zijn eerste stappen zou zetten op een voetbalveld stond zodoende min of meer in de sterren geschreven. Toch klinkt dat eenvoudiger dan het indertijd allemaal was. Voordat Doesburg zich officieel Spartaan mocht noemen, moest hij eerst verschijnen voor de ballotagecommissie, die middels een strenge selectie het kaf van het koren moest scheiden.

Doesburg mocht zijn kunsten vertonen op het hoofdveld van Het Kasteel en werd uiteindelijk aangenomen door toenmalig jeugdtrainer Piet de Visser, die hij later zou typeren als de man die hem de grondbeginselen van het (keepers)vak heeft geleerd.

Toch had het niet veel gescheeld of de doelman was zijn professionele carrière niet in Rotterdam-West, maar in Rotterdam-Zuid begonnen. “Een Spartaan gaat nooit naar Feyenoord, of hij moet tien keer slikken. Ikzelf liep op mijn zestiende uit boosheid over naar de linker Maasoever. Wijlen Tonny van Leeuwen was vaste keeper van de A1 en ik vond mij als doelman van de A2 tekort gedaan”, vertelde Doesburg in 1988 tegen De Telegraaf.

“Zo kwam ik bij Feyenoord, maar in de sfeer die ik daar aantrof kon ik niet aarden. En toch kende ik alle jongens bij Feyenoord. Ik was blij dat ik na zes weken weer over de Maasbrug was… De rechter- en de linkeroever… Ach, dat is een wereld van verschil. Een stad, maar totaal verschillende mensen.”

Uiteindelijk belandde Doesburg in een andere hoedanigheid later alsnog in De Kuip. Na zijn actieve voetballoopbaan keerde Doesburg Sparta de rug toe en diende hij Feyenoord bijna 20 jaar als keeperstrainer, iets wat enkele met name oudere Spartanen hem (na zijn eerdere uitspraken) nog altijd aanrekenen.

Debuteren deed Doesburg gewoon bij Sparta, op Het Kasteel, tegen Blauw-Wit. Als gevolg van een blessure bij wijlen Tonny van Leeuwen kreeg de 18-jarige Doesburg van toenmalig trainer Denis Neville een kans die hij met beide handen aangreep. Hier maakte hij zoveel indruk dat hij in oktober van zijn eerste seizoen reeds werd opgeroepen voor het Neder- lands voetbalelftal.

Waar generatiegenoot Van Leeuwen werd gezien als de toekomstige eerste doelman, moest hij toezien hoe Doesburg hem die mogelijkheid in 1962 ontnam. Met name in zijn derde wedstrijd tegen PSV, eindigend in een 0-0 gelijkspel, maakte Doesburg een onuitwisbare indruk. Van Leeuwen vertrok niet veel later naar GVAV, de voorloper van het latere FC Groningen.

Doesburg groeide uit tot een vaste waarde in het eerste elftal en ontpopte zich tot een meer dan betrouwbare sluitpost. Teamgenoten herinneren hem als bloedserieus en bloed- fanatiek. Sportjournalist Herman Kuiphof typeerde hem in 1986 in het NRC Handelsblad als volgt: “Een schreeuwlelijk die zijn medeverdedigers vaak de afschuwelijkste ont- beringen toewensten, maar tegelijkertijd een van de beste doelverdedigers van ons land en een gouden jongen wat betreft toewijding, inzet en geestdrift voor zijn prestaties.”

In 1966 won hij met Sparta de KNVB beker. Die zomer nam de club de jonge Jan van Beveren over van VV Emmen, waarmee Doesburg er een grote concurrent bij kreeg.

In april 1967 maakte hij onder bondscoach Georg Keßler zijn debuut in het Nederlands voetbalelftal in een vriendschappelijke interland tegen België. Enkele weken later speelde hij zijn tweede interland tegen Hongarije.

In de zomer van 1967 werd hij, nadat hij de concurrentiestrijd met Jan van Beveren had verloren, samen met Gerrie ter Horst betrokken in een spelersruil met PSV. Doesburg en Ter Horst gingen van Sparta naar PSV, terwijl Lambert Verdonk en Miel Pijs de omge- keerde weg bewandelden. Na een moeilijke start, vond hij snel zijn draai bij PSV. Toch ging zijn tijd bij PSV niet over rozen. In 1968 eindigde de Eindhovense ploeg op een dramatische 14e plaats van de eredivisie. Het jaar erop plaatste de club zich met een vijfde plaats ter nauwer nood voor de Europacup III. In november 1969 maakte Doesburg een fatale fout in een Europacupwedstrijd tegen AS Roma, waarna de ploeg werd uit- geschakeld. Deze fout werd Doesburg lang nagedragen door trainer Kurt Linder.

In 1970 keerde Doesburg terug naar Sparta, terwijl Van Beveren dus juist de omgekeerde weg bewandelde. PSV betaalde daarnaast nog een flinke vergoeding aan Sparta. Gedurende tien jaar was Doesburg eerste keeper van Sparta. Hier groeide hij uit tot een vaste waarde in het elftal en werd alom gezien als betrouwbare doelman. In 1979 werd hij, op 35-jarige leeftijd, door bondscoach Jan Zwartkruis teruggehaald bij het Nederlands elftal, waarvoor hij tot 1981 nog eens zes wedstrijden zou spelen.

1981: Feyenoord tegen PSV 0-1, redding van PSV-doelman Pim Doesburg
foto: Hans van Dijk / Anefo
In 1980, nadat Van Beveren besloten had zijn contract bij PSV niet te verlengen, meldde PSV zich weer voor de inmiddels 36-jarige Doesburg, waarna deze opnieuw de overstap maakte naar Eindhoven. Wel moest er weer een bedrag van 250.000 gulden worden bijgelegd. Pim Doesburg was vier seizoenen eerste keeper van PSV, tot de club in 1984 Hans van Breukelen overnam van Nottingham Forest FC. Hierna fungeerde Doesburg nog drie seizoenen als reservekeeper bij PSV, waarmee hij de landstitels van 1986 en 1987 meemaakte. Hij werd indertijd de best betaalde bankzitter an Nederland genoemd.

In al die jaren wint hij drie prijzen: de KNVB beker met Sparta en twee landskampioen- schappen met PSV, in 1986 en 1987. Doesburg komt ook nog acht keer uit voor Oranje.

Na zijn actieve voetballoopbaan keerde Doesburg terug naar Sparta, waar hij keepers- trainer werd. Daar kreeg hij te maken kreeg met de jonge Ed de Goeij. In de zomer van 1989 maakte hij de overstap naar Feyenoord, waar hij ook verantwoordelijk werd voor de keeperstrainingen. Die functie combineerde hij in eerste instantie met het hoofdtrainer- schap van de Rotterdamse amateurclub Neptunus. Na een half jaar bood hij echter zijn ontslag aan bij Neptunus, omdat hij zich niet kon vinden in de instelling van de amateurvoetballers.

In februari 1990 werd Doesburg, kort na het ontslag van Thijs Libregts, door de KNVB toegevoegd aan de staf van het Nederlands voetbalelftal. Hij werkte uiteindelijk tien jaar voor Oranje en maakte in die jaren bondscoaches Leo Beenhakker, Rinus Michels, Dick Advocaat, Guus Hiddink en Frank Rijkaard mee. Na de aanstelling van Louis van Gaal legde hij zijn functie neer, om zich weer volledig te kunnen richten op Feyenoord.

Doesburg startte tijdens zijn actieve carrière enkele sportzaken, die fungeren als familiebedrijf.

15. Heinz Stuy (1963-1978 : 0 interlands)

Heinz (Henk) Stuy (Wanne-Eickel, (Duitsland), 6 februari 1945) begon in 1963 zijn loopbaan bij Telstar. Vier jaar later vertrok hij naar Ajax waar hij in eerste instantie tweede doelman werd achter Gert Bals. Toen Rinus Michels, na de verloren EC 1 finale tegen AC Milan, de bezem door het elftal haalde raakte Bals zijn plek kwijt en werd Stuy de on- betwiste nummer één. Hij bleef tot 1976 bij de godenzonen.

Op de palmares van Heinz Stuy prijken liefst drie Europa Cup 1-titels. Een aantal om bijzonder trots op te zijn. Desondanks verdedigde hij – opmerkelijk genoeg – nooit het doel van Oranje. Stuy, in de volksmond ook wel Heinz Kroket genaamd, had te maken met flinke concurrentie. Een mooie interlandcarrière was zodoende niet voor Stuy weggelegd.

Voorafgaande aan het WK van 1974 werd Stuy wél opgenomen in het Paniniboek, maar mee afreizen naar West-Duitsland deed hij niet. Desondanks kan de doelman van Telstar, Ajax en FC Amsterdam terugkijken op een mooie loopbaan. Een loopbaan waarin hij prijzen veroverde, records vestigde én regelmatig het mikpunt van spot was.

Stuy’s bijnaam was ‘Heinz Kroket’, ontstaan uit een grap van supporters, omdat hij vaak een hoge bal uit de lucht haalde, losliet alsof het een hete kroket was en vervolgens in tweede instantie de bal pas klemvast pakte. Zo deed hij dat ook tijdens de spectaculaire Europa Cup I finale tegen het Griekse Panathinaikos op Wembley.

Tijdens de eerste Europa Cup 1-finale van Stuy, die behalve keeper ook acteerde als een soort van libero, deed Heinz Kroket zijn naam wederom eer aan. Zodra Stuy, die volgens trainer Rinus Michels ook te ver uit zijn doel kwam, tegen Panathinaikos een bal probeerde te vangen, hielden de aanhangers van Ajax hun hart vast.

Regelmatig klonk het ook ‘hij laat hem los!’ in de Nederlandse huiskamers, zodra de commentator van dienst Stuy de bal weer eens niet klem zag hebben. Ondanks zijn capriolen won Ajax het duel met 2-0, door treffers van Dick van Dijk en Arie Haan.

Vier dagen na de verovering van de eerste Europa Cup 1 – ten faveure van het Griekse Panathinaikos – ging de kersverse Europa Cup-winnaar in 1971 met 4-1 onderuit. Voorafgaand aan die wedstrijd dacht Go Ahead-trainer Barry Hughes even dat hij spoken zag. Zijn collega Rinus Michels had namelijk een verrassing in petto door eerste keeper Heinz Stuy als aanvaller te posteren, het gevolg van een weddenschap. “Dat begon met de wedstrijd tegen Feyenoord, die we een paar dagen voor de finale tegen Panathinaikos speelden”, blikt Stuy terug. “Ik haalde in die wedstrijd wel zes, zeven ballen weg op het middenveld. Na afloop zei Michels: Heinzie, jij mag in Londen tegen die Grieken niet zo ver uitlopen, maar als je de nul houdt mag je tegen Go Ahead Eagles in de spits spelen.”

En zo geschiedde. Ajax won met 2-0 en Michels hield woord. Hoewel Stuy enigszins terugkrabbelde. “Ik zei in de feestvreugde tegen Michels dat het voor mij niet zo nodig hoefde, maar hij was onverbiddelijk en zei: een weddenschap is een weddenschap.” Tijdens de wedstrijdbespreking voor de ontmoeting met Go Ahead klonken woorden van gelijke strekking: “Heinzie gaat in de spits en Sies Wever op de goal.” En dus trekt de doelman van het gouden Ajax stilzwijgend het spelers-tricot aan, hetgeen als snel leidt tot hilariteit. “Eenmaal in de catacomben zag Hughes mij ineens in een Ajax-shirt lopen, waarna hij begon te schreeuwen: he’s a goalkeeper, this is unbelievable.”

Heinz Stuy hield drie achtereenvolgende Europa Cup finales de nul
foto: Hans van Dijk / Anefo
Stuy was een meevoetballende keeper en dus een soort tweede libero en de enige doelman die in drie achtereenvolgende Europa Cup finales de nul hield. Stuy is houder van het individuele record van de meeste minuten zonder tegengoal (1.082 minuten). Hij verloor het club-record in december 2004 aan PSV die dit echter wisten te behalen met twee verschillende keepers, Heurelho Da Silva hield 920 minuten het doel schoon en Edwin Zoetebier ook nog eens 239 minuten. PSV is als club nu de recordhouder, omdat zij echter twee keepers gebruikten is Stuy nog wel de persoonlijke recordhouder. Toen PSV dit record verbrak ontving Stuy een bos bloemen van een aantal PSV supporters. Dit was een tegenactie op zijn belofte om de maker van het doelpunt dat het record voor PSV zou verpesten, een bos bloemen te sturen.

In 1976 verruilde Stuy Ajax voor FC Amsterdam. Piet Schrijvers volgde hem op.

De stripfiguur Heinz van Windig en De Jong is indirect naar hem genoemd. In 2005 werd de brug 334 in Amsterdam naar hem vernoemd. Heinz Stuy runde jaren een succesvolle bodega in Driehuis, maar deed deze in 2007 van de hand. Tussen 1988 en 1998 heeft Stuy (met een onderbreking) gefunctioneerd als keepertrainer bij de club waar hij als voetballer was begonnen: Telstar.

16. Jan van Beveren (1965-1986 : 32 interlands)

 

Lees een uitgebreid portret over Jan van Beveren op 101 Voetbaliconen

 

17. Piet Schrijvers (1965-1985 : 46 interlands)

Piet Schrijvers (Jutphaas, 15 december 1946) kwam onder andere uit voor FC Twente, Ajax en het Nederlands elftal. Schrijvers speelde in zijn jeugd bij de amateurclubs VV RUC uit Utrecht en SEC uit Soest. Hij maakte op zestienjarige leeftijd zijn profdebuut voor het Amersfoortse HVC, dat op dat moment in de Nederlandse Tweede divisie uitkwam. Tevens werd hij geselecteerd voor de Nederlandse UEFA-jeugd onder leiding van Georg Kessler. In 1965 werd hij ingelijfd door DWS uit Amsterdam, waar hij tweede keeper werd achter Jan Jongbloed. In zijn eerste seizoen bij DWS was hij lange tijd uitgeschakeld na een auto-ongeluk, maar in zijn tweede seizoen wist hij Jongbloed uit de basis te verdringen. Aan het einde van seizoen 1967/68 kwam hij echter op de transferlijst terecht, nadat de nieuw aangetrokken trainer Lesley Talbot aangaf meer vertrouwen in Jongbloed te hebben.

Door trainer Kees Rijvers werd Schrijvers vervolgens naar FC Twente gehaald. De ploeg deed verrassend lang mee om het landskampioenschap en werd uiteindelijk derde. Schrijvers was zes seizoenen de eerste keeper van FC Twente en speelde in deze periode 233 wedstrijden in de competitie, beker en Europacup. In seizoen 1970/71 reikte de ploeg tot de kwartfinale van de Jaarbeursstedenbeker, twee jaar later tot de halve finale van de UEFA Cup. Met Schrijvers en verdedigers als Kees van Ierssel, Epi Drost en Willem de Vries was Twente vooral in seizoen 1971/72 een moeilijk te passeren horde in de competitie, met slechts dertien tegengoals. Schrijvers ontving hiervoor de Tonny van Leeuwen-trofee. In seizoen 1973/74 werd Twente onder trainer Spitz Kohn tweede in de competitie.

Schrijvers werd in 1969 door bondscoach Georg Kessler voor het eerst opgeroepen voor het Nederlands elftal. Onder bondscoach František Fadrhonc maakte hij op 1 december 1971 zijn interlanddebuut, in een wedstrijd tegen Schotland. Meestal was Schrijvers reservedoelman achter Jan van Beveren. Toen deze wegens een liesblessure moest afzeggen voor het wereldkampioenschap voetbal 1974 rekende Schrijvers op speelminuten, maar Jan Jongbloed kreeg het vertrouwen van Rinus Michels.

Inmiddels had Schrijvers aan Twente te kennen gegeven niet door te willen gaan bij de Enschedese ploeg. Hoewel hij reeds in de winter van 1974 gesprekken voerde met Ajax, kwam het pas in juli tot een overeenkomst. In negen seizoenen kwam hij tot 269 competitiewedstrijden. Met Ajax werd hij vijf keer landskampioen en twee keer bekerwinnaar. In seizoen 1979/80 kwam Schrijvers met Ajax tot de halve finale van de Europacup I. Tevens wist hij zich vanaf 1975 op te werken tot eerste keeper van het Nederlands elftal. In de aanloop naar het wereldkampioenschap voetbal 1978 werd hij echter opnieuw gepasseerd ten faveure van Jongbloed. In de tweede ronde van het WK kreeg Schrijvers toch een kans en speelde hij met het steeds beter op dreef komende Nederlands elftal tegen Oostenrijk, West-Duitsland en Italië. Nadat hij in de laatste wedstrijd geblesseerd uitviel, zat hij in de finale tegen Argentinië op de tribune.

Schrijvers speelde negen seizoenen bij de Amsterdamse grootmacht. Hij keepte er 269 wedstrijden, vierde er vijf landstitels. Maar aan de wijze waarop Schrijvers bij Ajax vertrok hield hij een nare smaak over. “Ik had er zes seizoenen op zitten en kwam in 1980 wat later terug van het EK in Italië. Komt er bij Ajax een keeper op me af die zegt: “Hallo ik ben Hans Galjé’. Dus ik zeg: ‘Nou ik ben Piet Schrijvers. Ga snel naar het bestuur en vraag of je verhuurd mag worden. Want hier kom je niet aan spelen toe. Dat wordt op de bank zitten voor je’. Hij luisterde niet.”

Schrijvers won de concurrentiestrijd met Galjé glansrijk. Er knapte iets toen trainer Kurt Linder keeperstrainer Bobby Haarms op een zijspoor zette. Schrijvers kreeg het gevoel dat ze een stok zochten om hem te slaan. “Ik trainde stiekem twee keer in de week met Haarms in Aalsmeer. Die hield me wel fit. Op een vrijdagmiddag wilde Linder zelf keeperstraining geven. Dat werd helemaal niets. ‘Jij speelt zondag niet’, zei hij tegen mij. Het ging om een bekerduel tussen VUC en Ajax. Galjé mocht keepen. ‘Oké’, zei ik, ‘maar dan speel ik zaterdag in het tweede’. In mijn contract stond dat ik dan de rest van het weekeinde vrij zou zijn. Dat had mijn zaakwaarnemer Cor Coster geregeld. Dat wist niemand.”

“Ik was ook trainer van de amateurs van Abcoude en die konden op die zondag kampioen worden. Ik heb daar feest gevierd, terwijl Ajax dacht dat ik op de bank zou komen zitten. Niet dus. De volgende dag moest ik bij het bestuur komen. ‘Schrijvers, je hebt verzaakt. Je krijgt een boete van 1.500 gulden’, zeiden ze. ‘O’, zeg ik en haal mijn contract uit mijn zak. De heren wisten niet waar ze het zoeken moesten. Ik heb daarna geen wedstrijd meer gemist, maar wilde wel weg.”

28 augustus 1983 Piet Schrijvers tijdens Ajax – PEC Zwolle
foto: Rob C . Croes / Nationaal Archief
Hoewel hij in seizoen 1982/83 ondanks concurrentie van Hans Galjé en Sjaak Storm nog steeds de eerste doelman is van Ajax, besloot Schrijvers de club aan het einde van het jaar te verlaten. Na misgelopen onderhandelingen met Edmonton Eagles uit Canada en FC Groningen, tekende hij uiteindelijk bij PEC Zwolle. Schrijvers kwam in 1983 via de projectontwikkelaar Marten Eibrink bij PEC Zwolle terecht. De zakenman had grootste plannen met de club, die hij van de ondergang redde. “Hij wilde me graag hebben. Ik tekende voor drie jaar en mocht zelf bepalen wanneer ik zou stoppen. Daarna zou ik bij de technische staf komen. Het eerste jaar bij Zwolle was leuk. We hadden een ploegje met Amsterdamse bluf erin. Met spelers als John Rep, Alex Booy, Gerrit Visscher en Jantje Weggelaar draaiden we mee in de middenmoot. Ik maakte de gekste dingen mee. Eibrink kon vlak voor een training bellen met de vraag of ik niet even dertig Chinezen wilde rondleiden in het Dolfinarium. Dat was ook van hem. Die training haal je wel weer in, zei hij dan. Vond ik wel mooi.”

In dienst van Zwolle speelde hij nog zes interlands. Zijn laatste landenwedstrijd was op 14 maart 1984 tegen Denemarken. Nederland was inmiddels uitgeschakeld voor het EK van dat jaar en Schrijvers verloor zijn plek onder de lat definitief aan Hans van Breukelen. Na een moeizaam tweede seizoen bij PEC samen met zijn oude ploegmakker destijds bij FC Twente en Ajax, René Notten, maakte Schrijvers in april 1985 bekend na het seizoen te zullen stoppen met betaald voetbal. PEC Zwolle degradeerde aan het eind van dat seizoen 1984/85 uit de Eredivisie.

Nadat hij gestopt was als speler werd Schrijvers in 1985 de assistent van trainer Co Adriaanse van PEC Zwolle. In 1987 werd hij hoofdtrainer van FC Wageningen. Nadat hij bij Wageningen werd ontslagen was hij keeperstrainer bij FC Twente en FC Utrecht. In 1991 werd hij trainer van eerstedivisionist OP Oss. In 1994 wist hij met AZ bijna naar de Eredivisie te promoveren. Uit onvrede met het aantrekken van technisch manager Theo Vonk, leverde hij in november 1994 zijn contract met AZ in. Van 1995 tot 1996 was hij trainer van FC Zwolle. Later was hij nog keeperstrainer van PSV en van de nationale ploeg van Saoedi-Arabië en trainer van het Arubaanse SV Dakota en diverse Nederlandse amateurclubs.

De doelverdediger draagt ook een aantal bijnamen met zich mee: ‘De bolle van Zwolle’, ‘De beer van de Meer’ en ‘Het lek van PEC’; Als trainer van TOP werd hij weleens ‘De kolos van Oss’ genoemd.

18. Hans van Breukelen (1976-1994 : 73 interlands)

Johannes Franciscus (Hans) van Breukelen (Utrecht, 4 oktober 1956) kwam van 1976 tot en met 1994 uit voor achtereenvolgens FC Utrecht, Nottingham Forest en PSV. Hij speelde 73 keer voor het Nederlands voetbalelftal. Van Breukelen won met PSV zes keer het Nederlands landskampioenschap en in het seizoen 1987/88 de Europacup I. Met het Nederlands elftal werd hij in 1988 Europees kampioen.

Van Breukelen kwam via jeugdclub BVC (Biltse Voetbal Club) bij FC Utrecht terecht. In het seizoen 1976/77 debuteerde hij in het eerste elftal. In deze periode was hij ook leraar op het Tuinbouwonderwijscentrum in Utrecht. In het najaar van 1982 verhuisde hij naar het Engelse Nottingham Forest, waar hij twee seizoenen speelde.

In 1984 keerde Van Breukelen terug naar Nederland, waar hij een contract tekende bij PSV. Het was het begin van een bijzonder succesvolle periode in de carrière van Van Breukelen. Met PSV won hij zes landskampioenschappen, drie KNVB bekers en in seizoen 1987-1988 – als hoogtepunt – de Europacup I.

Soms zat het Hans van Breukelen niet mee. Tijdens de wedstrijd Feyenoord-PSV, 12 april 1987 gooide bij een 0-1 stand voor de Eindhovenaren een graspolletje roet in het eten. ‘Het polletje van Van Breukelen’ was geboren en is tot op de dag van vandaag misschien wel de meest gedenkwaardige keepersfout in het Nederlands voetbal.

Doelman Van Breukelen stopte twee zeer belangrijke strafschoppen in 1988 en ook nog eens op een cruciaal moment: De finale van de Europacup I werd uiteindelijk beslist met strafschoppen. Van Breukelen stopte de beslissende strafschop die werd genomen door Veloso (Benfica). Als in 2008 Edwin van der Sar, dan keeper van Manchester United, in de finale van de Champions League 2008 ook de finale beslist door de beslissende strafschop te stoppen, spreekt hij van zijn “Hans van Breukelen-moment”

Een paar weken later veroorzaakt hij een strafschop in de finale van het EK tegen Rusland. Hij stopte ook die strafschop en wint met Oranje het EK van 1988.

Bij een 2-0 voorsprong ging hij tegen de Sovjet-Unie in de fout en veroorzaakte de toenmalige sluitpost van PSV een strafschop. “Er viel een bal in de buurt van het strafschopgebied. Ik kwam mijn doel uit om de bal corner te tikken. Maar Sergei Gotsmanov maakte optimaal gebruik van mijn duik. Bloedlink was ik op scheidsrechter Michel Vautrot en dat werd er niet beter op toen Frank Rijkaard me ook nog op m’n flikker gaf,”.

In die periode maakte Van Breukelen gebruik van het befaamde boekje van Jan Reker. Daarin noteerde de toenmalige oefenmeester penalty’s van vele spelers uit de wereld. Voor elke wedstrijd had hij telefonisch contact met Van Breukelen om hem te melden wie een strafschop zou nemen en waar die speler zou schieten. “Ik hoopte maar dat Hans op tijd zou kalmeren, want van Igor Belanov hadden we meerdere penalty’s.” “Pas bij terugkeer naar Nederland, kwam ik er achter dat ik met mijn rechtervinger naar mijn rechteroog had gewezen.”

1988: In de EK finale veroorzaakt Hans van Breukelen een strafschop (die hij stopt)
foto: Onbekend
Na zijn loopbaan als speler werd Van Breukelen onder meer actief in bestuurlijke functies binnen de voetbalwereld. In 1996 weigerde hij de functie van directeur algemene zaken bij FC Twente en per 8 juli 1997 werd hij voor drie jaar aangesteld als directeur technische zaken van FC Utrecht. Daar vertrok hij per 1 augustus 2000. Op 1 juli 2010 werd hij lid van de raad van commissarissen van PSV. Van Breukelen was verder zelfstandig ondernemer bij HvB Management en directeur van Sports & Technology. Hij schreef boeken over voetbal en gaf managementtrainingen. In de eerste helft van 2016 reisde Van Breukelen enkele maanden door het land met een theatershow over het Europees kampioenschap voetbal van 1988.

De KNVB benoemde hem per 1 juli 2016 tot technisch directeur bij de voetbalbond. Van Breukelen ondertekende een overeenkomst voor drie jaar. Hierbij kreeg hij alle onder- delen van de voetbaltechnische kant van de bond in zijn portefeuille, onder meer de uitvoering van het rapport Winnaars van Morgen waar hij zelf aan meewerkte. Zijn functie bij PSV legde hij hiervoor per 1 juli dat jaar neer. In 2016 viel hij als Technisch Directeur van de KNVB door allerlei strubbelingen meteen in de spreekwoordelijke voetbalboter. Op 20 juni 2017 gaf de KNVB aan dat Van Breukelen op 1 augustus op eigen verzoek stopt als technisch directeur bij de nationale voetbalbond.

19. Joop Hiele (1977-1997 : 7 interlands)

Johannes Frederik (Joop) Hiele (Rotterdam, 25 december 1958) maakte in het seizoen 1977/78 zijn debuut voor Feyenoord. Hij was via amateurvereniging RVV Belvédére in De Kuip terecht gekomen. Dat seizoen kwam hij tot één optreden in Rotterdam. Het jaar daarna verdubbelde hij zijn aantal naar twee. Al snel werd gezien dat dit wel eens de keeper voor de lange toekomst zou kunnen zijn.

Hiele keepte tot 1990 voor Feyenoord waar hij 352 competitiewedstrijden in het doel stond. In de laatste jaren van Hieles periode als doelman bij Feyenoord, maakte Feyenoord onder Pim Verbeek en Gunder Bengtsson een sportief dieptepunt mee. Terwijl Hiele bij het Nederlands elftal was op het WK van 1990, moest hij van zijn vrouw vernemen dat er bij hem thuis een ontslagbrief was bezorgd. Hij werd bij Feyenoord opgevolgd door Ed de Goey.

Volgens eigen zeggen heeft Hiele het wereldrecord bankzitten bij Oranje op zijn naam staan. Hiele, van origine Feyenoorder, debuteerde op 10 september 1980 in de WK-kwalificatiewedstrijd in Dublin tegen Ierland (2-1 verlies), in het Nederlands elftal, net als Jan van Deinsen (Feyenoord), Ronald Spelbos (AZ’67) en Toine van Mierlo (Willem II).

In het winderige stadion van Dublin moest Hiele Piet Schrijvers vervangen. Het verjongde Nederlands elftal ging ten onder tegen de ontstuimige Ieren: 2-1.

Hiele was doorgestroomd uit Jong Oranje en had bij Feyenoord net een paar maanden eredivisie-ervaring. De nederlaag werd hem min of meer aangerekend. Daarna kreeg hij alleen nog een kans wanneer anderen in opspraak raakten.

Hiele moest vervolgens tot 1986 wachten voor hij voor de tweede maal mocht spelen. In de tussentijd moest hij aan Hans van Breukelen, Pim Doesburg en Piet Schrijvers voorrang verlenen, maar ook na zijn tweede interland bleef Hiele reserve.

Hij kreeg hij alleen nog een kans wanneer anderen in opspraak raakten. Zoals na het ‘polletje’ van Van Breukelen (1987, tegen Hongarije) en de ‘stress’ van Theo Snelders (1989, tegen West-Duitsland). In het laatste geval zou de dominante persoonlijkheid Hiele de doelman van Aberdeen op de kamer en tijdens de training zodanig uit zijn evenwicht hebben gebracht, dat deze bij bondscoach Libregts voor de eer bedankte.

Hiele probeerde dat gerucht te ontzenuwen. “Er moeten microfoontjes bij ons op de kamer zijn verstopt. Hoe kan iemand dat anders weten? De realiteit is dat ik geheel achter de beslissing stond om Snelders op te stellen. Ik was na een lange blessureperiode pas op tachtig procent van mijn krachten. Ik heb Snelders nog mijn handschoenen geleend voor de laatste training. Maar hij kon de druk eenvoudig niet aan.”

Feijenoord doelman Joop Hiele onderschept een aanval van Ajax met Frank Rijkaard.
foto: Onbekend
Zelden kwam er een vervolg op Hieles optreden in Oranje, hoewel hij nimmer echt faalde. De onverwoestbare en ervaren Van Breukelen stond bij elke bondscoach net iets hoger aangeschreven. Na de interland tegen Hongarije, waarvoor Van Breukelen was gepasseerd wegens een blunder in de Kuip, leek Hiele zijn ‘eeuwige’ concurrent eindelijk te hebben gepasseerd. Tegen Belgie, in september 1987, was de Rotterdammer weer eerste keus geweest, ware het niet dat hij in een molshoop stapte en zijn enkelbanden scheurde.

Hiele kon in zijn carrière best een talisman gebruiken. Het pechduiveltje lag bij hem voortdurend op de loer. Als Hiele in het doel stond gebeurde er nog weleens wat onverwachte dingen, zonder dat hij daar ook maar enige schuld aan had. Zoals tijdens de oefenwedstrijd met het Nederlands elftal tegen De Treffers in de aanloop naar het Europees kampioenschap van 1988. Oranje won met dubbele cijfers en Hiele, die bij hoge uitzondering Van Breukelen mocht vervangen kreeg één schot op zijn doel. Dat was een kogel van vijftig meter die onhoudbaar in de kruising vloog.

Eind 1991 bedankte hij voor Oranje, de interland tegen Finland op 5 juni 1991 (1-1) was zijn zevende en laatste.

Hij bleef tot 1990 bij de club uit de havenstad voor hij vertrok naar Schiedam om te gaan spelen bij SVV. Deze club speelde op dat moment in de eerste divisie. In zijn eerste seizoen promoveerde hij gelijk naar de Eredivisie. Na de fusie met Dordrecht’90 werd Hiele door de voorzitter betiteld als één van de onruststokers en in de zomer van 1993 was er voor Hiele geen plek meer. Na nog een seizoen bij Go Ahead Eagles te hebben gekeept (1994/1995) zette Hiele een punt achter zijn loopbaan.

Na zijn voetbalcarrière was hij actief als keeperstrainer, onder meer bij Willem II, PSV, Oranje, de Feyenoord-jeugd en ADO Den Haag. Tevens werd hij hoofdtrainer bij amateurclubs.

20. Ed de Goeij (1985-2006 : 31 interlands)

Eduard Franciscus ‘Ed’ de Goeij (ook geschreven als Ed de Goey) (Gouda, 20 december 1966) was een anti-held tussen de doelpalen van Sparta, Feyenoord en bij het miljoenen- bal van Chelsea. Vanwege zijn saaie en soms zelfs ijskoude uitstraling in het doel kreeg hij de bijnaam ‘Ed Konijn’. Ondanks zijn slungelachtige postuur ontwikkelde De Goey zich tot een topkeeper met geweldige reflexen. Als opvolger van Hans van Breukelen kwam hij tot 31 interlands.

In de zomer van 1984 tekent de dan zeventienjarige De Goey bij Sparta Rotterdam. De Goeij maakte zijn debuut bij Sparta in 1985. De Rotterdamse club plukte de talentvolle keeper op bij Olympia uit Gouda, waar hij in zijn jeugd speelde. Vanaf het seizoen 1985/1986 wordt hij eerste keeper. In totaal speelt de bijna twee meter lange De Goey 146 wedstrijden bij de Kasteelclub. In 1990 vertrekt hij voor 500.000 gulden naar de andere kant van de Maas om de legendarische Joop Hiele op te volgen tussen de palen bij Feyenoord.

In de Kuip beleefde de slungelachtige keeper een uitstekende periode, zowel persoonlijk als met zijn club. Hij groeide langzamerhand uit tot Nederlands beste keeper en was onderdeel van een goede selectie. Onder Willem van Hanegem en met medespelers als Gaston Taument, Regi Blinker, József Kiprich en Arnold Scholten werd hij zelfs kampioen met Feyenoord in 1993.

De Feyenoordfans hebben in eerste instantie weinig vertrouwen in De Goey. In dertien jaar bij het eerste elftal van Feyenoord was zijn voorganger Joop Hiele uitgegroeid tot een clubicoon. Hiele was in het veld een verbaal krachtige doelman en een echte persoonlijk- heid, dit in tegenstelling tot de timide De Goey. Het lijkt een ondankbare taak om Hiele te doen vergeten in De Kuip.

De Goey is niet onder de indruk. Zijn onverstoorbare karakter helpt hem daar bij. Al snel laat hij de supporters in De Kuip zien dat hij qua persoonlijkheid misschien de tegenpool is van zijn voorganger, maar qua talent niets voor hem onderdoet. Bij de eerste oefen- wedstrijden van het seizoen wordt de naam Hiele nog een paar keer gescandeerd door de Feyenoordaanhang, maar het duurt niet lang voordat het ‘Oe a Ed de Goey, say oe-a Ed de Goey’ door de stadions raast.

Tussen 1990 en 1997 speelt De Goey 309 officiële wedstrijden voor Feyenoord. Vooral de eerste jaren pakt de doelman veel punten voor zijn ploeg. Viermaal haalt de stadionclub in deze periode de KNVB-beker binnen (1991, 1992, 1994, 1995), één keer de Nederlandse Supercup (1991) en in 1993 wint Feyenoord onder leiding van Willem van Hanegem het landskampioenschap.

Na de WK voetbal van 1994 in Amerika, waar De Goey eerste keeper is bij het Nederlands elftal, lijkt hij niet meer de puntenpakker voor Feyenoord te zijn die hij de eerste jaren was. Ook de relatie met keeperstrainer Pim Doesburg verslechtert.

In 1997 haalt Ruud Gullit de dan dertigjarige De Goey voor ruim drie miljoen euro van Feyenoord naar Chelsea. Bij deze club vindt hij zijn oude vorm terug. De transfersom maakt hem de duurste keeper in Engeland van dat moment. Het Engelse avontuur van Ed de Goey valt in twee delen uiteen. De 31-voudige international maakte zowel bij Chelsea als bij Stoke City in zijn eerste jaren indruk om uiteindelijk via de zijdeur de clubs te verlaten.

Ed de Goeij in dienst van Chelsea.
foto: Onbekend
Zijn wankele start – De Goey moet wennen aan het fysieke spel in de Premier League – wordt snel vergeten. Zijn eerste seizoen op Stamford Bridge levert hem direct twee prijzen op. De League Cup en de Europa Cup II gaan naar Londen, en dat is mede de verdienste van de Nederlander.

In het seizoen 1999/2000 beleeft De Goey nieuwe hoogtepunten met The Blues. De FA Cup is het tastbare resultaat van een jaargang waarin hij twee clubrecords scherper stelt. Zijn 59 competitieve wedstrijden voor Chelsea en 27 clean sheets in één seizoen zijn inmiddels verbeterd door respectievelijk Frank Lampard en Petr Cech, maar de statistieken tonen de kracht van de Nederlandse doelman aan.

Een jaar later hangt de vlag er echter compleet anders bij. De Goey is in 2000 koud begonnen aan het nieuwe seizoen al op het tweede plan beland. Zijn vorm lijdt eronder. Hij beleeft bij zijn rentree een dramatische kerstperiode. Zijn status is veranderd. De Goey wijst in maart een tijdelijke verhuizing naar Bolton Wanderers af in de hoop dat hij nog kansen krijgt bij Chelsea. Maar die komen er nauwelijks meer. De laatste drie seizoenen in Londen belandt hij op de bank ten faveure van de Italiaanse keeper Carlo Cudicini. In totaal speelt De Goey 179 wedstrijden voor Chelsea en in 71 daarvan houdt hij de nul.

In de zomer van 2003 is zijn contract afgelopen en verdwijnt De Goey van het Londense toneel om enkele maanden later te tekenen bij Stoke City. Wel won hij tijdens zijn verblijf in Londen enkele prijzen, te weten de Europacup II in 1998, de UEFA Super Cup in 1998, de FA Cup in 2000, de League Cup in 1998 en de Charity Shield in 2000.

Het is een trapje lager, maar ook bij The Potters beleeft de inmiddels 36-jarige De Goey een goed eerste seizoen. Maar na 38 duels in zijn eerste jaar komt de sleet erop. De gewezen international komt steeds minder binnen de lijnen. Hij werd in de zomer van 2005 benaderd door Heracles Almelo waar zijn voormalige ploeggenoot Peter Bosz hoofdtrainer was. Hij verkoos een langer verblijf in Stoke onder leiding van de Neder- landse trainer Jan Boskamp. Na drie jaar zwaait de Gouwenaar af om zich te richten op zijn trainerscarrière. Hij komt in totaal tot 56 officiële wedstrijden voor de op één na oudste professionele voetbalclub ter wereld.

Van 1992 tot en met 2002 speelde “Say Oeh Ah” De Goeij 31 interlands voor het Neder- lands voetbalelftal. Hij zat bij de selectie van Oranje tijdens het WK 1994, het WK 1998, het EK 1996 en het EK 2000. Tijdens het WK in de Verenigde Staten was hij eerste keus van bondscoach Dick Advocaat en speelde hij alle wedstrijden mee. Nederland verloor in de kwartfinale van Brazilië met 3-2. Branco maakte vanuit een vrije trap de 3-2. Sinds 1995 was Edwin van der Sar eerste keeper en De Goeij nummer twee.

Nadat hij officieel gestopt was, richtte De Goeij zich op het trainersvak. Tijdens het seizoen 2006/07 deed hij ervaring op als keeperstrainer bij Chelsea. Medio 2007 werd hij toe- gevoegd aan de trainersstaf van Queens Park Rangers. Begin december werd hij daar ontslagen. In Nederland is hij vervolgens actief als keeperstrainer en assistent-trainer.

21. Edwin van der Sar (1990-2011 : 130 interlands)

Edwin van der Sar (Voorhout, 29 oktober 1970) speelde voor Ajax, Juventus, Fulham en Manchester United en kwam 130 keer uit voor het Nederlands voetbalelftal. In november 2016 werd hij algemeen directeur van Ajax/

Van der Sar startte als kind bij de Voorhoutse voetbalvereniging vv Foreholte, waarna hij later de overstap maakte naar vv Noordwijk. Bij deze vereniging werd hij vervolgens ontdekt door Louis van Gaal, die destijds bij Ajax in dienst was. Onder Leo Beenhakker maakt hij in het tweede zijn debuut voor Ajax, maar toen Stanley Menzo een fout maakte tegen AJ Auxerre, kreeg Van der Sar in 1992 een kans in het eerste. Zijn entree in de eredivisie op 23 april 1991 als invaller voor de geblesseerde Stanley Menzo was schoor-voetend. Edwin van der Sar zag zichzelf niet als Ajax-keeper en dacht dat zijn plafond een club als FC Den Haag zou zijn. Maar “Sar” werd de grootste doelman uit de roemruchte Ajax-geschiedenis en recordinternational bovendien.

In de eerste periode na zijn niet onomstreden debuut had hij moeite om het publiek voor zich te winnen, zeker aangezien Menzo het seizoen daarvoor nog de UEFA Cup had gewonnen met enkele spectaculaire reddingen. De stap van de amateurs van vv Noordwijk naar Ajax leek te groot en Van der Sar oogde onzeker. Na een moeizame beginperiode ging hij echter steeds beter keepen. De jonge Voorhouter groeide uit tot een sleutelfiguur in het Ajax van Louis van Gaal, dat in 1995 het Nederlands kampioenschap, de Champions League, de Europese Super Cup en de wereldbeker wist te winnen. In de finale van het wereldkampioenschap voor clubteams, dat na een gelijke stand na 90 minuten en ver- lenging uitliep op strafschoppen, stopte Van der Sar de eerste penalty van tegenstander Grêmio. Dit bleek genoeg om de wereldbeker in de wacht te slepen.

Na het WK van 1998 speelde Van der Sar nog één seizoen bij Ajax, om vervolgens naar het Italiaanse Juventus te gaan. Hij haalde de Intertoto, maar Juventus verspeelde vlak voor het einde van het seizoen de landstitel. Na een tweede teleurstellend seizoen bij Juventus besloot de club de Italiaanse international Gianluigi Buffon aan te trekken.

Edwin van der Sar in actie voor Juventus.
foto: Onbekend
Na de komst van Buffon verkocht Juventus Van der Sar aan de Engelse promovendus Fulham. Hier speelde hij vier jaar.

Alex Ferguson haalde hem vervolgens voor seizoen 2005/2006 naar Manchester United, dat sinds het vertrek van Peter Schmeichel een topkeeper zocht. Bij Manchester werd hij een vaste waarde in de basis.

Op 21 mei 2008 won Van der Sar voor de tweede maal de UEFA Champions League. Dertien jaar na zijn succes met Ajax, won hij nu met Manchester United door na strafschoppen Chelsea FC te verslaan in de finale. Van der Sar stopte de beslissende strafschop van Nicolas Anelka. Van der Sar noemde dit later zijn van Breukelen-moment, refererend aan Hans van Breukelen die in 1988 voor PSV de beslissende strafschop stopte in de Europacup I-finale. Beide keepers waren beslissend in de finale. Zowel met Ajax als Manchester United won hij later dat jaar ook de wereldbeker respectievelijk het WK voor clubs.

Van der Sar had zelden blessures, echter laat in zijn carrière, eind juli 2009, brak hij zijn duim in een penaltyreeks in een vriendschappelijke wedstrijd. Hierdoor werd Van der Sar gedurende 8 weken uitgeschakeld, wat zijn eerste langdurige blessure was.

Van der Sar speelde zijn laatste officiële wedstrijd als profkeeper op 28 mei 2011 in Londen, in het Wembleystadion, waar Manchester United die zaterdagavond de finale om de UEFA Champions League tegen FC Barcelona verloor met 1-3. De toen ruim 40-jarige Van der Sar vestigde daarmee een nieuw record: hij werd de oudste voetbalspeler uit de geschiedenis die in de eindstrijd stond om het clubkampioenschap van Europa.

Edwin van der Sar houdt het record (1.311 minuten) voor langste clean sheet (geen tegen-goal) en meeste clean sheets in het Britse betaalde voetbal ooit. Hij nam dit record na bijna 40 jaar over van Bobby Clark.

Van der Sar was vanaf zijn debuut (in en tegen Wit-Rusland, 1-0 verlies) een vaste waarde in het doel van Oranje. Hij was tot 9 juni 2017 recordinternational van het Nederlands elftal met 130 interlands (Wesley Sneijder speelde die dag zijn 131e). In deze wedstrijden kreeg hij 90 tegentreffers te verwerken.

Na het seizoen 1993/1994 nam bondscoach Dick Advocaat hem op in de selectie van het Nederlands elftal voor het WK 1994 in de Verenigde Staten. Hij maakte zijn debuut voor Oranje in en tegen Wit-Rusland, door in te vallen toen Ed de Goeij geblesseerd raakte. Dat duel ging met 1-0 verloren. Van der Sar maakte een niet sterke indruk en was mede schuldig aan het enige doelpunt. Hij gaf aan een inschattingsfout gemaakt te hebben en voegde eraan toe te hopen dat het niet bij deze ene interland zou blijven.

Tijdens het EK 1996 was hij doelman van Oranje. Het toernooi verliep teleurstellend voor het Nederlands elftal. Daarna brak een betere periode aan voor Van der Sar in Oranje.

Van der Sar deed zich gelden tijdens het WK van 1998. Hij was beslissend voor zijn ploeg en maakte cruciale reddingen al kon hij niet excelleren in de beslissende strafschoppen- reeks tegen Brazilië in de halve finale.

Die frustratie duurde voort op Euro 2000. Van der Sar hield in zijn optredens de nul, maar kon niet voorkomen dat Nederland het weer aflegde na strafschoppen.

Tijdens het EK 2004 was hij een belangrijke man in het team van Nederland. Hij besliste de penaltyreeks tegen Zweden, waarmee hij Nederland (en zichzelf) van een penalty- syndroom verloste. Na het vertrek van bondscoach Advocaat veranderden er dingen bij Oranje. Van der Sar blijft onomstreden in het doel staan. Hij wordt tot reserveaanvoerder benoemd door de nieuwe bondscoach, Marco van Basten. Van der Sar beloonde dit vertrouwen met een sterke wedstrijd thuis tegen Tsjechië. Hij werd, nadat Edgar Davids niet meer geselecteerd werd, aanvoerder van het Nederlands elftal.

In de kwalificatie voor het WK 2006 kreeg Van der Sar in 12 wedstrijden 3 tegen- doelpunten. Tot aan de tweede wedstrijd op het eindtoernooi zelf hield hij tien officiële wedstrijden op rij de nul. Met 1013 minuten zonder tegendoelpunten brak Van der Sar het Europees record. Op het WK 2006 in Duitsland herhaalde het scenario van het EK twee jaar eerder zich: Van der Sar is wederom een van de belangrijkste schakels in het Nederlands elftal. In de wedstrijd op 25 juni 2006 om een plaats in de kwartfinale tegen Portugal werd hij Nederlands recordinternational, Frank de Boer achter zich latend. Na het WK gaf Van der Sar aan door te gaan als doelman bij het Nederlands elftal. In oktober 2007 maakte Van der Sar bekend dat hij na het EK in Oostenrijk en Zwitserland in 2008 international af is. Zijn laatste wedstrijd op dat EK was de 3-1-nederlaag tegen Rusland in de kwartfinales. Met vier wedstrijden op het EK2008 evenaarde Van der Sar Lilian Thurams record van 16 EK-wedstrijden.

In het najaar van 2008 maakte hij een kortstondige rentree. Vanwege blessures van zijn opvolgers Maarten Stekelenburg en Henk Timmer en het belang van de twee kwalificatie- wedstrijden tegen IJsland en Noorwegen vroeg bondscoach Bert van Marwijk hem of hij nog twee keer onder de lat wilde staan. Van der Sar gaf hier gehoor aan maar benadrukte dat het eenmalig was.

Op 5 juni 2010 werd voorafgaand aan de oefeninterland Nederland – Hongarije officieel afscheid genomen van Van der Sar, die daarbij door minister van Sport Ab Klink geridderd werd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

22. Ronald Waterreus (1992-2007 : 7 interlands)

Ronald Waterreus (Lemiers, 25 augustus 1970) was actief bij Roda JC, PSV, Manchester City, Glasgow Rangers, AZ en Red Bull New York. Tevens was hij zeven keer de doelman van het Nederlands voetbalelftal.

Doelman Ronald Waterreus keepte voor de amateurs van RKVV Lemirsia uit zijn ge- boorteplaats Lemiers en RKVVM uit Margraten voordat hij in 1992 de overstap maakte naar het betaalde voetbal en tekende voor Roda JC. Als basisspeler stond Waterreus in twee seizoenen 65 wedstrijden onder de lat.

In 1994 tekende Waterreus een contract bij PSV, waar Hans van Breukelen stopte. Waterreus werd aangetrokken als tweede keeper, achter Stanley Menzo, die overkwam van Ajax. Na enkele maanden, toen trainer Aad de Mos vervangen was door Dick Advocaat, kreeg Waterreus echter de voorkeur boven Menzo. Ook zijn tweede seizoen bleven die verhoudingen. In het seizoen 1996/97 koos PSV ervoor om Jan Willem van Ede aan te trekken, als reserve-keeper, waarmee Waterreus definitief eerste keeper leek te worden.

In de zomer van 1997 werd de Duitse doelman Georg Koch gehaald, om de strijd aan te gaan met Waterreus. Koch kon echter slecht aarden in Nederland en speelde drie wed- strijden in het begin van de competitie voordat Waterreus het heft weer in handen nam. Koch vertrok na drie maanden weer bij PSV.

Aan de start van het seizoen 1998/99, toen Bobby Robson voor de tweede maal trainer werd van de club, werd oud-PSV’er Patrick Lodewijks, ooit de gedoodverfde opvolger van Van Breukelen, teruggekocht van FC Groningen. Hij verloor ook de concurrentiestrijd en belandde op de bank achter Waterreus.

Aan het begin van het seizoen 1999/00 kreeg Waterreus van de nieuwe trainer Eric Gerets te horen dat hij derde keus geworden was achter de nieuweling Ivica Kralj en Lodewijks. PSV wilde Waterreus verkopen en bood hem bij enkele clubs in Europa aan. Waterreus was vastbesloten te blijven en meldde dat hij niet verkocht wilde worden, maar de concurrentie wilde aangaan. Mede door een blessure bij Kralj werd Waterreus wederom eerste keeper en toen Kralj weer fit was won Waterreus wederom de concurrentiestrijd en werd eerste keeper. Waterreus bleef ook in de seizoenen hierna Kralj en Lodewijks de baas, groeide door en werd in 2001 door zijn collegae gekozen tot Keeper van het Jaar. In het seizoen 2001/02 was Waterreus langdurig geblesseerd, zijn rol werd tijdelijk over- genomen door Lodewijks, maar na zijn herstel was Waterreus weer de vaste doelman.

In 2002, toen Guus Hiddink het roer had overgenomen van Gerets, presenteerde PSV Jelle ten Rouwelaar als nieuwe keeper. In de eerste wedstrijden van het seizoen, waarin Waterreus niet kon spelen vanwege een blessure, maakte de jonge keeper zo’n zwakke indruk, dat Waterreus weer snel onder de lat terechtkwam en Ten Rouwelaar verhuurd werd aan FC Groningen om meer ervaring op te doen. Het seizoen erop haalde PSV Rob van Dijk als tweede keeper en leek Waterreus weer definitief de eerste keeper van de club te zijn.

Ronald Waterreus in zijn Britse periode.
foto: Onbekend
Over de kwaliteiten van de keeper werd getwijfeld door de leiding bij PSV, echter gehaalde doelmannen als Menzo, Lodewijks, Koch en Kralj kregen nooit een vaste plek in het doel van de Eindhovenaren.

In de concurrentie met de andere keepers toonde Waterreus een soort van over-mijn-lijk mentaliteit en ging daarbij psychologische oorlogsvoering niet uit de weg. Voormalig concurrent Ten Rouwelaar (later vaste doelman bij NAC) zegt hier het volgende over:

“Mijn grootste fout is dat ik het allemaal heb laten gebeuren bij PSV”, zegt Ten Rouwelaar in Voetbal International. “Ronald Waterreus ging over lijken om zijn plek in het doel te behouden. Hij was niet behulpzaam of dat dan ook, hij was er alleen voor Ronald Waterreus zélf.”

“Mensen zeggen tegen mij dat ik op mijn hoofd had kunnen gaan staan dat dat ik dan nog nooit eerste keeper was geworden bij PSV. Hád ik maar op mijn hoofd gestaan. (…) Ik heb nooit sympathie voor wat Waterreus deed kunnen opbrengen, maar bedacht me later wel dat ik een beetje op hem ben gaan lijken. Je móét in deze wereld bikkelhard zijn.”

In tien jaar PSV won Waterreus vier nationale titels (1996/97, 19/00, 2000/01 en 2002/03), en de KNVB beker in 1995/96. De Johan Cruijff Schaal won Waterreus zeven keer. In Europese wedstrijden nam Waterreus zeven keer deel aan de Champions League en kwam hij met PSV drie keer tot de kwartfinale van de UEFA-Cup. Hij speelde in totaal 66 Europa Cup-wedstrijden voor PSV. Daarmee neemt hij de derde plaats in op de clubranglijst, achter Jan Heintze (75 duels) en Willy van de Kerkhof (67 duels).

Zelfkritiek en zelfspot is Waterreus niet vreemd. Op vragen of hij een goede keeper is, antwoordt hij doorgaans dat hij zichzelf de ‘beste redelijke keeper ter wereld’ vindt en niet tot de absolute top hoorde zoals zijn voorganger Jan van Beveren. Waterreus heeft altijd aangegeven dat PSV zijn club is en er graag na zijn actieve carrière terug te willen keren. Oud-voorzitter Harry van Raaij noemde hem daarop de toekomstig voorzitter van PSV. Op 14 september 2009 keerde Waterreus daadwerkelijk terug bij PSV in een functie als assistent van hoofd-jeugdopleidingen Vloet.

Na tien jaar onder de lat te hebben gestaan bij PSV, was de prikkel bij Waterreus niet meer aanwezig om er nogmaals alles uit te halen. Aan het begin van het seizoen 2005-2006 tekende hij daarom een half jaar contract bij Manchester City. Hij werd er tweede doelman achter David James.

In Manchester keepte Waterreus geen enkele wedstrijd voor de Engelsen waarop hij na een half jaar naar Schotland vertrok om daar wel eerste doelman te worden. Hij speelde in anderhalf seizoen 64 duels voor Glasgow Rangers en won in die periode éénmaal de titel in de Schotse Premier League (2005) en éénmaal de League Cup (ook 2005). In juni 2006 konden club en speler het niet eens worden over een nieuw contract waarop Waterreus terugkeerde naar Nederland en tekende bij AZ.

Hij zou nog één seizoen keepen bij AZ (6 competitiewedstrijden) waarna hij aan het einde van zijn loopbaan bij de Red Bull New York in de Verenigde Staten zijn carrière afsloot.

Op 31-jarige leeftijd maakte Waterreus zijn debuut in het Nederlandse Elftal. In het Nederlands elftal was Waterreus lange tijd eerste reserve, na Edwin van der Sar. Hij speelde zijn eerste interland op 15 augustus 2001, tegen Engeland onder leiding van bondscoach Louis van Gaal. Vanwege een blessure van Van der Sar speelde hij in de voorronden van het Europees kampioenschap 2004 de wedstrijden tegen Tsjechië en Moldavië. Waterreus zat ook bij de selectie van het eindtoernooi in Portugal, maar kwam niet in actie.

Hij speelde in totaal zeven interlands. Op 37-jarige leeftijd zette Waterreus na zijn Amerikaanse avontuur definitief een punt achter zijn voetbalcarrière.

23. Maarten Stekelenburg (2001-…. : 56 interlands)

Maarten Stekelenburg (Haarlem, 22 september 1982) ging in zijn jeugd voetballen bij de amateurvereniging Zandvoort ´75 wat tegenwoordig SV Zandvoort heet. Later ging hij naar de V.V. Schoten in Haarlem. Maarten begon gewoon als veldspeler, maar toen er een keer geen keeper was ging hij op goal. En bij die ene keer is het niet gebleven. Het keepen ging hem dermate goed af dat hij bleef keepen.

Nederland heeft in de geschiedenis van het voetbal eigenlijk altijd goede keepers gehad. In vroegere jaren waren dat Otto Roffel, Frans de Munck, Tonnie van Leeuwen en Eddy Pieters Graafland. Later kwamen onder andere Jan van Beveren, Piet Schrijvers en Hans van Breukelen onder de lat bij een topclub of het Nederlands elftal. Ook in deze huidige tijd hebben we nog wel wat goede doelmannen, we denken dan al snel aan Jeroen Zoet, Jasper Cillessen maar zeker ook aan Maarten Stekelenburg.

Toen Maarten 13 jaar was werd hij gescout door de jeugdopleiding van Ajax. Ook de jeugdafdeling van HFC Haarlem zag het wel zitten in de jonge Haarlemmer. Maar Maarten Stekelenburg koos toch uiteindelijk voor Ajax, waar hij de hele jeugdopleiding doorliep. Hij speelde voor Jong-Ajax en haalde de halve finale van de KNVB beker. Maarten maakte een goede indruk op de leiding van de Amsterdamse club en werd het volgende seizoen bij de selectie gehaald.

Het was de huidige bondscoach Ronald Koeman die Maarten Stekelenburg liet debuteren in Ajax 1. Dat was in de wedstrijd om de Johan Cruyffschaal tegen PSV. Hij kreeg een basisplaats omdat beide doelmannen Bogdan Lobont en Joey Didulica geblesseerd waren. Hij maakte zijn competitie debuut op 18 augustus 2002 in de thuiswedstrijd tegen FC Utrecht. Maar dat seizoen had hij Joey Didulica en Bogdan Lobont nog voor zich in de selectie. Maar hij kwam toch nog tot negen wedstrijden. In de aanloop naar het seizoen 2004-2005 werd Stekelenburg door Ronald Koeman aangewezen als eerste keeper. Maar aan het begin van het seizoen raakte hij geblesseerd en verloor zijn basisplek aan Lobont. Koeman vertrok bij Ajax en werd opgevolgd door Danny Blind, ook bij hem werd Stekelenburg eerste keus. In de seizoenen 2006-2007 en 2007-2008 speelde hij bijna alles bij Ajax. Ondanks zijn contract kwam er toch Europese belangstelling van Tottenham Hotspur, maar hij bleef toch bij de Amsterdamse club.

Zijn contract tot 2008 werd opengebroken en verlengd tot 2010. Ook onder de trainers Ten Cate en Kosters bleef hij eerste keeper. In het seizoen 2008-2009 raakte hij geblesseerd en werd hij vervangen door Kenneth Vermeer. Na het herstel van Stekelenburg bleef Vermeer eerste keeper omdat hij behoorlijke indruk had gemaakt. Marco van Basten gaf Vermeer de voorkeur boven Maarten Stekelenburg die vervolgens tweede doelman werd. Martin Jol volgde Marco van Basten op en benoemde Stekelenburg opnieuw tot eerste keeper. Hij maakte een uiterst sterk seizoen door bij Ajax en bij het Nederlands Elftal. Stekelenburg maakte in 2010 bekend dat hij zijn contract bij Ajax niet meer zo verlengen. Op 4 augustus 2011 maakte hij de overstap naar AS Roma bekend.

Stekelenburg tekende bij de Romeinse club een contract voor vier jaar. Dat leverde Ajax 6,3 miljoen euro op en dat bedrag kon nog oplopen. Bij AS Roma kwam hij ook oud-collega Bogdan Lobont weer tegen. Stek zoals Stekelenburg ook wel werd genoemd won het vertrouwen van de club na een moeilijk begin. Ook in Rome kreeg hij weer mooie bijnamen als “l’Ollandes volante” oftewel de vliegende Hollander en “il portierone” de grote keeper. In het seizoen 2012-2013 wordt hij bankzitter bij AS Roma. Er volgde overleg met zijn zaakwaarnemer over een eventueel vertrek. Er was veel belangstelling uit Engeland, Duitsland en Italië. Roma coach Zdenek Zeman werd ontslagen en zijn opvolger Aurelio Andrazoli gaf hem weer een basisplaats. In de zomer van 2013 maakt Roma manager Baldini bekend dat Maarten Stekelenburg naar Fulham FC ging. Met de transfer was een bedrag gemoeid van 4,7 miljoen euro.

Maarten Stekelenburg keeper van het Nederlands elftal op het WK van 2010.
foto: Onbekend
Zijn tijd bij Fulham was niet echt succesvol. Hij raakte al snel geblesseerd aan zijn schouder. In het nieuwe seizoen kreeg hij geen rugnummer toegewezen en werd hij verhuurd. Hij werd verhuurd met een optie tot koop aan het Franse AS Monaco. Hij werd in eerste instantie reservedoelman, door een blessure kwam hij toch in de basis. In de bekerwedstrijd tegen Olympic Lyon stopte hij de beslissende penalty. In mei 2015 liet Monaco weten de optie niet te lichten en niet verder met Maarten Stekelenburg te willen.

De optie werd dus niet gelicht door Monaco en ging hij terug naar Fulham FC. De Londense club verhuurde hem opnieuw nu aan Southampton. Daar werd hij herenigd met Ronald Koeman die hem kende van zijn Ajax periode. De eerste keeper van Southampton Fraser Forster raakte geblesseerd en Maarten werd benoemd tot eerste doelman. Nadat Forster weer hersteld was verloor Stekelenburg zijn plek in de basis. Wederom ging hij naar een andere club. Ronald Koeman was inmiddels trainer geworden bij Everton en haalde Stekelenburg ook naar Londen. Op dit moment speelt hij nog steeds voor Everton maar hij heeft daar geen basisplaats. Ronald Koeman werd door de slechte resultaten ontslagen.

Maarten Stekelenburg heeft inmiddels al 56 wedstrijden in het Nederlands Elftal gekeept. Op 3 september 2004 maakte hij zijn debuut, in de wedstrijd tegen Liechtenstein. Hij mocht in de rust invallen voor eerste keeper Edwin van der Sar. In de kwalificatierace bleef hij achter Van der Sar de tweede keeper. Ook tijdens het WK 2006 was hij reserve doelman. In oefenwedstrijden kreeg hij zo af en toe wat kansjes maar Van der Sar bleef onomstreden eerste keus. Edwin van der Sar stopte na het EK in 2008 als international. In de aanloop naar het Wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika was Stekelenburg de vaste doelman van Oranje. Stekelenburg kreeg tijdens de vriendschappelijke interland tegen het Australisch voetbalelftal in 2008 een rode kaart. Hij was de eerste keeper die spelend voor het Nederlands voetbalelftal een rode kaart kreeg.

Op het WK in Zuid-Afrika in 2010 speelde hij een goed toernooi. Stekelenburg was eerste keeper voor Michel Vorm en Sander Boschker. Stekelenburg oogstte met zijn optreden veel lof. Mede door de goede optredens van Stekelenburg schopte Nederland het tot de finale, waar het met 1-0 verloor van Spanje. Na de interland uit tegen Roemenië in oktober 2012 (1-4) werd Stekelenburg vijf maanden niet geselecteerd voor Oranje omdat bonds- coach Louis van Gaal de voorkeur gaf aan Tim Krul. Toen Krul geblesseerd raakte in de aanloop naar de wedstrijd van Oranje tegen Estland (3-0) en Roemenië (4-0), keerde Stekelenburg terug in de selectie. Hij zou echter niet spelen, omdat Van Gaal de voorkeur gaf aan Kenneth Vermeer.

Stekelenburg was na zijn oproep tegen Colombia in november 2013 lang niet in beeld bij Oranje. Van Gaal koos vaak voor Jasper Cillessen als eerste doelman en voor Tim Krul en Michel Vorm als reserve doelmannen. Hij nam dat trio ook mee naar het WK 2014 in Brazilië. Op 11 oktober 2015 werd Stekelenburg opgeroepen voor het EK-kwalificatieduel met Tsjechië door Danny Blind, die op dat moment drie interlands achter zijn naam had staan als bondscoach, als vervanger van de geblesseerde Cillessen. Een dag eerder was ook tweede doelman Krul afgehaakt met een blessure. Die werd vervangen door Vermeer. Blind gaf in de wedstrijd tegen Tsjechië de voorkeur aan Jeroen Zoet. De wedstrijd werd met 3-2 verloren, waarmee Nederland zich definitief niet voor het EK 2016 in Frankrijk plaatste. Op 7 oktober 2016 tijdens de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Wit-Rusland maakte Stekelenburg zijn rentree in de basis van Oranje. De wedstrijd die in Rotterdam werd gespeeld eindigde in een 4-1-overwinning voor Nederland.

Maarten Stekelenburg wordt dit jaar 36 jaar, nog steeds in loondienst bij Everton en ook nog niet helemaal uit beeld bij Oranje. Maar hij nadert wel het einde van zijn loopbaan die hem langs vele clubs bracht. Bij de verschillende clubs ging het soms goed en soms wat minder. Helaas zat er nergens meer een goede en jarenlange basisplaats in. Maar Stekelenburg blijft een fantastische keeper die misschien in de keuze van de clubs niet altijd even gelukkig is geweest. We gaan het zien of en waar we hem nog weer gaan zien onder de lat. Stekel, Stek of De Steek zou nog menige club van dienst kunnen zijn.

24. Jasper Cillessen (2010-…. : XX interlands)

Jasper Cillessen (Nijmegen, 22 april 1989) verruilde Ajax op 25 augustus 2016 voor FC Barcelona. Cillessen debuteerde in 2013 in het Nederlands voetbalelftal.

Als nuchtere Groesbeker begon Jasper zijn carrière in 1996 bij het plaatselijke De Treffers. Echter begon de inmiddels tweede keeper van FC Barcelona zijn carrière niet als keeper, maar als veldspeler. Na verloop van tijd begon men in te zien dat Jasper enorm veel talent had voor het keepersvak. Er was echter ook twijfel vanwege zijn lengte.

Volgens oud keepers-trainer Hans Janssen viel Jasper op omdat hij technisch al erg goed was: “Je kon al snel zien dat hij technisch erg goed was, hij kon goed naar beide kanten duiken en was erg temperamentvol. We zeiden toen al tegen elkaar, dit is zo’n groot talent”, zo vertelde hij aan de Gelderlander.

Oud-jeugdtrainer van Jasper, Tom Wollenberg, omschreef Jasper als een rustige maar doelgerichte voetballer: “Jasper is ijzersterk één-op-één. Hij was altijd al met de sport bezig, maar ook met zijn voeding. Feesten en partijen liet hij schieten, want voor hem was er maar één ding belangrijk: voetbal.” Dit resulteerde uiteindelijk in een overstap naar N.E.C. In 2001 werd Jasper ontdekt en maakte hij de overstap naar de dichtstbijzijnde profclub. Twee jaar eerder liep hij al stage bij N.E.C., maar lieten de ouders van Jasper de overstap niet toe omdat zij wilden dat hij eerst zijn basisschool af zou maken. Cillessen doorliep alle jeugdelftallen van N.E.C. en tekende in 2008 zijn eerste profcontract en ging vervolgens voor Jong N.E.C. spelen. In 2010 werd zijn contract verlengd tot 2012 en sloot hij aan bij het eerste elftal.

Op 28 augustus 2010 maakte hij zijn debuut thuis tegen SC Heerenveen. Cillessen imponeerde en werd uitgeroepen tot ‘Man of the Match.’ Ook toen Babos terugkeerde van zijn blessure bleef Jasper staan. Daarna brak N.E.C. zijn contract open en legde hem tot 2014 vast. In 2011 meldde Ajax zich voor het talent.

Jasper Cillessen kwam in 2011 over van N.E.C. naar Ajax. Nadat hij in 34 wedstrijden voor de Nijmegenaren zoveel indruk maakte dat Ajax hem voor 3,2 miljoen euro over nam. Eenmaal bij Ajax moest hij genoegen nemen met een reserverol. Kenneth Vermeer was destijds nog de eerste keeper, maar kon Frank De Boer in 2013 niet overtuigen om dat ook te blijven. Vermeer blunderde een aantal wedstrijden op rij, waardoor Cillessen een kans kreeg.

Jasper Cillessen N.E.C., Ajax, Barcelona, Nederlands elftal.
foto: Onbekend
Hij had iets daarvoor al zijn eerste interland op zijn naam gezet. Amper uitgegroeid tot een basisspeler bij Ajax speelde Jasper zijn tweede interland wat een officiële was tegen Turkije. Tegen Ajax.nl vertelde hij dat hem deze het meeste bijgebleven is. “Tuurlijk is je eerste interland speciaal en was ik super trots. Maar die tegen Turkije is mij het meest bijgebleven. Ondanks dat we met 0-2 wonnen en zij daardoor niet naar het WK gingen, zijn we met applaus van het veld gegaan.”

Begin december 2014 zette Cillessen zijn handtekening onder een nieuw contract, dat hem tot de zomer van 2018 aan de Amsterdamse club verbond. Zijn oude contract bij Ajax liep tot 2016. Hij had tot op dat moment 69 officiële wedstrijden in het eerste elftal van Ajax gespeeld.

In een Europa League-wedstrijd uit tegen FK Jablonec (0–0) in de play-offronde op 27 augustus 2015 speelde Cillessen zijn honderdste officiële wedstrijd in dienst van Ajax. Hiermee werd hij de 156ste Ajacied die tot dit aantal kwam. In deze wedstrijd miste Jan Greguš na een uur spelen een strafschop. Hiermee werd hij de eerste van 25 spelers die een strafschop miste tegenover Cillessen.

Ondanks dat Cillessen tijdens het seizoen 2015/16 negentien keer de nul wist te houden, moest Ajax de titel voor het tweede jaar op rij aan zich voorbij laten gaan. Op de laatste speeldag werd met 1-1 gelijkgespeeld bij De Graafschap, waardoor PSV er met de titel vandoor ging. Over het hele seizoen kreeg hij 21 doelpunten tegen, het minste van alle keepers in de Eredivisie. Cillessen werd voor het tweede jaar op rij door de Ajax-sup- porters verkozen tot speler van het jaar.

Met drie kampioenschappen, één Johan Cruijff schaal en een bronzen WK-medaille op zak maakt Cillessen in juli 2016 de overstap naar grootmacht FC Barcelona. Nadat Ajax met de doelman in de basis werd uitgeschakeld in de voorronde van de Champions League maakte hij zelf de overstap bekend. De volgende dag vertrok Jasper met enigszins een rotgevoel naar Barcelona om toch een geweldige overstap officieel te maken. Hij werd medisch gekeurd en tekende daarna een vijfjarig contract.

Tot op heden moet Cillessen het nog doen met een plek achter Ter Stegen, die onlangs bijtekende tot de zomer van 2022.

Na het seizoen 2010–2011 zat Cillessen, die op dat moment nog geen volwaardig seizoen gespeeld had, bij de voorselectie van Oranje voor de oefenwedstrijden tegen Uruguay en Brazilië. Uiteindelijk selecteerde bondscoach Bert van Marwijk de jonge doelman. Dit betekende dat de Groesbeker mee mocht op een “oefenstage” in Zuid-Amerika, waar gevoetbald werd tegen Brazilië (0–0) en vervolgens tegen Uruguay (1–1). Ondanks dat hij tweede keeper was (Maarten Stekelenburg en Michel Vorm ontbraken) kreeg hij geen speelminuten tijdens deze trip, maar hij liet wel een goede indruk achter. In mei 2012 zat hij opnieuw bij de voorselectie van Oranje, voor het EK 2012.

In 2014 ging Cillessen onder Louis van Gaal als eerste keeper naar het WK in Brazilië. Cillessen keepte een geweldig toernooi met misschien wel als hoogtepunt de eerste wedstrijd tegen Spanje (1-5). Jasper redde een aantal keer fantastisch op inzetten van onder andere David Silva. Het dieptepunt zal voor Cillessen de uitschakeling tegen Argentinië zijn geweest en de wissel die Van Gaal toepaste tegen Costa Rica. Oranje moest na extra tijd strafschoppen gaan nemen. Louis Van Gaal besloot Cillessen te wissel voor Krul, Cillessen had bij Ajax destijds een zogenoemd ‘penalty syndroom.’ Nooit was zoiets vertoond, zeker niet op een WK. Achteraf was het een meesterzet van Louis Van Gaal. Krul stopte 2 strafschoppen en loodste hiermee Nederland naar de halve finale, het was Cillessen zelf die Krul als eerste omhelsde, en daarmee liet hij zien over een heuse winnaarsmentaliteit te beschikken. In de halve finale was het de beurt aan Cillessen zelf om een strafschoppenreeks te winnen en Nederland naar de finale te leiden, dit lukte helaas niet.

This entry was posted in VOETBAL VAN A-Z. Bookmark the permalink.