Nationale Wonderteams

Het Braziliaanse elftal dat in 1970 de wereldtitel in de wacht sleepte werd verkozen tot ‘het beste team aller tijden’. Dit was de uitslag van een onderzoek dat door verschillende experts in opdracht van het kwaliteitstijdschrift World Soccer Magazine werd uitgevoerd.

"De spelers waren destijds meer dan alleen een elftal", luidde het eindoordeel. "Met het prachtige voetbal groeide die lichting van Brazilië uit tot een mythe, het ultieme voorbeeld van hoe een wedstrijd negentig minuten lang moet worden gespeeld."

Op de tweede plaats eindigde het Hongaarse elftal uit 1953 en de derde plaats was voor het Nederlands elftal uit 1974, dat het WK uiteindelijk aan Duitsland moest laten.

Echter deze uitslag stamt uit 2007, dus nog voor Spanje zich liet gelden door respec- tievelijk twee opeenvolgende EK’s te winnen (2008 en 2012) en tussendoor nog even wereldkampioen te worden in 2010. Ongetwijfeld zal dit Spanje bij een nieuwe verkiezing in de top-3 terechtkomen.

Om de niet-te-winnen discussie welk teams het beste aller tijden is, hebben we de aansprekende nationale elftallen in chronologische volgorde geplaatst.

1. 1950
Uruguay
De Maracanazo, de grootste verrassing ooit op een WK.
2. 1954
Oostenrijk
Oostenrijkse "Wunderteams" pieken te laat.
3. 1954
Hongarijje
Magische Magyaren domineren Europa
4. 1958 en 1962
Brazilië
Aanval en spelplezier van deze dubbelkampioen
5. 1966
Engeland
Engeland’s enige internationale succes…ooit
6. 1970
Brazilië
Beste elftal aller tijden
7. 1972 en 1974
West-Duitsland
Het "Mannschaftswunder" in de jaren zeventig
8. 1974
Nederland
Nederlands elftal introduceert totaalvoetbal.
9. 1982
Italië
De trots van het Italiaanse voetbal
10. 1982 en 1986
Brazilië
Beste team dat nooit een prijs won
11. 1986
Argentinië
One-man show van Diego Maradona
12. 1998 en 2000
Frankrijk
Eerste WK succes van "Les Bleus"
13. 2008 – 2012
Spanje
Spaans tiqui taca voetbal verovert de wereld


1950: Uruguay

Uruguay is één van de succesvolste teams ter wereld en dat is zeer opmerkelijk aangezien het land slechts zo’n 3,5 miljoen inwoners telt. Uruguay is het land met het minste aantal inwoners dat ooit een WK won. Er zijn slechts zes landen met een lager bevolkingsaantal, dat zich ooit wist te plaatsten voor een WK-eindronde. Met een totale oppervlakte van 176.215 vierkante kilometer is het land ruim vier keer zo groot als Nederland. Ooit was Uruguay een Spaanse kolonie, waardoor Spaans er de voertaal is. De meeste Uruguayanen zijn nazaten van Europese immigranten, vooral van Basken en Italianen, maar ook van Britten, Duitsers en Nederlanders.

Het land is ook het kleinste lid van de CONMEBOL en is recordhouder in het winnen van de Copa América (vijftien keer). Uruguay won ook twee keer de gouden medaille op de Olympische Spelen (1924 en 1928) in de periode dat er nog geen WK bestond en de Spelen het enige mondiale platform boden.

"Andere landen hebben hun geschiedenis, Uruguay heeft zijn voetbal". Het is niet bekend wie dit voor het eerst heeft gezegd, en of dit überhaupt ooit zo gezegd is, maar het is een citaat dat Uryguyanen vaak van stal halen om uit te leggen hoe belangrijk het nationale voetbalelftal voor hun kleine landje is.

Moderne voetballiefhebbers gaan vaak voorbij aan de kwaliteiten van spelers van vroegere generaties. Om die reden wordt vaak vergeten dat Uruguay dertig jaar lang gold als de onbetwiste vader van de voetbalwereld. In die periode van heerschappij boekten de Uruguayanen met hun gara (een woord dat vastberadenheid, collectief geloof en doelgericht aanduidt) een aantal opmerlijke resultaten.

Tijdens de Olympische Spelen van Amsterdam prolongeerde Uruguay in 1928 de Olympische titel. Hector Manco, een voetballer met slechts één arm, was de grote man. El Manco, de eenarmige, en zijn ploeggenoten wonnen twee jaar later voor eigen publiek ook de eerste wereldtitel. In 1930 wisten ze in de eerste WK finale tegen Argentinië een 1-2 achterstand om te buigen tot een 4-2 overwinning.

Vier jaar later weigerde Uruguay mee te doen aan het WK omdat veel Europese ploegen vanwege de grote afstand in 1930 niet naar Zuid-Amerika waren gekomen. Ook in 1938 was het land niet aanwezig om buurland Argentinië te steunen nadat de FIFA terugkwam op een eerder gemaakte afspraak om het WK te roteren tussen Europa en Zuid-Amerika en het WK voor de tweede keer op rij in Europa doorging.

In 1935 had Uruguay wel nog het Zuid-Amerikaans kampioenschap gewonnen, nadat dit zes jaar stil gelegen had. Na drie keer naast de trofee te grijpen werden ze wel opnieuw kampioen in eigen land in 1942.

Op het eerste WK van na de oorlog maakten ze opnieuw hun opwachting op het WK in Brazilië. Spelend vanuit een solide defensie onder leiding van de uitstekende doelman Maspoli walste dit energieke elftal over zijn tegenstanders heen. De creatieve vonken moetsen komen van binnenspeler Schiaffino en de dynamische buitenspeler Ghiggia. Zij scoorden tegen Brazilië dan ook de twee doelpunten die Uruguay de titel opleverden.

Het WK in Brazilië van 1950 is in de eindfase van het toernooi beland en iedereen is er zeker van: het thuisland wordt wereldkampioen. In 1950 is er niet één finalewedstrijd, maar spelen vier ploegen in een eindpoule één maal tegen elke tegenstander. Wie bovenaan eindigt is wereldkampioen. Brazilië heeft wedstrijden tegen Spanje en Zweden met overmacht gewonnen en heeft aan een gelijkspel tegen Uruguay genoeg. Buurland Uruguay won nipt van Zweden, maar speelde gelijk tegen Spanje. Het moet dus winnen van Brazilië.

Maar geen mens die daar op rekent. Naar schatting 200.000 toeschouwers zitten klaar in het speciaal voor het toernooi gebouwde Maracana-stadion in Rio, voor wat eigenlijk een finale is. Een Braziliaanse krant noemt Brazilië voor de wedstrijd op haar voorpagina al de wereldkampioen. De toenmalige FIFA-president, Fransman Jules Rimet heeft een toespraak in het Portugees voorbereid. Er zijn door de Braziliaanse bond al gesigneerde medailles gemaakt voor de Brazilianen, terwijl fans gretig T-shirts kopen met de opdruk: Brazilië kampioen.

Brazilië kwam voor vroeg in de tweede helft, maar in de 66ste minuut maakte Juan Alberto Schiaffino gelijk en dertien minuten later scoorde Alcides Ghiggia het winnende doelpunt voor de Uruguayanen. Het al in vooraf bepaalde scenario, waaraan niemand ook maar een seconde twijfelde, moet de prullenbak in. Brazilië komt niet meer tot scoren.

Na het laatste fluitsignaal is het muisstil in het stadion. De Maracanazo, de grootste verrassing ooit op een WK, is geboren. De zege in de finale op thuisland Brazilië (2-1) geldt nog steeds als één van de opvallendste uitslagen uit de geschiedenis van het internationale voetbal aan de hand van Alcides Ghiggia werd Uruguay in 1950 dus opnieuw wereld- kampioen.

Vier jaar later was het land opnieuw op ramkoers op het WK in Zwitserland en versloeg Tsjecho-Slowakijke met 2-0 en Schotland met 7-0. In de kwartfinale werd Engeland nog gewipt. In de halve finale treden ze aan tegen de Magische Magyaren en zelfs met een verzwakt elftal brachten ze de Hongaren in het nauw; uiteindelijk verloren ze met 4-2 na een fantastische wedstrijd. Het was de eerste nederlaag van Uruguay ooit op een WK.

In 1980 won Uruguay ook de Mundialito, een jubileum-WK met voormalige kampioenen. Na de vierde plaats op het WK van 1970 werd Uruguay steeds vaker omschreven als kampioen van het verleden. De formatie maakte nog slechts naam met voetballers die net zo woest voetbalden als ze er uitzagen. Spelers van Uruguay verschenen met lange haren en grote baarden op het veld en trapten naar bijna alles wat bewoog.

De laatste jaren is het land minder succesvol. Het plaatste zich slechts voor drie van de laatste vijf WK’s, maar het WK 2010 werd veruit het beste sinds 1970. In de halve finale was Nederland met 3-2 te sterk voor Uruguay en in de kleine finale won Duitsland met dezelfde cijfers van de Zuid-Amerikanen. Uruguay won twintig officiële titels en gaat daarmee alle andere landen ter wereld voor.

Uruguay en Argentinië zijn recordhouder voor wat betreft het aantal onderlinge wedstrijden: sinds 1902 speelden de buurlanden 180 keer tegen elkaar.


1950: Uruguay

1954: Oostenrijk

Zowel voor als na de oorlog bezat Oostenrijk elftallen, die korte tijd golden als de beste ter wereld. In het begin van de jaren dertig bouwde de joodse bankier Hugo Meist ‘Das Wunderteam‘ op, het beste Oostenrijkse elftal uit de geschiedenis. Ze versloegen Schotland met 5-0, Duitsland met 6-0, Zwitserland met 8-1 en Hongarijje met 8-2.

In 1932 verloren ze op Stamford Bridge met 4-3 van Engeland in een fantastische wedstrijd waarin de Engelse supporters voor het eerst een glimp opvingen van de doorwrochte passpatronen van de Oostenrijkers.

De voetbalsport werd in deze tijd en in de jaren daarna vaak gedomineerd door de politiek , waarbij soms zelfs oorlogen uitbraken tussen landen. Al in 1929, één jaar voor het eerste wereldkampioenschap voetbal, brak er bijna een heuse voetbaloorlog uit.

In 1929 verloor Italië een voetbalwedstrijd van Oostenrijk, waarna de sfeer tussen deze landen snel verslechterde. Italië en Oostenrijk kwamen in 1929 dichtbij een voetbaloorlog – een jaar vóór het eerste WK voetbal! De Italiaanse dictator Mussolini beschouwde sport namelijk als propaganda van het fascisme. Niet Hitler, maar Mussolini begon hiermee.

Dat elf zwarthemden in 1929 verloren van Oostenrijk was daarom voor Mussolini een politiek delict. In een fascistisch dagblad uit Rome stond dat de Oostenrijkers "een hoop gemeene homosexueelen" waren. Daarna kwamen de dreigementen: "Onze bommen zullen het woord voeren als wrekers van de geheele menschheid."

In die stemming organiseerde Italië in 1934 het WK voetbal. De Oostenrijkers gingen in 1934 als favorieten naar het WK, waar ze Frankrijk en Hongarijje uitschakelden (na een onvriendelijke ontmoeting) alvorens gastland Italië te treffen in de halve finale op een modderig veld in Milaan. Sindelar, de bleke maar atletische Oostenrijkse spelmaker werd gemangeld door Luis Monti, en de Oostenrijksers kregen een nipte nederlaag aan de broek: 1-0.

De Oostenrijkse spelmaker Matthias Sindelar speelde met een nauwgezetheid die paste bij zijn uiterlijk, dat van een schoolmeester. Hij was een jood die de Duitse invasie niet heeft overleefd.

Mussolini regelde dat Italië de WK-finale zou winnen. Na wat gedoe achter de schermen werd hiervoor een scheidsrechter aangewezen die niet al te streng zou fluiten tegen de Italianen. Met grof spel wonnen die dan ook de eindstrijd tegen Tsjecho-Slowakije. Misschien maar beter ook voor Tsjecho-Slowakije, want voor hetzelfde geld was Mussolini anders al in 1934 met de eerste voetbaloorlog uit de geschiedenis begonnen. Vier jaar later werd Italië opnieuw wereldkampioen.

Het beste resultaat werd behaald op de Olympische Spelen in 1936 in Berlijn, waar het Oostenrijks team zilver won, achter (wederom) Italië. Twee jaar later, had Oostenrijk zich ook gekwalificeerd voor het WK in 1938, maar door de Duitse invasie en annexatie van het land (de Anschluss op 13 maart 1938) werd het gedwongen zich terug te trekken. Oostenrijkse internationals werden voor het WK van 1938, één maand na de annexatie door de nazi’s, toegevoegd aan het Duitse elftal. ‘Bimbo’ Binder was één van hen; hij speelde twintig keer voor Oostenrijk en negen keer voor ‘Groot Duitsland’ .

Na de oorlog ontstond opnieuw een fantastisch elftal, maar net als in 1934 was het team net over zijn hoogtepunt heen toen in 1954 het WK werd gehouden. Met Ocwirk aan het roer versloegen de Oostenrijkers de Tsjechen dankzij een briljante hattrick van Probst en kwamen ze tegen Zwitzerland van een 3-0 achterstand terug om uiteindelijk met 7-5 aan het langste eind te trekken. In de halve finale werden ze echter onverklaarbaar ingemaakt door Duitsland met 6-1. Ernst Orwirk was één van de mooiste aanvallende centrum- verdedigers, maar in 1954 was de Oostenrijkse tacktiek verouderd en de sterke West Duitse binnenspelers wisten de Oostenrijkse verdediging volledig te overvleugelen.

In de strijd om de bronzen medaille werd nog wel van Uruguay met 3-1 gewonnen, maar het Oostennrijkse elftal had zijn kruit verschoten en de dagen als voetbalgrootmacht waren voorbij. Overigens was de grote ster in het Oostenrijks team de latere Feijenoord trainer Ernst Happel samen met de veelzijdige Gerhard Hanappi.


1954: Oostenrijk

Het Oostenrijks elftal op 3 juli 1954 in de strijd om de bronzen medaille tegen Uruguay.
V.l.n.r : Ernst Ockwirk, Kurt Schmied, Robert Dienst, Robert Körner, Leopold Barschandt, Theodor Wagner, Karl Koller, Erich Probst, Walter Kollmann, Ernst Stojaspal, Gerhard Hanappi.

1954: Hongarije

Hongarije domineerde het Europese voetbal in het begin van de jaren vijftig. Choach Gusztáv Seves beschikte over een uitzonderlijke sterke generatie voetballers met de goaltjesdief Sándor Kocsis en de geniale Ferenc Puskás. Omdat de Hongaarse voetballers officieel amateurs waren, mocht het team meedoen aan de Olympische Spelen van 1952 waar ze de gouden medaille wonnen, onder meer door een overwinning van 12-0 tegen Zuid-Korea.

De wedstrijd die Hongarije in 1953 op Wembley met 3-6 won is een van de beroemdste wedstrijden uit de voetbalgeschiedenis. Toen de Engelsen een jaar later revanche wilde halen in Hongarijje werden ze met 7-1 verpletterd – nog altijd het zwaarste verlies van het Engelse nationale team.. De Hongaren speelden een (3-2-3-2) systeem. Hierbij speelden de midvoor als extra middenvelder en waren de binnenspelers de centrale aanvallers. Bij het succesvolle Hongaarse team speelden sterspelers Sándor Kocsis rechtsbinnen en aanvoerder Ferenc Puskás als linksbinnen en spits Nándor Hidegkuti speelde daarachter.

Hongarije maakte hiermee veel indruk in de voetbalwereld en kregen als bijnaam: "De Magische Magyaren", helaas leidde dit net niet tot een wereldtitel.

Voor het wereldkampioenschap van 1954 gold Hongarijje als de torenhoge favoriet. De juiste samenstelling van het elftal was, net zoals bij veel andere ‘groten’, bepalend voor hun succes. Zij beschikten niet alleen over Grosics (op dat moment de beste doelman ter wereld) en over een uiterst solide verdediging, maar ook over een spelmaker van formaat (Bozsik) en over ‘s wereld beste spitsen.

Kocsis, de schutter met het stierenhoofd, Hidegkuti, de fijnbesnaarde diepe centrumspits, en de snelle vleugelspeler Czibor waren alle drie magische balvirtuozen. En dan was er Puskás, de gedrongen maestro, die met zijn karakteristieke spel verdedigingen doldraaide en doelpunten maakte alsof het niets was.

Hongarijje was in het toernooi van 1954 veruit het beste elftal; zij versloegen in een zinderende kwartfinale Brazilië en in een legendarische halve finale Uruguay om hun eerste -en enige- finaleplaats op een WK te pakken. In de finale spelen de Hongaren tegen West-Duitsland dat het eerder op het toernooi met 8-3 had verslagen. Hongarije komt op 2-0 voorsprong maar uiteindelijk weten de Duitsers terug te vechten en het ondenkbare te doen en buigen de vroege 2-0 achterstand om naar 2-3, een gebeurtenis die de geschiedenis in zou gaan als "het wonder van Bern".

De Magische Magyaren verloren tussen 1950 en 1956 slechts één wedstrijd: de WK-finale van 1954 tegen West-Duitsland. Eind 1956 viel het ‘Gouden Team’ definitief uiteen. Russische tanks trokken Boedapest binnen. Veel Hongaarse spelers bevonden zich tijdens de inval met Honved in Spanje. Sterspeler Puskás koos vervolgens voor Real Madrid, waar hij met Di Stefano en Gento vele successen zou vieren. Ook Kocsis en Czibor vluchtten naar Spanje, ze zouden hierna nooit meer samen de nationale eer verdedigen waardoor het wonderteam van Hongarije nooit wereldkampioen zal worden.

Tot aan de revolutie in november 1956 werden zij nog slechts driemaal verslagen, waaronder éénmaal tegen België, en hadden ondertussen opnieuw een reeks van 18 ongeslagen wedstrijden neergezet. En kijkend naar de periode van 8 mei 1949 tot 14 oktober 1956, dan komt je aan 70 wedstrijden, waarvan 54 gewonnen, 11 gelijke spelen en slechts vijf (!) nederlagen. Een reeks die zelden is herhaald.

1954: Hongarijje

1958/1962: Brazilië

Het Braziliaanse elftal van 1958 en 1962 is samen met Italië (1934 en 1938) het enige team dat succesvol zijn wereldtitel heeft weten te verdedigen.

De meeste hedendaagse liefhebbers herinneren zich het WK-team van 1970 als de apotheose van het Braziliaanse voetbal, maar oudere supporters beweren dat dit team Brazilië’s tweede incarnatie van genialiteit was. De eerste was het WK-team vam 1958.

Het WK werd dat jaar in Zweden gehouden en begon zonder een duidelijke favoriet. Brazilië had zich met horten en stoten voor het eindtoernooigeplaatst en werd beschouwd als een getalenteerd maar slecht georganiseerd elftal. Dat beeld veranderde als snel. In een storm van aanvallend voetbalblies Brazilië de tegenstanders van het veld.

In 1958 maakte Brazilië furore door in Zweden een 4-2-4 systeem te perfectioneren. De 17-jarige Pelé veroverde in de loop van het toernooi een basisplaats en vormde met Zagallo, Vava en Garrincha een swingende voorhoede. De Brazilianen speelden een nieuw 4-4-2/4-2-4 systeem met hard werkende vleugelspelers die de twee spitsen onder- steunden. Ze husselden gedurende het toernooi het elftal nog al eens door elkaar, maar het resultaat was altijd hetzelfde: verbijsterend en succesvol voetbal. De revelatie van het toernooi was Pelé, een zeventienjarige speler, die door zijn talent en volwassenheid verbaasde. Tijdens de halve finale tegen Frankrijk scoorde Pelé een sensationele hattrick. De finale van 1958 werd in een sublieme wedstrijd met 5-2 gewonnen van thuisland Zweden.

Een belangrijke rol was ook weggelegd door de zwervende Didi, die haast zonder adem te halen negentig minuten lang over het veld raasde. Garrincha speelde een grote rol in de latere fase van het toernooi in 1958; een spelersafvaardiging onder leiding van Nilton Santos eiste dat hij werd opgesteld. Hij bewaarde zijn beste optredens voor 1962 toen hij na een blessure van Pelé het elftal bij de hand nam. De kwartfinalewedstrijd tegen Wales in 1958 was Mazolla’s laatste wedstrijd voor Brazilië. Onder zijn doopnaam José Altafini speelde hij bij het WK van 1962 voor zijn nieuwe vaderland Italië.


1958: Brazilië

Op het WK van 1962 in Chili raakte Pelé in de tweede wedstrijd geblesseerd. Zagallo werd middenvelder en Amarildo bleek een volwaardige vervanger. De ster van 1962 was echter Garrincha die bij afwezigheid van Pelé de kar trok met zijn onnavolgbare dribbels. Een hoogtepunt was de overwinning in de kwartfinale op Engeland. Vavá, Garrincha en Didi waren opnieuw sterren van het toernooi.

Garrincha vernietigde Engeland in de kwartfinale en deed hetzelfde met de geweldadige gastheren van Chili in de halve finale; en hoewel hij aan het einde van de wedstrijd van het veld was gestuurd, mocht hij toch meedoen in de finale. De finale speelde Garrincha met 39 graden koorts. Een 1-0 achterstand tegen Tsjecho-Slowakije werd uiteindelijk omgebogen tot 3-1 winst.

Weinig teams hebben zo aanvallend en met zulk spelplezier op een WK gespeeld als deze dubbelkampioen.

Op het WK in Engeland ontgoochelde het inmiddels ouder geworden team. Brazilië wilde drie keer op rij winnen en speelde voor het WK veel wedstrijden met vele spelers en selecteerde vaak op reputatie, zoals de inmiddels 37-jarige Garrincha. Toch was hij het die samen met Pelé de overwinning binnen haalden tegen Bulgarije. De Bulgaren tackelden Pelé een aantal keren waardoor hij rust kreeg voor de wedstrijd tegen de Hongaren. Voor het eerst in twaalf jaar, sinds de "Slag van Bern", verloren de Brazilianen op het WK en ook nu weer tegen Hongarije, Tostão scoorde wel zijn eerste WK-doelpunt. In de derde wedstrijd tegen het Portugal van Eusébio kreeg het land een 3-1 om de oren en was voortijdig uitgeschakeld..

Met een sterk verjongd elftal rond Pelé kon het land op het WK in Mexico voor de derde maal in twaalf jaar de titel winnen. Na een sterk toernooi trof het land Italië in de finale en won deze met 4-1. Naast Pelé vergaarden ook Jairzinho en Roberto Rivellino eeuwige roem. Jairzinho slaagde er zelfs in om in elke wedstrijd te scoren. Na deze overwinning kreeg Brazilië de Coupe Jules Rimet, die in 1983 echter gestolen werd..

1962: Brazilië

1966: Engeland

Veel beroering was er rond de wedstrijden van de Zuid-Amerikaanse ploegen op het WK in 1966. West-Duitsland tegen Uruguay liep uit de hand. Engeland tegen Argentinië was nog erger. De Duitse scheidsrechter Rudolf Kreitlein stuurde de Argentijnse aanvoerder Rattin uit het veld vanwege onophoudelijk protesteren. Echter, de Duitser sprak geen woord Spaans en Rattin weigerde van het veld af te stappen. Het duurde tien minuten, voordat de wedstrijd door kon gaan.

Daarna ontaarde de wedstrijd in een ordinaire schoppartij met als enig hoogtepunt het Engelse doelpunt van Geoff Hurst. Na afloop mochten de Engelse spelers van coach Alf Ramsey geen shirts wisselen en hij noemde de tegenstander na afloop beesten. De Argentijnen en Uruguayanen waren woedend op de arbitrage, stelden de neutraliteit van de Engelse en Duitse scheidsrechters ter discussie, stuurden alle journalisten naar huis en overwogen uit de FIFA te stappen. Vanwege deze incidenten besloot de FIFA vanaf nu gele en rode kaarten in te voeren.

In de finale, op 30 juli 1966, botste Engeland, met Bobby Moore, Gordon Banks en Bobby Charlton, op West-Duitsland, dat zijn heil verwachtte van Uwe Seeler, Karl-Heinz Schnellinger en de jonge Frans Beckenbauer. De man van de wedstrijd werd echter Geoffrey Hurst.

Aanvankelijk was de plaats van centrumspits voor Jimmy Greaves, maar in de laatste groepswedstrijd tegen Frankrijk raakte die geblesseerd, waarop Hurst hem verving. Vervolgens was hij cruciaal in het Engelse succes: in de kwartfinale tegen Argentinië scoorde hij het enige doelpunt. In de halve finale tegen Portugal gaf hij de beslissende voorzet aan Bobby Charlton.

De finale tegen West-Duitsland in het Wembley-stadion werd de wedstrijd van zijn leven: Duitsland nam na zes minuten de leiding, maar Hurst maakte zes minuten later gelijk met een kopbal. Daarna gaf hij de voorzet waaruit zijn teamgenoot van West Ham Martin Peters 2-1 scoorde. Na 90 minuten was de stand 2-2, door een gelijkmaker in de slotseconden van Wolfgang Weber.

In de eerste verlenging scoorde Geoff Hurst één van de meest beroemde en omstreden doelpunten uit de voetbalgeschiedenis. Hij schoot een voorzet van Alan Ball tegen de onderkant van de lat, waarna deze achter, op of vóór de doellijn de grond raakte. De scheids- en grensrechter vonden het eerste, televisiebeelden lijken het tweede te suggereren, en iedereen in Duitsland meent het laatste. Hoe dan ook: 3-2 voor Engeland. En in de laatste seconden van de wedstrijd, toen er al feestvierende fans op het gras van Wembley liepen, maakte hij er nog 4-2 van. Tot de dag van vandaag is Hurst de enige speler die driemaal scoorde in een WK-finale.

Geoff Hurst mag dan een hattrick in de finale van 1966 hebben gescoord. De charis- matische Bobby Moore mag de wereldbeker op Wembley in ontvangst nemen. Maar de drijvende kracht achter het Engelse elftal dat in 1966 wereldkampioen werd was een wat statige aanvaller die zijn beginnende kaalheid probeerde te verbergen met strategisch geplaatste lokken. Bobby Charlton was een van de weinige "Busby Babes" die het vliegtuigongeluk van 1958 overleefde. Datzelfde jaar werd hij toch voor zijn eerste WK opgeroepen.

Op het toernooi van 1966 hielp hij persoonlijk Engeland met een schitterend afstandschot over het dode punt tegen Uruguay. In de lastige halve finale tegen het Portugal van Eusébio scoorde Charlton beide doelpunten. In 1970 leek Engeland over een nog beter team te beschikken. In de kwartfinale geven de Engelsen met nog 25 minuten te spelen een 2-0 voorsprong uit handen tegen West-Duitsland. Nadat Charlton vermoeid van de hitte uitvalt is Engeland elke controle kwijt en verliest met 3-2.

Het nationale elftal van Engeland telde vele illustere namen: de gebroeders Charlton, aanvoerder Moore, en – natuurlijk – Geoff Hurst, die voor Greaves was ingevallen. Maar geen naam wordt met zoveel eerbied genoemd als die van Ramsey. Alf Ramsey, maakte in de jaren veertig en vijftig furore als verdediger en centrumspeler voor Southhampton en Tottenham Hotspur. Voormalig Engels premier Blair portretteerde hem als ‘Churchill van de voetbalwereld’.

Zijn loopbaan als international (1948-’53) was minder glorieus. Het dieptepunt werd gemarkeerd door de nederlaag van Engeland tegen de Verenigde Staten tijdens de Wereldkampioenschappen in Brazilië van 1950. Van 1963-’74 was hij coach van het nationale elftal.

In 1967 werd hij geridderd. Zijn finest hour, tijdens de WK in Engeland in 1966, vormde tevens de opmaat van de omslag in zijn fortuin. Hij kon de hooggespannen verwachtingen die het publiek van het Engelse elftal bleef koesteren niet waarmaken, en werd in 1974 ontslagen.

Het blijft vreemd dat voetballand nummer 1 maar één internationaal succes kende: wereldkampioen in 1966. Voor de rest kwam het niet veel verder dan een vierde plaats op de WK’s van 1990 en 2018 en verder een halve finale plaats in eigen land op het EK van 1996.

Engeland heeft een alleszeggende scéne: de Engelse voetballer die met gebogen hoofd terugloopt na het missen van de beslissende strafschop. De dader is in elk tijdperk weer aan ander: -Stuart Pierce, Gareth Southgate, David Batty, Jamie Carragher- maar de scéne is eeuwig. Nederland sterft in schoonheid en Engeland sterft gewoon.

Alf Ramsey, de enige Engelse bondscoach die ooit de wereldbeker heeft gewonnen, voorzag de overwinning van 1966. Dat wordt echter een stuk minder indrukwekkend zodra je beseft dat bijna elke Engelse bondscoach de WK-overwinning voorziet, inclusief Ramsey de twee keren dat hij niet won.

Na de uitschakeling van zijn ploeg in 1970 was hij stomverbaasd, en zei: "Nu moeten we vooruitkijken naar het volgende WK in München, waar onze winstkansen mijns inziens heel erg goed zijn. " Engeland kwalificeerde zich niet voor dat WK.

Traditioneel gaan Engelse voetballers vanaf de aftrap als gekken tekeer, Voor het einde van de wedstrijd zijn ze meestal doodop, ook als ze geen kater hebben.

Dat blijk uit de merkwaardige spreiding van Engelse doelpunten op grote toernooien. Op elk WK dat ooit is gespeeld, vielen de meeste doelpunten in de tweede helft van wed- strijden. Dat is precies wat je zou verwachten: in de tweede helft worden spelers moe, teams die achterstaan gooien alles op de aanval en er vallen gaten op het veld. De uitzondering is Engeland. In hun laatste vijf grote toernooien scoorden de Engelsen 22 van hun 35 doelpunten vóór het rustsignaal. Engeland voetbalt dus als een goedkope batterij.

Dat komt deels doordat de Engelse competitie zo zwaar is, maar deels ook omdat het team blijkbaar niet probeert te temporiseren. Italianen weten precies hoe ze hun krachten over negentig minuten moeten verdelen. Vaak lassen ze rustperiodes in, waarin ze acheruit spelen en ervoor zorgen dat er even niets gebeurd. Ze weten namelijk dat de beste scoringskansen meestal in de slotminuten komen. Iets wat de Engelse elftallen nog moeten leren en tot die tijd moeten we wachten op Engels elftal dat de prestatie van het elftal uit 1966 kan evenaren.


1966: Engeland


1970: Brazilië

Onder voetballiefhebbers is het een eeuwige discussie: wat is het beste Braziliaanse elftal aller tijden? Vaak eindigt het elftal dat in 1970 voor de derde keer het wereldkampioen- schap won op de eerste plek. Van het fantastische elftal dat twee keer achter elkaar wereldkampioen werd was alleen Pelé nog over. De viermansvoorhoede vormde hij samen met de onuitputtelijke Rivelino, Tostao en Jarzinho. Met een swingende 4-2-4 formatie liet het elftal elke wedstrijd defensief wat steken vallen. Maar uiteindelijk won het dankzij de aanvalsdrift alle wedstrijden op het toernooi. Het vierde doelpunt in de finale tegen Italië, een aanval over veel schijven die afgerond wordt met een ziedend schot van Carlos Alberto, beschouwen veel liefhebbers als een van de mooiste doelpunten aller tijden.

De Italianen hadden een ronde eerder de wedstrijd die later tot allerbeste voetbalwedstrijd ooit werd gekozen (tegen West-Duitsland) gewonnen. Tegen de Brazilianen hadden zij echter niets in te brengen. Dit Braziliaanse elftal bestond uit jonge twintigers als Carlos Alberto, Gérson en Tostao aangevuld met de zeer ervaren Pelé en Hercules Brito. Het was ook het laatste elftal dat met meer dan drie voorwaartsen op een wereldkampioenschap durfde te spelen.

Bondscoach Mario Zagallo stuurde namelijk een 4-2-4 formatie het veld in waarbij rechtsback Carlos Alberto ook nog eens de achterlijn moest halen, denk aan zijn beroemde goal in de finale tegen Italië.

Pelé, de gootste voetballer aller tijden, had het WK van 1958 al achter zijn naam staan, maar op de WK’s van zowel 1962 als 1966 had hij last van blessures. In 1970 speelde hij dieper, in welke rol uitgroeide tot de architect van het, bij vlagen, mooiste voetbal dat de wereld ooit heeft aanschouwd. Hij werd omringd door spelers die perfect inspeelden op zijn ingevingen.

Zoals bijvoorbeeld aanvaller Gérson die twee pakjes sigaretten per dag rookte. Bij de rust stond een verzorger van Brazilië klaar met een brandende sigaret, zodat Gérson tenminste tijd had om er in de rust twee op te roken. Drie kwartier zonder sigaret vond ie maar niks, maar hij mocht ze in het veld niet opsteken.

En natuurlijk was daar ook Jairzinho, de flitsende buitsenspeler van Botafogo. Hij was minder getruct dan zijn voorganger Garrincha, maar directer in zijn spel; zijn belangrijkste wapens waren zijn bedriegelijke tempoversnelling en krachtige schot. Maar pas nadat hij uit de schaduw van Garrincha was getreden en op de rechterflank was geplaatst, kwam hij in het Braziliaanse elftal goed tot zijn recht.

Hij was een sleutelspeler van het fabelachtige WK-elftal van 1970. Hij was een ideaal aanspeelpunt voor de Brazilianen omdat hij de bal in hoog tempo naar voren bracht en Gérson en Pelé met voorzetten en passes bediende. Hij was ook voortdurend doel- gevaarlijk en scoorde in elke ronde van het toernooi, ook in de finale.

Tot de blijvende herinneringen aan het WK van 1970 behoren de schoten van de fraai besnorde Rivelino, met name uit stilstaande situaties. Hij verstond de kunst de bal een gevaarlijke draai mee te geven en tegelijkertijd toch hard te schieten, iets wat de wereld nog nooit had aanschouwd. Hij leek de bal te kunnen plaatsen waar hij maar wilde. Maar hij schoot niet altijd met een boogje; soms gaf hij Jairzinho simpelweg opdracht in de muur te gaan staan, waarna hij de bal recht op zijn ploeggenoot afvuurde in de hoop dat deze zou bukken.

Goed beschouwd speelde dit elftal al totaalvoetbal voordat Oranje het in 1974 uitvond. Met Clodoaldo als spil op het middenveld en naast Pelé en Tostao voorin ook Rivellino en Jairzinho werd er lustig op los gepasst en voortdurend van positie gewisseld. De overmacht die dit elftal had over tegenstanders is alleen geëvenaard door clubteams.

1970: Brazilië

1972-1974 West-Duitsland

De laatste zestig jaar zijn de prestaties van het (West) Duitse voetbalelftal zo constant geweest, dat het eigenlijk niet passend is om een specifiek Duits team speciaal in het zonnetje te zetten. Maar vanwege zijn alleenheerschappij in het begin van de jaren zeventig steekt het elftal van Beckenbauer, Breitner en Müller boven de andere uit, zelfs boven het succesteam van de jaren negentig.

Nadat de Duitsers in 1970 in een opwindende halve finale op het WK van Italië hadden verloren, hergroepeerde ze zich en kwamen nog sterker voor de dag bij het EK 1972. Onder de aanvoering van Günter Netzer, de briljante, maar onvoorspelbare middenvelder wonnen ze het toernooi op hun sloffen, onder meer door een voorbeeldige overwinning op Engeland in het Wembley stadion.

Tot aan de kwartfinales van het EK 1972, bestonden de ontmoetingen uit een uit- en thuiswedstrijd en met Engeland en Duitsland botsten de finalisten van het WK ’66 op elkaar in de kwartfinale. Sinds 1909 had West-Duitsland alle vijf uitwedstrijden tegen Engeland verloren. Zonder de geblesseerden Overath, Vogts en Weber gaf ook dit keer niemand iets voor de Duitsers. Tot verrassing van de Engelsen stuurde bondscoach Helmut Schön een puur offensief elftal het veld van Wembley op, met drie spitsen en drie aanvallende middenvelders.

Onder leiding van de dirigenten Beckenbauer en Netzer was Duitsland oppermachtig, hetgeen tot uitdrukking kwam in de 3-1 triomf. Waardoor de return (0-0) in de stromende regen van Berlijn een formaliteit werd.

Müller was in die periode in topvorm. 23 dagen voor de finale had hij bij de opening van het Olympisch Stadion in München tegen de Sovjet-Unie vier maal gescoord (4-1). In de eindstrijd werd het 3-0, mede dankzij twee doelpunten van Müller.

De Europees kampioen van 1972 wordt wel het beste Duitse team ooit genoemd. Jaren later verklaarde Schön dat hij vaak de video van Engeland – Duitsland bekeek als hij een mooie avond wilde hebben. ",Het was een elftal met een enorm spelvreugde. Ik denk dat die voortkwam uit de harmonie binnen het team, dat was opgebouwd uit twee machts- blokken, die van Bayern München en Mönchengladbach. Dat heeft zich uitbetaald, ook in die grootse wedstrijd op Wembley."

"We hebben in Londen en de wedstrijden erna gecombineerd zoals dat later zelden nog gebeurde, we hebben gewoon prachtig voetbal geboden. Daartoe is slechts een superteam in staat, zoals we dat toen bezaten. Ik had graag met dezelfde formatie de WK in Duitsland gespeeld, maar dat ging helaas niet. De wereldtitel in 1974 was de belangrijkste triomf uit mijn loopbaan. De mooiste was echter het Europees kampioenschap van twee jaar eerder."

1972: Duitsland
Van links naar rechts: Beckenbauer, Maier, Schwarzenbeck, Heynckes, Netzer, Wimmer, Müller, Höttges, Kremers, Breitner en Hoeness.

Op het WK van 1974 kwam de grote schok na de loting, toen West-Duitsland uitgerekend aan Oost-Duitsland werd gekoppeld. Het zou de eerste (en laatste) keer zijn, dat de beide bloedverwanten een interland tegen elkaar zouden spelen. Na het zowel qua spel als qua resultaat zeer succesvolle EK in 1972 werd er veel verwacht van de West-Duitsers.

Echter, kwa prestige stond er veel meer op het spel, het was een strijd tussen kapitalisme en communisme. West-Duitsland draaide stroef, Oost-Duitsland beperkte zich tot verdedigen. 13 Minuten voor tijd scoorde Jürgen Sparwasser het winnende doelpunt voor de communistische heilstaat tot grote vreugde van de regering Honecker.

Beckenbauer belegde een vergadering voor zijn team zonder coach Helmut Schön om onder het genot van drank en sigaren de ploeg bij elkaar te brengen, achteraf gezien een beslissend moment in het kampioenschap. Voornaamste slachtoffer was de uitblinker van het laatste EK Günter Netzer, hij was al gepasseerd ten gunste van de andere spelbepaler Wolfgang Overath, maar zou nu op de tribune terechtkomen. Voor West-Duitsland had de pijnlijke nederlaag ook een gunstig effect, het ontliep nu in de volgende ronde Brazilië en Nederland.

West-Duitsland kreeg het wereldkampioenschap van 1974 niet in de schoot geworpen. In een wedstrijd tegen een Nederlands elftal dat als een van de grootste nationale teams ooit wordt beschouwd. De Duitsers wisten de eerste twintig minuten nauwelijks een bal aan te raken, maar toonden hun kenmerkende veerkracht door een achterstand om te buigen tot een 2-1 winst.

Het zegenvierende WK-team van 1974 was typisch Duits. De verdediging bestond uit louter getalenteerde voetballers, onder wie Berti Vogts, een blonde terriër op de back- positie, de aanvallende roverhoofdman Paul Breitner en natuurlijk Franz Beckenbauer. Voor hen stond een zeldzaam atletisch en energiek middenveld: het vleugelspel van Grabowski gaf Wolfgang Overath afspeelmogelijkheden voor zijn fluwelen linker en leverde munitie voor het niet-aflatende loopvermogen van de nieuwe ster Rainer Bonhof. Helemaal voorin liep Gerd Müller, een spits met een onbetaalbaar neusje voor de goal, ook als de rest van zijn team aan het worstelen was. Dit was geen dreamteam. Dit was echt.

1974: Duitsland

1974: Nederland

Het grote Brazilië van Pelé was aan het eind van de rit gekomen. Het was tijd voor een nieuwe wind in het internationale voetbal. Nederland had zich met moeite gekwalificeerd -met een laat doelpunt tegen Noorwegen waardoor België werd uitgeschakeld- maar in Duitsland was het een openbaring. Zelfs bij aanvang van het WK in 1974 in West-Duitsland was er weinig animo voor het voetbal van Oranje. Het Nederlands elftal deed voor het eerst sinds 1938 weer mee op het hoogste wereldpodium.

Op het WK van 1974 in West-Duitsland combineerde de Nederlandse bondscoach Rinus Michels het beste van de Ajax en Feyenoord elftallen die al vier jaar Europa op clubniveau domineerden. Het Nederlands voetbalelftal maakt in 1974 wereldwijd diepe indruk met het zogenaamde ‘totaalvoetbal’. Deze curieuze voetbalstijl was op het hoogste niveau niet eerder vertoond.

Het totaalvoetbal was een revolutionaire manier van voetballen waar spelers niet werden beperkt tot hun aanvallende of verdedigende rol. Techniek werd gecombineerd met harde tackles. Al snel kreeg het team de bijnaam Clockwork Orange en de ‘Oranje Machine’ (in het Spaans: La Naranja Mecánica). Bondscoach Rinus Michels laat het aan de spelers zelf over hoe ze het totaalvoetbal willen spelen. De Nederlanders vallen niet alleen op door hun spel, maar ook door hun uiterlijk en gedrag. Met halflang haar en het shirt nonchalant uit de broek treden ze stoer en zelfverzekerd de wereld tegemoet.

Sociologen zien ook een duidelijke relatie tussen de opmars van het Nederlands totaalvoetbal in de jaren ’70 en het toenemend zelfvertrouwen der Natie. Nederland ontwikkelde een soort van morele superioriteit die je ook in het voetbal terug zag. Tegelijkertijd leidde de verliezen in de finales tot nationale sporttrauma’s: het kleine Nederland met het oogstrelende voetbal verliest toch weer van de grote naties.

Alle spelers speelden heel heel gemakkelijk en hun beweeglijkheid en samenspel waren buitengewoon. Aanvallers verdedigen mee en verdedigers verschijnen in de voorhoede. Alle spelers waren in staat om aan te vallen en af te maken. Deze speelstijl zorgde voor grote verwarring en ontzag bij de tegenstanders. Dit alles werd gecombineerd met een nonchalance (lang haar, ongeschoren, shirt uit de broek) en een ogenschijnlijk speelgemak van de Nederlanders.

In 1974 werden titelverdediger Brazilië en Zuid-Amerikaanse grootmachten Uruguay en Argentinië verslagen. In de eerste zes wedstrijden kreeg het Nederlands elftal maar 1 goal tegen en scoorde het zelf veertien keer. Onder leiding van een briljante Johan Cruijff schopt Nederland het tot de finale. Helaas wist Oranje dit niet te verzilveren in de vorm van winst op het WK. De succesformule zorgde voor veel enthousiasme maar resulteerde ook in een van de grootste Nationale sporttrauma’s. In de finale tegen West-Duitsland komt Oranje na 2 minuten al op voorsprong maar verliest uiteindelijk met 1-2.

In de veel analyses is ook de nonchalante houding en het gebrek aan discipline als oorzaak genoemd. Even zoals het gebrek aan ‘killerinstinct’ dat in onze cultuur zit ingebakken en dat ook in het voetbalspel tot uiting komt als het er echt om gaat.

Weer anderen vinden het mooie aanvallende pure totaalvoetbal wel oogstrelend maar in essentie toch niet effectief genoeg om gedisciplineerde systemen van voetbalreuzen als Duitsland en Argentinië te doorbreken.

Het beste elftal dat nooit een prijs won. Zo wordt het Nederland van Cruyff en Van Hanegem ook wel genoemd. Onder leiding van het duo op het middenveld vond Nederland de aansluiting met de wereldtop. Het Nederlandse totaalvoetbal was in ieder geval op zijn artistieke hoogtepunt in 1974 en ondanks het verlies zal Oranje altijd worden herinnerd als een van de beste voetbalploegen aller tijden.

Van Hanegem, soeverein en subtiel, en de energieke Johan Neeskens waren de machinekamer van het middenveld. Wat vaak wordt vergeten is hoe onverzettelijk het Nederlands elftal was. Als de aanval het af liet weten, dan was het Nederlands elftal in staat om diep te gaan: Krol, Rijsbergen, Haan, Neeskens waren niet alleen geweldige voetballers maar waren ook niet bang om er stevig in te gaan. Maar bovenal was er Cruijff. Met al dat talent achter hem en de pezige kracht van Rensenbrink naast hem, stak hij er met zijn trucs en snelheid bovenuit.

Opvallend is dat, buiten Ruud Krol, de spelers van het elftal stuk voor stuk niet tot hoge totalen interlands zijn gekomen. Hoewel ook 1978 de finale van het WK werd bereikt. Helaas werd ook deze finale verloren en behield het Nederlands elftal de status van het grootste team dat nooit iets won.

De spelers van de winnaar van dit toernooi Duitsland speelden wel vaak tachtig tot honderd interlands met een finale in 1966, een halve finale in 1970, winst in 1974 en een plaats in de tweede poulefase in 1978 maar kregen nooit de lof die Oranje wel kreeg.


1974: Nederland

1982: Italië

Het Italiaanse voetbalelftal werd vier keer wereldkampioen (in 1934, 1938, 1982 en 2006) en had in onder anderen Gianni Rivera, Paolo Rossi, Dino Zoff en Paolo Maldini ster- spelers.

Toch is iedereen die het WK van 1934 heeft bijgewoond ervan overtuigd dat Italië het WK nooit gewonnen zou hebben zonder de hulp van Mussolini. Vittorio Pozzo was op jonge leeftijf coach van het Italiaanse elftal op de Olympische spelen van 1912, Hij was zeer onder de indruk van de coaching van de Oostenrijkse trainer Hugo Meisi, en toen hij het Italiaanse elftal onder zijn hoede kreeg, besloot hij te gaan bouwen aan een ploeg die het kon opnemen tegen het Wunderteam van Meisi.

Pozzo legde zijn spelers een voorheen ongekende discipline op en introduceerde enkele revolutionaire vernieuwingen op tactisch gebied. Hoewel Italië op het WK van 1934 een sterk elftal was had het op eigen kracht nooit Spanje en Oostenrijk kunnen verslaan. De gastheren hadden zich met behulp van partijdige arbitrage, intimidatie en het nodige geweld een weg naar de overwinning gebaand. Hoewel het toernooi was bedoeld als een paradepaardje voor Mussolini’s Italië, werd het een symbool van de wreedheid en corruptie van het fascisme.

Vier jaar later wonnen ze opnieuw, met dezelfde coach, tactiek en nog meer agressie. Het WK van 1938 werd in het politiek redelijk neutrale Frankrijk gehouden. Opnieuw een Europees land dus. Dit had vooral te maken met logistieke moeilijkheden maar ook met de politieke onrust in Zuid Amerika, waar ook Argentinië mee te maken had en Nazi Duitsland viel automatisch af omdat men een herhaling van de Hitler publiciteitsmachine, zoals op de Olympische Spelen van 1936 te Berlijn, absoluut wou vermijden.

Italië had iets recht te zetten en wou bewijzen dat ze de winst in eigen land in 1934 niet gestolen had haalde zonder veel problemen de finale. Voor de finale tegen Hongarije stuurde Mussolini een telegram naar de Azzurri, met de boodschap ‘Winnen Of Sterven !’ Deze finale werd gewonnen door de Italianen met 4-2, na afloop sprak de Hongaarse doelman: "Ik heb vandaag 4 goals binnengelaten, maar ik heb de levens van de Azzurri’s gered!".

Toch zal aan hun zege van 1938 voor velen altijd een smet kleven, niet vanwege hun achterbakse manier van spelen, maar omdat Giuseppe Meazza het betreurenswaardige besluit nam de fascistische groet te brengen toen hij de beker uitgereikt kreeg.

Italië begon in 1982 het WK in Spanje onrustig na een slechte voorbereiding. Juventus-aanvaller Bettega was geblesseerd. De hoop van de natie was gericht op spits Paolo Rossi die net terugkeerde van een schorsing vanwege zijn rol in een omkoopschandaal. De eerste ronde overleefde de Azzuri met drie gelijke spelen ternauwernood. In de tweede ronde klikte het opeens en werd van regerend wereldkampioen Argentinië gewonnen.

Daarna kwalificeerde Italië zich voor de halve finale dankzij een legendarische hattrick van Paolo Rossi die uiteindelijk de topscoorder van het toernooi zou worden.

De Italianen speelde met een ijzersterke verdediging onder leiding van Gaetano Scirea. Op het middenveld heerste de onvermoeibare Tardelli naast de technicus Antognoni. Ondanks afwezigheid van die laatste wint Italië de finale overtuigend met 3-1 tegen West-Duitsland. Het elftal van 1982 is de trots van het Italiaanse voetbal.

Italië had een goede generatie spelers met behalve sterspeler Rossi onder anderen spelmaker Giancarlo Antognoni, libero Gaetano Scirea, de snelle rechtsbuiten Bruno Conti en het talent Giuseppe Bergomi. Deze laatste verving als 18-jarige de geschorste Claudio Gentile in de wedstrijd tegen Brazilië, waarin hij Serginho uit de wedstrijd speelde. Doelman Dino Zoff van Juventus was de stille leider van de ploeg. Hij speelde in de openingswedstrijd tegen Polen (14 juni) zijn honderdste interland voor de nationale ploeg.

1982: Italië

1982-1986: Brazilië

Op het WK van 1982 speelde Brazilië voor het eerts sinds 1970 weer schitterend aan- vallend voetbal: de inspirators waren Socrates, Falcao, Cerezo en Zico. Het was een frisse wind na hun stugge tactiek in 1978 en het gaf Zico, die in 1978 enorm teleurgesteld had, de kans zijn ware talent te laten zien.

Zijn onvermoeibare kracht en venijnige schoten voegden extra vuurkracht toe aan de geraffineerde bewegingen van de mannen in het goudgeel. Dat was maar goed ook want de andere spits, Serginho, was niet veel soeps. Helaas was Zico in het toernooi van 1986 weer wisselvallig en zeurderig, zoals 8 jaar eerder. Zico zou zelfs het gevaar hebben gelopen dat hij als grote, niet ingeloste belofte herinnerd zou worden, als hij in 1982 niet zo fantastisch had gespeeld.

Het Braziliaanse elftal was tijdens in 1982 tijdens het WK in Spanje, misschien wel het beste Braziliaanse elftal in de geschiedenis. Zoals we in Nederland weten worden de beste teams niet altijd wereldkampioen. Na het stug voetbal in de jaren zeventig keren de Brazilianen op het WK van 1982 terug als ambassadeurs van het sambavoetbal.

In de eerste vier wedstrijden trakteren Zico, Sócrates, Falcão en Éder de toeschouwers op weergaloos aanvallend voetbal, vol briljante passes, hakjes, overstapjes en doelpunten. In de poulefase werd van de Sovjet-Unie (2-1), Schotland (4-1) en Nieuw-Zeeland (4-0) gewonnen.

In de tweede ronde heeft het team tegen Italië genoeg aan een gelijkspel om naar de halve finale door te stoten. In het Sarriá-stadion (Barcelona) gaat Brazilië tegen Italië echter ten onder aan arrogantie en verdedigende fouten. Elke keer komt Brazilië terug maar telkens brengt Paolo Rossi Italië op een voorsprong. Het wordt door het 3-2 verlies tegen Italië (driemaal Rossi) uit het toernooi gegooid.

De voetbalwereld is gechoqueerd door de onverwachte uitschakeling. Vriend en vijand waren het er over eens. Eigenlijk had Brazilië in 1982 de wereldtitel verdiend, met dank aan de in 2006 overleden coach Telê Santana.

1982: Brazilië

Vier jaar later werd het land weer ongeslagen groepswinnaar in de eerste ronde. De tweede groepsfase was afgeschaft en er volgde nu een achtste finale, waar Polen met 4-0 opzij gezet werd. In de kwartfinale tegen Frankrijk ging het land eruit nadat ze in de straf- schoppenreeks hun meerdere moesten erkennen in de Fransen.

De laatste trap die Socrates in het shirt van Brazilië tegen de bal heeft gegeven, was een gemiste strafschop in de penaltyreeks die in de kwartfinale van het WK in 1986 de uitschakeling tegen Frankrijk betekende.

Het was een droevig afscheid van de lange bebaarde middenvelder die, evenals vier jaar eerder in Spanje, het toernooi had opgeluisterd met zijn briljante loomheid. Hij was niet bepaald een conditietijger -hij rookte twintig sigaretten per dag en was al sinds zijn voetbaljaren alcoholicus- maar leek door de wedstrijden heen te wandelen en met passes en schoten te strooien als een sinterklaas die met gulle hand aan de minder bedeelde kinderen geeft.

Opnieuw werd Brazilië in 1986 geen wereldkampioen. Sócrates heeft de wereldbeker nooit zelf kunnen winnen, maar jaren later lukte het zijn jongere broer Raí wel. Die speelde in het Braziliaanse elftal dat in 1994 in de Verenigde Staten wereldkampioen werd.

Met het middenveld van 1982, met Socrates, Zico, Falcao en Cerezo, zou Brazilië gemakkelijk wereldkampioen hebben kunnen worden, maar helaas waren de aanvallers voor Braziliaanse begrippen opmerkelijk zwak. Vier jaar later weigerde een lethargisch spelend Braziliaans elftal het beste uit zichzelf te halen, en de zege van Frankrijk na penalty’s was verdiend.

Het was ook het einde van een tijdperk, bondscoach Telê Santana trad terug en ook spelers Zico, Sócrates, Falcão en Oscar stopten bij de nationale ploeg. Éder was in zo’n slechte vorm dat hij zelfs niet geselecteerd werd voor het WK en Toninho Cezero had al eerder moeten afhaken door een blessure. Er werd een nieuw elftal gebouwd rond de spelers Taffarel, Dunga, Bebeto en Romário, die in 1989 een eerste titel binnen haalden met de Copa América 1989.

Geen enkele prijs kon de oogstrelende Braziliaanse selectie – helaas – winnen. Zowel op het WK van 1982 in Spanje als vier jaar later op het WK in Mexico faalde de zo bejubelde sambaploeg. Toch zal ze voor vele kenners geboekstaafd staan als één van de beste voetbalteams ooit.

Brazilië is het enige land dat tot nog toe aan elke editie van het WK deelnam. Het land organiseerde in 1950 en 2014 het WK en is met 5 wereldtitels het succesvolste land ooit. In Zuid-Amerika won het land al acht keer de Copa América, maar moet hier Argentinië en Uruguay voor laten gaan.

1986: Brazilië

1986: Argentinië

Het eerste grote internationale toernooi voor het land waren de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam. Voor de invoering van het WK stonden de Olympische Spelen gelijk aan het WK en had het voetbal er ook veel meer aanzien dan de bijrol die het nu speelt op de Olympische Spelen. Na een verpletterende 11-2 overwinning op de Verenigde Staten, werden ook België (6-3), en Egypte (6-0) afgedroogd. In de finale trof het land de buren van Uruguay, en de verdedigende kampioen. Na een 1-1 gelijkspel verloor Argentinië de replay en ging met de zilveren medaille naar huis.

De glorietijden van Argentinië op een WK kwamen in de jaren 1978 en 1986. Het jaar 1978 zullen de Nederlanders nog wel herinneren. In de finale stonden ons vaderland en het Argentinië van de veel scorende Mario Kempes tegenover elkaar. De Argentijnse spits schoot tijdens het WK zes keer raak en schoot in de finale de 1-0 binnen, net als de 2-1, en maakte zich een vedette door de titel binnen te halen in eigen land. In de schaduw van Kempes stond Ubaldo Fillol. De keeper beleefde een zeer goed toernooi en kreeg maar vier doelpunten tegen.

Dit succes werd gevierd met een groot feest, dat opnieuw gevierd kon worden in het jaar 1986. Het WK van 1982 was voor Argentinië en de jonge ster Diego Maradona uitgelopen op een afgang. Vier jaar later was Maradona op het toppunt van zijn kunnen.

In de kwalificatie voor het WK 1986 begon het elftal maar met een nipte 2-3 zege tegen kneusje Venezuela. Ook de volgende drie wedstrijden werden gewonnen waardoor de kwalificatie binnen handbereik leek, maar na een verlies tegen Peru leek dit nog niet zo zeker want op de laatste speeldag moesten beide teams tegen elkaar. Het werd een gelijkspel waardoor Argentinië zich als groepswinnaar plaatste. Peru leidde wel lang met 2-1, maar Ricardo Gareca kon nog de gelijkmaker maken. Ondanks de kwalificatie kreeg Bilardo bakken kritiek in de media omdat hij te defensief zou spelen. In de aanloop naar het WK verloor het elftal van Frankrijk en Noorwegen en kon dan wel Israël met 7-2 verslaan.

Coach Bilardo besluit vervolgens een ploeg voor het WK in 1986 te bouwen vol harde werkers rond de nummer 10 die eigenhandig zijn team naar de finale leidt. De openingswedstrijd werd met 3-1 gewonnen van Zuid-Korea. De tweede wedstrijd was tegen regerend wereldkampioen Italië. Nadat de Italianen al na zes minuten op voorsprong kwamen kon Maradona in de 34ste minuut de gelijkmaker scoren. Nadat ook de laatste wedstrijd gewonnen werd tegen Bulgarije ging Argentinië als groepswinnaar naar de tweede ronde. Hier trof het land de aartsrivaal Uruguay, die met 1-0 opzij gezet werd.

De geladen kwartfinale tegen Engeland is onvergetelijk dankzij twee doelpunten van Maradona. De eerste scoort hij met de hand, de tweede is een weergaloze solo vanaf de eigen helft waarbij Maradona op onnavolgbare wijze door de Engelse verdediging dribbelt. Deze goal werd later uitgeroepen tot goal van de eeuw door de FIFA. Engeland kon
wel nog de aansluitingstreffer scoren maar verloor toch met 2-1.

De overwinning werd uitbundig gevierd gezien de rivaliteit die er sowieso al was tussen de teams en ook nog doordat enkele jaren eerder Argentinië de Falklandoorlog verloren had van het Verenigd Koninkrijk.

In de halve finale werd België met 2-0 opzij gezet en in de finale troffen ze West-Duitsland. José Luis Brown opende de score voor de Argentijnen en Jorge Valdano bracht ArgentinIë op een 2-0 voorsprong. Na goals van Karl-Heinz Rummenigge en Rudi Völler keerde de Mannschaft echter weer langszij. In de finale tegen West-Duitsland maakt cipier Matthäus Maradona vrijwel onschadelijk totdat deze met een briljante pass de Duitse verdediging splijt en Burruchaga de winnende goal kan scoren.

Maradona werd ook bekroond door de FIFA als beste speler van het toernooi. Het elftal dat de finale haalde was Nery Pumpido, Brown, José Luis Cuciuffo, Oscar Ruggeri, Olarticoechea, Ricardo Giusti, Sergio Batista, Enrique, Burruchaga, Maradona en Valdano.

Na dit succes was het eigenlijk over, al werden in 1991 en 1993 nog wel de Copa América binnen gesleept. In 1992 won het land ook de Confederations Cup nog, maar de beste prestatie na 1993 was de finale op het WK 2014. Wel wonnen de Argentijnen de titel op de Olympische Spelen in 2008, waar spelers als Messi, Mascherano en Riquelme meededen maar ook spelers van de jongere garde als Di Maria, Agüero en Buonanotte.

1986: Argentinië

1998-2000: Frankrijk

Als je bedenkt dat een Fransman het wereldkampioenschap heeft bedacht, heeft het best lang geduurd voordat het nationale Franse team op het toernooi potten kon breken. Bij de eerste twee tournooien waren de Fransen underdogs: in 1930 verslagen door de harde Argentijnen en in 1934 door het Oostenrijkse Wunderteam. In 1938 wist een beter elftal gesteund door het partijdige thuispubliek, eerst België te verslaan om vervolgens aan te treden tegen de machtige Italianen, die in een provocerend fascistisch zwart shirt speelden. Door een rampzalige keepersfout van Di Lorto kwamen de Italianen op voorsprong, en hoewel de Fransen meteen met een antwoord kwamen, moesten ze in de tweede helft het onderspit delven tegen de energieke Italianen.

Het was geen verrassing dat Frankrijk zich in 1950 niet voor de eindronde kwalificeerde en toen het Franse elftal zich vier jaar later wel plaatste voor het WK in Zwitserland was het elftal nog altijd in ontwikkeling.

Het verhaal van het Franse voetbal begint op het WK van 1958, waar l’equipe, geïnspireerd door Just Fontaine’s uitspatting van 13 ! doelpunten (nog steeds een tournooirecord) eindelijk uit de schaduw van hun illustere buren Italië en Duitsland wist te stappen.

Bij het WK in 1958 legde een onbekend Frans elftal sprankelend aanvallend voetbal op de mat. Hoewel Fontaine met 13 doelpunten het applaus in ontvangst nam, was het toch een Poolse emigrant van de eerste generatie. Het was Raymond Kopaszewski (Kopa) die de inspiratie van het team was. Kopa, een ouderwetse binnenspeler, was een schitterende voetballer en stond aan de basis van alles wat de Fransen lieten zien. Het team scoorde goal na goal, maar de wankele verdediging was niet in staat in de halve finale tegen Brazilië overeind te blijven; een vroege goal van Fontaine prikkelde de Brazilianen slechts tot actie over te gaan. De Fransen waren gehandicapt, doordat verdediger en aanvoerder Jonquet geblesseerd moest uitvallen bij een 1-1 stand. Aangezien er nog geen wissels waren toegestaan, moesten de Fransen de hele tweede helft met tien man spelen. In die periode maakte Pelé een glaszuivere hattrick. De andere goals waren van Vavá en Didi.

In de kleine finale werd tegen heersend werdelkapmpioein West-Duitsland de draad weer opgepakt en Frankrijk won met 6-3, na vier doelpunten van Just Fontaine. Frankrijk stond internationaal op de kaart. Maar ze hadden er nog eens 26 jaar voor nodig om hun eerste internationale succes to boeken. Het Europese kampioenschap van 1984.

Wanneer mensen samenwerken, is het belangrijk dat ze over onderling aanvullende vaardigheden beschikken. Hetzelfde geldt voor een goed middenveldkwartet. Dat moet in balans zijn. In 1984 vond Frankrijk bijna de volmaakte balans. Voor 1984 (eigenlijk 1982) was Frankrijk een middelmatig voetballand binnen Europa. In 1960 waren ‘Les Blues’ (als gastheer) van de partij op het EK, maar daarna volgde er een lange stilte van 24 jaar. Het gewonnen EK van 1984 (wederom een toernooi in eigen land) gaf het Franse voetbal meer aanzien. Het ‘Carré Magique‘ (het Magische Vierkant) verwierf in de jaren 80 wereldwijde bekendheid.

Fernandez was de ultieme balafpakker en sjouwer, terwijl Giresse en Tigana de kracht en het atletisch vermogen inbrachten. En dan was er Platini, de voetballende god. Op het EK van 1984 speelde hij ook als een god; mede dankzij zijn acht doelpunten won Frankrijk het tournooi op eigen bodem.

Net als Nederland kende Frankrijk lange tijd weinig geluk op wereldkampioenschappen. Het prachtige team rond Michel Platini werd in de jaren tachtig tweemaal op tragische wijze in de halve finale door West-Duitsland verslagen.

In 1998 moest het in eigen land dan toch een keer lukken. Aimé Jacquet wist met zijn ploeg te bereiken wat Platini en zijn musketiers ondanks hun élan tien jaar eerder niet gelukt was. Jacquet hanteerde gedurende het hele toernooi een onwrikbaar defensieve tacktiek. Hoewel reeds gezegend met een stel eersteklas verdedigers stelde hij drie stoere middenvelders voor hen op en vertrouwde hij erop dat het genie Zinedine Zidane voorin de openingen zou creëren.

De kracht van dit Franse elftal zat in de misdadige hoeveelheid talent op het middenveld. Zinedine Zidane, Christian Karembeu, Youri Djorkaeff, Christophe Dugarry met Marcel Desailly en Patrick Viera als verdedigende krachten. Jacquets verdediging was zijn sterke kant, hij had geen aanvallers van internationale klasse, laat staan van wereldklasse.

De groepswedstrijden werden eenvoudig gewonnen. Het ijzersterke middenveld met Zidane, Karembeu, Petit, Deschamps controleerde wedstrijden compleet maar in de volgende rondes kreeg Frankrijk moeite met scoren. Tegen Italië bood een penaltyreeks uitkomst en in de halve finale moest de ontketende vleugelverdediger Thuram twee keer scoren om de gedroomde finaleplaats te bereiken.

In het Stade de France speelt Frankrijk een van de meest dominante WK-finales ooit en de finale werd een eenzijdige aangelegenheid. Het drama was al geschied voor de aftrap; Ronaldo moest bijna verstek laten gaan door een onverklaarbare toeval in zijn hotel. Het belangrijkste wapen van de Brazilianen raakte in de wedstrijd geen bal en de beduusde ploeg kwam daardoor geen moment in zijn spel. Zidane speelde wel naar vermogen en stelde de winst met zijn flair en twee goals al voor de rust veilig. De Wereldbeker is weleens gewonnen door betere ploegen, maar Frankrijk had een paar keer verschrikklijk pech gehad in de jaren tachtig en verdiende de zege.

Twee jaar later bij de Euro 2000 was de laatste linie van Thuram, Desailly, Blanc en Lizarazu nog altijd intact, was het middenveld gestaald met de inbreng van Viera en had Thierry Henry zich ontwikkeld tot een overtuigende spits (en was niet meer de licht- gewicht vleugelspeler van het WK 1998). Deze keer waren de Fransen wel favoriet en maakte ze hun favorietenrol waar. Italië bood weliswaar tegenstand, maar de gouden goal van David Trezeguet in de verlenging gaf de Fransen waar ze recht op hadden.

1998: Frankrijk

2008-2012: Spanje

Na het gewonnen EK 1964 in eigen land presteerde het Spaans elftal jarenlang over het algemeen matig op de grote eindtoernooien, hoewel de Spanjaarden voorafgaand aan de toernooien vaak getipt werden als een van de topfavorieten. Jarenlang begon het Spaanse voetbalelftal als een van de favorieten aan een WK en telkens eindigde het door onkunde, ongeluk of arbitrale dwalingen in tranen.

Een van de weinige hoogtepunten was een finaleplaats op het EK van 1984 die met 2-0 verloren werd van gastland Frankrijk. (Te) weinig voor een grootmacht. Spanje heeft immers een van de sterkste competities van Europa. Met altijd machtige clubs, altijd prachtige voetballers en altijd gerenommeerde trainers. Maar te weinig heeft dat geleid tot titels voor de nationale ploeg. Doorgaans was de mengeling van Catalanen, Madrilenen en Basken fnuikend. De verschillen in afkomst leidden tot verwarring van spraak en opvatting.

29 Juni 2008 kan de boeken in als de start van een Spaans tijdperk. Het tijdperk van Nederland vond plaats in de jaren ’70, Frankrijk had zijn beste periode rond de eeuwwisseling en Brazilië won in 1958 en 1962 twee wereldkampioenschappen op rij.

Op die memorabele dag in juni 2008 werd het land na 44 jaar eindelijk weer Europees kampioen door Duitsland in de finale met 1-0 te verslaan. Op Euro 2008 had coach Luis Aragonés eindelijk een formule gevonden waarmee met aanvallend combinatievoetbal succes werd behaald. Het tijdperk van tiqui taca, een vernieuwde versie van het totaalvoetbal, was aangebroken.

In de aanloop naar het EK van 2008 namen de Spanjaarden aanvankelijk een gereserveerde houding aan. Terwijl in Nederland de Oranjegekte al voor de openingswedstrijd toesloeg, bleef het in Spanje rustig. Maar naarmate het elftal van Aragones in het toernooi groeide, werd de verbondenheid van het volk met de voetballers alsmaar groter. De Catalanen keken ineens met trots toe hun ‘zonen’ als Carles Puyol, Xavi Hernandez en Cesc Fabregas hun bijdrage leverden aan het succes.

Aragones wist niet alleen een hechte groep te smeden van de zeer talentvolle generatie, maar hij liet zijn spelers ook nog eens modern en aantrekkelijk voetbal spelen. Spanje opende het toernooi met een klinkende 4-1 overwinning op het Rusland van Guus Hiddink. Spanje speelde daarna mindere wedstrijden tegen Zweden, Griekenland en Italië maar bleef als enige ploeg van het toernooi ongeslagen. In de halve finale tegen Rusland speelde Spanje met fraai combinatiespel opnieuw de ploeg van Hiddink van de mat. Dit keer won Spanje alweer verdiend met 3-0.

In de aanloop naar de finale begon La Seleccion als de favoriet tegen de Duitsers van Joachim Löw. In de uren voor de wedstrijd vierden duizenden Spanjaarden in de binnenstad van de Oostenrijkse hoofdstad al feest. De voetbalprofs begonnen in het Ernst Happel Stadion nerveus aan de finale van het EK. In de openingsfase waren de beste mogelijkheden voor de Duitsers. De wijze waarop Miroslav Klose al na vier minuten de bal zomaar in de voeten geschoven kreeg van Sergio Ramos was symptomatisch. De Duitse spits schrok echter zo van de vroege kans dat hij de bal achter schoot.

Fernando Torres gaf met zijn treffer in de 33e minuut min of meer een startsein voor jaren vol overwinningen voor de Spanjaarden. Na deze overwinning bereikte Spanje voor het eerst de koppositie van de FIFA wereldranglijst. Barcelona pakte twee keer de Champions League in een korte periode en Del Bosque, de vervanger van Aragones, hielp Spanje aan nog twee grote prijzen: een EK en een WK.

2008: Spanje

Tijdens de aanloop naar het WK in Zuid-Afrika werd Aragonés opgevolgd door Vicente Del Bosque die meer zekerheid inbouwde. Toch ging de openingswedstrijd tegen Zwitserland dankzij een klutsgoal verloren. Nog nooit was een land wereldkampioen geworden nadat het de eerste wedstrijd had verloren. Spanje bleef de volgende wedstrijden geduldig op balbezit spelen waardoor het taaie tegenstanders als Portugal en Paraguay langzaam sloopte. De beste wedstrijd speelde Spanje in de halve finale tegen Duitsland dat eerder op het toernooi indruk had gemaakt met snel, aanvallend voetbal. De finale tegen Nederland werd ontsierd door hard spel, maar ook dit keer bleek geduld een schone zaak. Iniesta scoorde in de verlenging de bevrijdende treffer na een karakteristieke aanval over veel schijven.

In werkelijkheid is dit het beste landenteam aller tijden. Het toeval wil alleen dat de zeven wedstrijden op het wereldkampioenschap in Zuid-Afrika niet tot de beste partijen uit de zesjarige heerschappij van de Spanjaarden behoorden. De tweede poulewedstrijd tegen Chili was nog het meest het aanzien waard. Spanje werd wel wereldkampioen en omdat het elftal voor en na het toernooi gelijk was aan de ploeg die de titel veroverde is een ereplaats zeer terecht.

Dit elftal herbergt twee van de meest begaafde middenvelders die ooit over de velden hebben gedarteld, Xavi Hernandez en Andres Iniesta. Opvallender nog is dat het elftal nooit een echte spits heeft gehad. David Villa is Spaans topscorer aller tijden maar kwam vanaf de vleugel terwijl Fernando Torres als pinchhitter diende en eerste keus Cesc Fabregas eigenlijk middenvelder was. Het deerde het team echter niet, Villa maakte zelfs vijf goals op het toernooi.

2010: Spanje

In 2012 werd Spanje het eerste land dat erin slaagde de Europese titel te prolongeren door Italië in de finale met 4-0 te verslaan. Dit was tevens de grootste uitslag ooit in een finale van een groot toernooi. Spanje kreeg slechts 1 doelpunt tegen in het gehele toernooi en scoorde zelf 12 keer. Hiermee had het het beste doelsaldo ooit op een EK.

Met een overwinning tegen Italië in de kwartfinale van Euro 2008, later gezien als dé doorbraak van de nationale ploeg, was Spanje vier jaar geleden begonnen aan zijn droomreis door Europa. Uitgerekend tegen dezelfde opponent werd die joyride in Kiev op meesterlijke wijze vervolmaakt. Met het binnenhalen van de Europese titel, de derde trofee op rij, maakte La Roja duidelijk waarom het team de nummer één van de wereld was.

Tijdens de poulewedstrijden kreeg Del Bosque kreeg te horen dat er niet eindeloos moest worden door gecombineerd. Kennelijk gevoelig voor die geluiden, switchte hij daarna tegen de Ieren en Kroaten naar een systeem waarin ruimte was voor spits Torres. Maar hij voldeed niet, zo simpel was het.

In Kiev viel Del Bosque opnieuw terug op Fabregas, die nu wél bekoorde als aanspeelpunt. Alle radertjes grepen ineen en het was genieten van wat Spanje liet zien: hemels spel, waarbij je het niet kon laten te applaudisseren voor het hoge niveau.

In Kiev werd het uiteindelijk 4-0 doordat Torres als invaller vlak voor tijd eerst zelf scoorde én daarna ook nog het vierde doelpunt van Mata voorbereidde. Dat gebeurde overigens tegen tien overgebleven Italianen, doordat de geblesseerd uitgevallen reserve Motta niet meer kon worden vervangen.

Voor Torres, de verguisde spits die vier jaar geleden in Wenen het enige doelpunt maakte in de EK-finale tegen Duitsland, moet dat een moment van genoegdoening zijn geweest. In het Spaanse elftal van 2012 was hij een figurant geworden. Wel eentje die met respect werd behandeld.

Voor het nieuwe Italië, dat tot de finale was doorgedrongen met enthousiast makend spel, moet het frustrerend zijn geweest. Zo zwak speelde de ploeg van Prandelli niet, maar het geweldige combinatiespel van Spanje was ze te machtig.

Het lukte het Spaanse voetbalelftal om met tiki-taka-voetbal geschiedenis te schrijven door het EK 2012 te winnen. Dankzij de 0-4 winst op Italië had Spanje nu het EK in 2008, het WK in 2010 en het EK in 2012 gewonnen, iets wat nog nooit eerder is voorgekomen in de geschiedenis van het voetbal.

Tijdens het WK van 2014 probeerde Del Bosque vast te houden aan het bekende ‘tikkie-takkie’ voetbal, met veel middenvelders en slechts één echte spits. De Spaanse bondscoach bouwde te lang door op het succesteam dat geformeerd was door zijn voorganger Luis Aragonés.

Iker Casillas, Sergio Ramos, Xavi, Xabi Alonso, Andrés Iniesta, Cesc Fabregas, David Silva, Fernando Torres; allemaal waren ze er al bij toen Spanje in 2008 het EK won.

In de eerste wedstrijd van Spanje op het WK van 2014 bleek dat ‘La Roja’ kwetsbaar en zeker niet onaantastbaar was. Het Nederlands elftal droogde de Spanjaarden met 5-1 af. Het einde van de Spaanse overheersing.

2012: Spanje