101 voetbaliconen: (81) Rob Rensenbrink

PASPOORT
Geboren: Amsterdam, 3 juli 1947
Overleden: –
Nationaliteit: Nederlands
Positie: Linksbuiten
Clubs: DWS, Club Brugge, RSC Anderlecht, Portland Timbers, Toulouse FC
Interlands: 46 doelpunten: 14
Doelpunten: DWS: 34, Club Brugge: 24, RSC Anderlecht: 143, Portland Timbers: 6, Toulouse FC: 1
Trainer: –

Pieter Robert (Rob) Rensenbrink speelde tijdens zijn carrière onder meer voor Club Brugge en RSC Anderlecht.

Eind jaren ’60 startte aanvaller Rob Rensenbrink zijn voetbalcarrière in bij DWS in Amsterdam, op dat moment na Ajax de tweede club in de hoofdstad die tijd. Hij werd al snel basisspeler maar begon pas in zijn derde seizoen regelmatig te scoren. Hij kwam dat seizoen tot 10 doelpunten. Ook werd hij dat seizoen door bondscoach George Kessler voor het eerst voor het Nederlands Elftal geselecteerd.

In die periode toonden veel clubs interesse in Rensenbrink. Ook Ajax en Feyenoord toonden interesse maar die hadden met Piet Keizer en Coen Moulijn al twee geweldige linksbuitens in de selectie.

Rensenbrink werd in België in 1973 topscorer. Drie jaar later won hij de Gouden Schoen. De Nederlandse linksbuiten viel vooral op door zijn onnavolgbare dribbels, snelheid en fluwelen techniek. Dat leverde hem destijds de bijnaam “het slangenmens” op. Als speler van Anderlecht veroverde hij onder meer de Europacup II en de UEFA Super Cup.

In zowel 1974 als in 1978 bereikte Rensenbrink met Oranje de finale van het WK. Nederland verloor toen van respectievelijk West-Duitsland en Argentinië.

Zijn meest spraakmakende actie maakte Rensenbrink in de laatste minuut van de WK-finale in 1978, Argentinië-Nederland. Hij schoot tegen de paal. Nooit was Nederland dichter bij de wereldtitel.

Slangenmens Rob Rensenbrink in actie voor het Nederlands elftal
foto: Onbekend

OSV Oostzaan

Pieter Robert (Rob) Rensenbrink is geboren in de Jordaan. Als kleine jongen had hij geen uitgesproken voorkeur voor één van de Amsterdamse clubs. Dat kwam pas toen hij in Oostzaan woonde. DWS sprak hem het meeste aan. ,,Omdat ik uit die buurt kwam. We hebben nog een tijdje in de Spaarndammerbuurt gewoond, Oud-West. DWS was een arbeidersclub, dat trok me wel. Bij Ajax zaten de jongens met kapsones. Dat speelde ook mee.

Ajax wilde hem, maar hij wilde Ajax niet, tot twee keer toe. De eerste keer was in 1965. Rensenbrink speelde bij de amateurs van OSV in Oostzaan, net boven Amsterdam. DWS was in het seizoen 1963-’64 landskampioen geworden, Ajax vocht in 1965 tegen degradatie. Dus vertrok hij naar DWS.

DWS betaalde in 1965 aan OSV 3.000 gulden voor Rensenbrink. In 1974 toonde Ajax opnieuw belangstelling voor hem, net als Inter Milan en Real Madrid. Hij koos voor het aanbod van Anderlecht, waar hij al drie jaar speelde, om zijn contract zeven jaar te verlengen.

DWS: 1965-1969

Rob Rensenbrink begon zijn voetbalcarrière midden jaren 60 bij DWS, toen na Ajax de grootste club uit de Nederlandse hoofdstad. Rensenbrink werd er meteen een vaste waarde in het eerste elftal, maar het was pas in zijn derde seizoen dat hij regelmatig de weg naar het doel vond. Rensenbrink scoorde in zijn derde seizoen 10 keer en werd door bondscoach Georg Kessler voor de eerste maal geselecteerd voor de nationale ploeg.

Door zijn opvallende prestaties bij DWS toonden heel wat clubs interesse in Rensenbrink. Ajax leek een logische stap hogerop, maar omdat daar Piet Keizer op de positie van linksbuiten speelde, was het vooral Feyenoord dat kans maakte om Rensenbrink aan te trekken. Nochtans had Feyenoord toen, met clublegende Coen Moulijn, ook al een sterke linksbuiten in huis. Er waren contacten tussen Feyenoord en Rensenbrink, maar een transfer kwam er nooit.

Als Feyenoord op de transfermarkt naast een gerenommeerde aanvaller grijpt, denkt Rensenbrink nog wel eens terug aan 1969. De Rotterdamse club wilde hem destijds graag van DWS overnemen. Het bestuur zag in de linksbuiten de ideale opvolger van Coen Moulijn. Bestuur en speler waren al akkoord, maar Feyenoord-trainer Ernst Happel sprak zijn veto uit. Moulijn kon volgens de Oostenrijker nog wel een paar jaar mee.

Hij gaf de voorkeur aan versterking op het middenveld. Dus heette de nieuwste aankoop van Feyenoord niet Rensenbrink maar Hasil.

Hoewel Feyenoord een jaar na de afgeketste transfer als eerste Nederlandse club de Europa Cup voor landskampioenen won, meent Rensenbrink dat de club destijds een fout heeft gemaakt. Hij ziet raaklijnen met het huidige aankoopbeleid. “Feyenoord is altijd een beetje zuinig geweest. Het was een eer om er te spelen, dus je moest niet zeuren over het salaris. Ik vind dat ze toen heel fout hebben gehandeld, vooral door een trainer zeggen- schap te geven. Een trainer is er maar een aantal jaren en clubbestuurders moeten toch wat verder kijken dan hun neus lang is.

Ik dacht dat Coen Moulijn een jaar of 30 was, ik was 22. Ik vond het stom van Feyenoord.”

Het elftal van DWS, staand vlnr, Flinkevleugel, Soetekouw, Pijlman, Dijkstra, Overweg, Jongbloed,
zittend vlnr, Smit, Geurtsen, Van der Vall, Seemann, Rensenbrink. 18 augustus 1968
foto: Onbekend / Anefo

Club Brugge: 1969 – 1971

In 1969 verhuisde de Nederlander dan maar naar Club Brugge, samen met trainer Frans de Munck en voetballer Henk Houwaart. Kostprijs van de transfer was € 205.000. Nooit meer zou de man met de hoogstaande slalombewegingen voor een Nederlandse club spelen. Daar gaf toenmalig sportjournalist Maarten de Vos hem na een Europa-Cupwedstrijd tegen Ujpest Dosza de bijnaam Slangemens, geïnspireerd door de Hongaarse trainer die zei dat hij Rensenbrink als een slang langs de lijn had zien kronkelen.

Hij had nog nooit van de Belgische club gehoord (“Toen was het nog een modale club”), maar hij wilde wel hogerop. En het buitenland leek hem wel wat. “Ik wilde vooral naar een grote club. Dan is er eerst Ajax natuurlijk, maar die hadden Piet Keizer. Met Feyenoord, dat Moulijn had, zijn er wel contacten geweest. Maar toen kwam Club Brugge en die betaalden meteen wat DWS vroeg. En in vergelijking met de Nederlandse salarissen betaalde Club heel goed, drie vierde meer, ik dacht nou…” Nou… snel trouwen en naar Brugge, met “de Vlaamse sfeer,” die zijn landgenoten Frans De Munck, trainer, en Henk Houwaart er toen ook ontdekten.

Hij won met Club Brugge meteen in zijn eerste seizoen de Belgische Beker en viel vooral op door zijn dribbels, zijn snelheid en zijn techniek.

Een leuke periode, joviale mensen en een sterke ploeg (Lambert, Carteus, Vandendaele, Houwaart,…), behalve een Belgische beker ook nog een kwartfinale in de Europacup II, “ik voelde mij daar heel goed.” Maar na twee jaar meldde zich een grote club, waar je niet zoals in Brugge zelf je trainingskleren moest wassen. “Anderlecht was toen wel wat weggezakt, het is niet zo dat het voor mij een echte droom was voor Anderlecht te spelen. Maar ik kon er een hoop meer verdienen. In het andere geval was ik wellicht gewoon bij Brugge gebleven, ik had het er enorm naar mijn zin.

In 1971 verliet Constant Vanden Stock het bestuur van Club Brugge om vervolgens voorzitter van eeuwige rivaal Anderlecht te gaan worden. Hij nam in zijn kielzog Rensenbrink mee. Daar speelde hij samen met nog andere Nederlanders als Jan Mulder, Arie Haan, Peter Ressel en Leen Barth.

RSC Anderlecht: 1971 – 1980

Grotere successen behaalde Rensenbrink bij RSC Anderlecht waar hij vanaf het seizoen 1971-1972 onder contract stond. Ook hier won hij in zijn eerste seizoen meteen prijzen; de beker en de landstitel. In het seizoen 1972-1973 eindigde de Brusselse voetbalclub teleurstellend zesde maar won het wel opnieuw de beker.

“Anderlecht was ook een andere club: allemaal echte héren, niet zo spontaan als die meneer Hutsebaut van Club Brugge bijvoorbeeld. Het was niet echt mijn stijl, ik deed gewoon mijn best, maar wat er om heen ging liet ik aan mij voorbijgaan. Wat niet wil zeggen dat ik er mij niet prettig voelde, ik ben nogal gemakkelijk in die dingen. En ik zat er ook weer met andere Nederlanders: Jan Mulder, Jan Ruiter en Leen Barth, en Kessler, die mij kende van bij Oranje, was er trainer, ik denk dat hij mijn komst had doorgedrukt.”

De club, die Rensenbrink bij Club Brugge weghaalde in ruil voor Puis en Johhny Velkeneers, met zes miljoen frank er bovenop, heeft zich in elk geval nooit beklaagd: Rensenbrink, weergaloos voetballer, werd dé smaakmaker van de club waarmee hij in negen jaar tijd twee landstitels, vier Belgische bekers en vooral twee Europese bekers (’76 en ’78) won. Die reeks werd dus ingezet onder Kessler, met meteen een dubbelslag, in het seizoen ’71-’72.

Rensenbrink(rechts) een absolute vedette in België
foto: Volkskrant

Rensenbrink, gemakkelijke jongen en niet echt een trainingsbeest, en Kessler, de harde: het klikte. “Dat eerste jaar toch. Hij was de grote organisator, alles moest perfect in orde zijn: de ballen, de krijtlijnen… Maar het volgende seizoen was het een stuk minder en werd hij halfweg ontslagen.” Na (ad interim) Van den Bosch en twee jaar Braems (respectieve- lijk titel en beker) volgden Hans Croon, de enige trainer met wie hij echt ruzie kreeg (“Ik moest mandekker spelen en ging uit protest op de training op een van de doeltjes zitten, we hebben drie maanden niet met elkaar gesproken”) en Goethals, “bij die ging je echt met plezier naar de training. En als we zeiden oh neen, niet weer gaan lopen in het bos, dan hoefde het ook niet.”

Raymond Goethals over Rob Rensenbrink: “Als Anderlecht een nieuw stadion heeft gebouwd, dan heeft Robbie minstens voor de financiering van één tribune gezorgd.” Niet alleen door Raimundo, en door Paul Van Himst (“Na Johan Cruijff was hij de beste ter wereld”) en Constant Vanden Stock (“Robbie was de gruutsten”), maar door bijna iedereen wordt Rob Rensenbrink als de allergrootste uit de geschiedenis van Anderlecht aangeduid. En daar is de koele Nederlander best trots op: “Anderlecht heeft heel wat schitterende voetballers gehad. Van Himst, Jurion, Swat Van der Elst, ik heb nooit goed begrepen waarom zij die zo gemakkelijk naar Amerika lieten vertrekken, Lozano,… Coeck vond ik niet zó… En Puis was misschien in zijn tijd de beste linksbuiten van Europa.

Als kenners als Vanden Stock, Goethals en Van Himst, die mij toch goed hebben gekend, dan zoiets zeggen over mij, dan moet mij dat toch wat.”

Midden jaren 70 groeide Rensenbrink uit tot de nieuwe ster van het elftal. Zijn dribbels maakten hem populair bij de supporters, hoewel ze door tegenstanders vaak bestraft werden met zware tackles. De linksbuiten werd in 1973 topscorer en trad zo in de voetsporen van zijn landgenoot Jan Mulder. Maar ook als uitblinker kreeg Rensenbrink kritiek. Voetbalcritici meenden dat Rensenbrink zich niet kon opladen voor wedstrijden tegen zogenaamde kleinere ploegen als bijvoorbeeld Beringen FC en enkel tot het uiterste ging in topwedstrijden. Zelf ontkende hij dit. Trainer Raymond Goethals verwoordde het als volgt: “Voor galawedstrijden trok Robbie zijn smoking aan.”

Alles samen werd de Nederlander in negen jaar Anderlecht toch maar twee keer kampioen, en dat was, gezien de kwaliteiten in het Astridpark, te weinig. Trainer Raymond Goethals: “Het ontbrak ons in die periode aan mannekes die de mouwen konden opstropen als het een keer wat minder ging. Later zijn er De Bree, Thissen, Dusbaba,… bijgekomen, zulke kerels misten we.”

Kerels die ook in de doordeweekse Belgische competitiewedstrijden, tegen Beveren, Waterschei, of Cercle Brugge, zeg maar, bereid waren een mes tussen de tanden te nemen. Want in die jaren zeventig was vooral sprake van het grote Anderlecht op de Europese avonden. De gala-avonden van Rensenbrink. “Als je dan aan het stadion kwam, ging de adrenaline door je lichaam: nou moet het gebeuren,” bekent Rensenbrink.

En bij de mooiste herinneringen komen de Europese finales voorop, dat wel. “Onbewust wellicht, leef je daar toch met een andere instelling naartoe. Anders dan naar een wedstrijd tegen Beveren.” Maar de verhalen dat hij alleen op die hoogtijdagen voluit wilde presteren vindt hij toch wel een beetje overdreven. “Ik kreeg dat opgeplakt. Het is ook niet waar dat ik alleen thuis goede wedstrijden speelde. Het is wel zo dat ik uit minder in het spel werd betrokken, dat is al een heel ander verhaal.”

Maar hij wás een momenten-voetballer, dat is waar, “een tribunespeler,” zei hij zelf al. “Als je de hele wedstrijd achter die bal aanholt, mis je de scherpte voor beslissende acties.”

En vanwege die onvergetelijke acties, die unieke passeerbeweging, die verfijnde balbehandeling, was hij dé vedette van het Astridpark. Een vedette zonder enige vedette-allures. “Gewoon door het voetballen. Ik denk niet dat ik veel mensen tegen mij had. Ik was ook heel rustig, trok mij zo weinig mogelijk aan van alle drukte.” Niet alle Nederlanders hebben een grote mond. “Ik weet niet hoe andere spelers over mij dachten, maar ik ging toch met iedereen goed om.”

Zelf zat hij liever rustig in zijn hoekje. Hoewel hij in zijn laatste jaren in het Astridpark toch met de aanvoerdersband rondliep. “Ach… De scheidsrechter een handje geven, veel meer stelde dat niet voor. Zo veel moest er niet geregeld worden, bij een club als Anderlecht heeft een aanvoerder toch niet zo veel te vertellen. Het was toch niet van: Meneer Vanden Stock, ik kom effe langs Ik vind niet dat het een hele eer was, ik vond dat aanvoerderschap niet zo belangrijk,” Hij stond ook niet zo dicht bij de supporters, een supportersclub heeft hij nooit gewild. En in de media zocht hij ook nooit belangstelling.

Controverse met Arie Haan

Later werd daarvan gemaakt dat hij wat gedrevenheid miste. En met de komst van Arie Haan keerde zich dat ook tegen hem. Haan, de rauwe winnaar, “altijd met de borst vooruit,” versus Rensenbrink, “doe maar zo gewoon mogelijk”. Zoveel moge duidelijk zijn, Rensenbrink en Arie Haan, ploeggenoten bij Anderlecht en Oranje, waren geen vrienden. De verziekte relatie was in 1980 zelfs de aanleiding dat Rensenbrink voortijdig bij de Belgische club vertrok. Een seizoen lang hadden ze niet met elkaar gesproken. ,,In het begin had ik bij Anderlecht geen problemen met Haan. We gingen goed met elkaar om. Maar na het WK in Argentinië kreeg hij een dikke nek, zoals dat in België heet. Daar had ik moeite mee, toen is het geëscaleerd en uit de hand gelopen.

Rensenbrink: “Die affaire met Haan zat diep, ja. Uiteindelijk ben ik toch voor hem opgestapt. Ik wist dat hij zo inelkaar stak en niet zou veranderen, ik had geen zin om elke dag weer met zo’n gezicht in de kleedkamer te zitten. Zo ben ik nu eenmaal: ik kan met iedereen opschieten, maar als ik aan iets of iemand een hekel krijg, blijft het lang hangen. Het verpestte de hele sfeer in de groep, er werd veel achter je rug gebabbeld, veel dingen die niet waar waren. We hadden de laatste drie jaar ook veel successen behaald, de meesten waren een beetje volgevreten. Er werd gestookt ook, Van Binst kon dat ook goed. Het zal ook wel wat met jaloezie te maken hebben gehad en er werd ook verteld van die verdient meer enzo.”

Rensenbrink (links) met Arie Haan naast zich op het WK van 1974.
foto: Onbekend

“In die omstandigheden stapte ik dus liever op. De voorzitter kende het probleem, ik heb het hem ook expliciet uitgelegd. Ik zei: ik ga weg. Hij werd boos: jij blijft, dan gaat Haan maar weg. Ze waren ook bang voor het publiek, natuurlijk. ‘Dan kan je beter mij wegdoen, ik ben 31, voor mij krijg je volgend jaar niks meer’, antwoordde ik. Met pijn en moeite is het mij toch gelukt. Hoewel ik achteraf toch wel bedacht dat men nu ook weer niet zoveel moeite heeft gedaan om mij te houden. (peinzend) Wat mij misschien het meest is bijgebleven van Anderlecht is de dag dat ik er ben weggegaan.

Op zaterdag speelde ik tegen Beerschot mijn laatste wedstrijd, 1-1. Voor de wedstrijd kreeg ik van de supporters een bloemetje, vanuit Anderlecht was er niks. “De volgende ochtend vertrok ik naar Amerika, in de luchthaven was er niemand van de club om mij uit te zwaaien. Niemand, behalve Fernand Beeckman, de masseur. Dat moment vergeet ik nooit: ik draaide mij om en daar stond alleen Beeckman te zwaaien.”

“Toen was ik blij dat ik weg was bij Anderlecht, maar later zou blijken dat ik er te vroeg ben opgestapt.

Europees succes met Anderlecht

Dat Rensenbrink in topwedstrijden goed voor de dag kwam, legde Anderlecht geen windeieren. In 1976 bereikte hij met paars-wit voor het eerst de finale van de Europacup II. Anderlecht kwam in die finale 0-1 achter tegen West Ham United, maar won uiteindelijk met 4-2 na onder meer twee doelpunten van Rensenbrink. Enkele maanden later draaide de Nederlander tijdens de UEFA Super Cup zijn bewaker Hans-Georg Schwarzenbeck dol. Anderlecht had de heenwedstrijd met 2-1 verloren, maar maakte in de terugwedstrijd Bayern München met 4-1 in. Rensenbrink scoorde opnieuw twee keer. Wat later werd hij in België voor zijn prestaties beloond met de Gouden Schoen.

Een jaar later bereikte Anderlecht voor de tweede keer op rij de finale van de Europacup II, maar ditmaal verloor de club met 2-0 van HSV. In 1978 loodste Goethals Anderlecht naar een derde finale op rij. Tegenstander Austria Wien werd toen met 4-0 ingeblikt. Rensenbrink scoorde twee keer en mocht na afloop als aanvoerder de Europacup in ontvangst nemen.

In december van dat jaar nam Anderlecht het voor de UEFA Super Cup op tegen Liverpool FC. Het won in eigen huis met 3-1 en kon in Engeland de schade beperken. Anderlecht won zo voor de tweede keer de Super Cup.

Aanvoerder Rob Rensenbrink met de gewonnen Europa Cup II beker.
foto: ZDF

Bekend is de bal van Rensenbrink, in de laatste minuut van de wedstrdijd, tegen de paal in de WK finale van 1978. Er is een andere laatste minuut die Rob Rensenbrink net zo scherp op het netvlies staat als die ene in de WK-finale van 1978. ,,We speelden in het seizoen ’78-’79 voor de Europa Cup II met Anderlecht tegen Barcelona. Cruijff was net weg bij Barcelona, Neeskens zat er nog. Thuis wonnen we met 3-0 en we dachten, dat is genoeg. Uit stonden we met 2-0 achter. In de laatste minuut gaat meneer Haan op buitenspel spelen, de bal gaat er overheen, 3-0. Na de verlenging verloren we met strafschoppen.

Ik kwam niet meer aan de beurt, ik zou de vijfde en laatste nemen. Toen hadden we er al drie gemist. Barcelona won dat jaar de beker.” Het moge duidelijk zijn, Rensenbrink en Arie Haan, ploeggenoten bij Anderlecht en Oranje, geen vrienden waren.

Rensenbrink speelde van 1971 tot en met 1980 voor Anderlecht in totaal 260 wedstrijden (143 doelpunten) en groeide midden jaren ’70 uit tot dé absolute sterspeler. Door zijn fantastische dribbels was hij ook erg geliefd bij de Belgische supporters. In 1973 werd hij topscorer in de hoogste Belgische klasse en won hij daarmee de Gouden Schoen. Vooral in topduels speelde Rensenbrink altijd erg goed.

Portland en Toulouse: 1980 – 1981

In 1980 verliet Rensenbrink het Astridpark. De 32-jarige Nederlander trok naar de Verenigde Staten en sloot zich aan bij Portland Timbers, toen een club uit de North American Soccer League. In die dagen verhuisden veel voetballers in de winter van hun carrière naar Amerika, waar het toen vaak financieel aantrekkelijker was dan in Europa. Ook Johan Cruijff, Johan Neeskens, Pelé, Juan Lozano, Jürgen Klinsmann, Wim Jansen, Lex Schoenmaker, Leo van Veen, Guus Hiddink en Dick Advocaat hebben een tijdje in Amerika gevoetbald. Rinus Michels en Cor van der Hart waren van 1978 tot 1980 trainer in de U.S.A..

Rensenbrink bleef zoals de meeste Europese spelers niet lang in de Verenigde Staten. In 1981 keerde hij terug naar Europa. Hij belandde bij de Franse tweedeklasser Toulouse FC, waar toen zijn goede vriend en ex-ploegmaat Gilbert Van Binst speelde. Maar vanwege een zware blessure werd zijn contract bij de Franse club voortijdig verbroken. Nadien keerde hij terug naar Nederland. Een aanbod om ergens trainer of jeugdtrainer te worden, kwam er niet. Met uitzondering van een korte periode waarin hij hoofdtrainer was bij OSV, verdween Rob Rensenbrink, met Oranje twee WK-finales achter de rug en op het WK in ’78 de auteur van het duizendste doelpunt uit de geschiedenis van de wereldbeker, helemaal in de anonimiteit.Het liefst langs het riet aan de waterkant met een hengel.

Nederlands elftal: 1968 -1979

In mei 1968 debuteerde Rensenbrink bij Oranje. Zijn eerste interland vond plaats in Amsterdam op 30 mei, toen ook middenvelder Wim van Hanegem (Xerxes) zijn debuut maakte voor Oranje. Nederland speelde toen met 0-0 gelijk tegen Schotland. Het was toenmalig bondscoach Georg Kessler die hem voor het eerst selecteerde. Rensenbrink maakte deel uit van een sterke generatie bestaande uit onder anderen Johan Cruijff, Ruud Krol, Arie Haan, Johan Neeskens, John Rep en Willem van Hanegem. Nederland bereikte de finale van het WK 1974 in München, maar verloor toen met 1-2 van West-Duitsland. Rensenbrink werd in de rust vervangen door René van de Kerkhof.

De nuchtere Rensenbrink liet zich zelden op passie en hartstocht betrappen, binnen noch buiten de lijnen. “,Ik was niet pessimistisch, maar voor een wedstrijd had ik zoiets van: eerst zien of we winnen. Ik had vreselijk veel moeite met spelers die bij 1-0 al het hek ingingen. En dan verloor je met 4-1. Als ik een goal maakte, nou, handje omhoog en eh, eerst maar wachten tot die wedstrijd afgelopen was. Dan kon je altijd nog juichen.”

Bij Anderlecht kreeg Rensenbrink alle ballen. “Bij Oranje was het een ander verhaal. Daar heb ik me nooit honderd procent goed in gevoeld.” Cruijff was de leider, naar hem gingen alle ballen. Ik houd niet van die praatjesmakers. Je kan ook een leider zijn als je niet zo’n dominante figuur bent.”

Ook al stoorde Rensenbrink zich mateloos aan het praten van Cruijff, hun relatie was goed. “Ik heb nooit problemen met hem gehad. Misschien omdat hij vond dat ik ook een goeie voetballer was. De mindere spelers hadden meer problemen met hem. Johnny Rep kreeg altijd op z’n sodemieter.”‘ Rensenbrink kon dus goed opschieten met Cruijff maar al zijn theatrale aanwijzingen tijdens de wedstrijd vond Rensenbrink overdreven. Neeskens vond hij wel erg vaak zwaar geblesseerd op de grond liggen en Van Hanegem was in 1978 te oud en te traag om nog te spelen op een wereldkampioenschap.

In zijn boek 1974 Wij waren de besten, van Auke Kok werd de naam van Rensenbrink ook genoemd in de zwembadaffaire. Rensenbrink: ”Ja, daar is absoluut niks gebeurd! Na een wedstrijd hadden wij een feestje in het hotel. Daarna zijn wij nog met een paar jongens naar het zwembad gegaan. Een paar vrouwen kwamen er ook bij en zijn toen ook in het zwembad gesprongen. Wij konden ze toch niet tegenhouden? Het stelde echt helemaal niks voor. Dat hele verhaal stond later met grote letters in De Telegraaf. Daarna hebben alle spelersvrouwen opgebeld. Dat was natuurlijk niet zo leuk.”

Op het WK in 1974 was Rensenbrink in de spijkerharde “halve finale” tegen Brazilië geblesseerd geraakt. Deondanks stond Rensenbrink in de basisopstelling van het Nederlands elftal in de finale tegen West-Duitsland, maar werd in de rust gewisseld. Rensenbrink: ”Op de zaterdag voor de finale heb ik voluit getraind. Ik kon alles doen en was 100 procent fit. Met Michels heb ik daarna besloten om te spelen. Maar in de pauze heb ik zelf tegen Michels gezegd dat het niet ging en dat ik gewisseld moest worden. Het ging gewoon niet. Ik heb waarschijnlijk onbewust toch teveel aan die blessure gedacht.”

Rob Rensenbrink voor Nederland in actie op het WK van 1974.
foto: Onbekend

Twee jaar later nam hij met Oranje deel aan het EK in Joegoslavië. Nederland werd in de halve finale uitgeschakeld door Tsjecho-Slowakije (3-1), waarna het in de troostfinale met 2-3 uit won van het gastland Joegoslavië en dus als 3de eindigde op het EK 1976. Nederland had een heel sterk elftal dat het EK76 had moeten winnen: Van Beveren, Suurbier, Krol, Jansen, Hovenkamp, Peters, Van der Kuijlen, Gerrie Muhren, Rene van de Kerkhof, Cruijff, Rensenbrink.

Als Oranje in 1976 Europees kampioen was geworden was niet Franz Beckenbauer maar Rob Rensenbrink tot Europees voetballer van het jaar gekozen. Rensenbrink had dat jaar met Anderlecht de Europacup II gewonnen na een 4-2 overwinning op West Ham United. Rensenbrink scoorde twee maal. Een maand eerder scoorde hij drie maal in de thuis- wedstrijd van Nederland tegen de Belgen.

In juni 1978 nam Rensenbrink voor de laatste maal deel aan een groot landentoernooi. Nederland startte als één van de favorieten aan het WK in Argentinië, ondanks de afwezigheid van aanvoerder Johan Cruijff. Rensenbrink werd op het toernooi één van de uitblinkers en maakte makkelijk doelpunten. Tegen Iran scoorde hij zelfs een hattrick.

Als international kreeg Rensenbrink de ballen niet, ook niet op het WK in 1978 toen Cruijff al was gestopt als international. “Die rechtsback van Argentinië was echt de sterkste niet. Maar over dat soort zaken werd nooit gepraat, ook niet in de besprekingen voor de wedstrijd. Ik meen dat Michels dat op het WK van ’74 ook niet deed. We accepteerden gewoon dat Cruijff alle ballen moest hebben. Zelfs Van Hanegem speelde hem steeds aan.” Rensenbrink wil niet zeggen dat iedereen hem in 1978 ,,links liet liggen”, ,,maar er waren spelers die echt de andere kant opkeken”.

Als voetballer kreeg Rensenbrink een van de mooiste complimenten van Rinus Michels. “Je hebt spitsen en je hebt typische buitenspelers, maar hij is allebei tegelijk. Dat is in het voetbal een zeldzame combinatie”, zei de oud-coach ooit. Rensenbrink: “Ze vergeleken me wel eens met Piet Keizer of Coen Moulijn, maar dat waren echte buitenspelers. Ik ben van origine nooit een linksbuiten geweest maar een linksbinnen.” Die favoriete positie kreeg Rensenbrink bij het WK in 1978 niet van bondscoach Happel.

Hij moest naar de linksbuitenplaats, “of net als Cruijff, gewoon een beetje ronddwarrelen”.

Rensenbrink was tevens een penaltyspecialist. Hij was tijdens de WK-eindronde van 1978 goed voor de score honderd procent: vier uit vier. In de groepswedstrijd tegen Iran benutte hij zelfs twee pingels. “Ik denk dat ik in mijn carrière een score van 98 procent heb behaald. Een misser tegen Standard, een misser tegen Diest. Dat zal het zijn geweest. Ik had een vaste methode. Drie meter achter de bal en voor je aanloop beslissen welke hoek je zou kiezen. Kon alles zijn: links, rechts, hoog of laag. Het maakte me niet uit.

“En vervolgens alleen maar naar de bal kijken. Niet naar de keeper kijken, nooit. De bal plaatsen, met de binnenkant van de voet, nooit met de wreef. De mentale componenten zijn koelbloedigheid, ‘kalm blijven’ en ‘goed concentreren’. ‘Eén keer, bij het WK in Argentinië, heeft Koncilia van Oostenrijk me in verwarring gebracht. Hij ging met de rug naar me toestaan. Hij draaide zich pas om toen ik schoot. Maar toen lag de bal er al in. ‘Een misser heeft zware gevolgen voor een voetballer. ‘Johan Neeskens miste twee keer op rij in Spanje en wilde toen nooit meer. Daarna heb ik het overgenomen bij het Nederlands elftal.”

Het WK voetbal 1978 in Argentinië zou zijn laatste grote toernooi worden. Bijna werd dit een succes wat hij nooit meer kon evenaren: Rensenbrink schoot tijdens de finale in de allerlaatste minuut van de reguliere speeltijd op de paal. Wanneer hij de bal in de goal had gekregen was Nederland wereldkampioen geweest. In de verlenging scoorde tegenstander Argentinië twee maal waardoor Nederland de titel kon vergeten. Nog nooit was Nederland zo dicht bij het winnen van een WK.

Rensenbrink vindt het niet vervelend steeds aan dat moment te worden herinnerd. “Ik moet alleen altijd uitleggen dat het geen open kans was. Daar word ik wel eens moe van. Dan komen ze naar me toe en zeggen ze ‘godverdomme, waarom heb je ‘m er in die laatste minuut niet ingeschoten?’. En dan moet ik me toch weer verdedigen: ‘Die bal was helemaal aan de zijlijn, ik kon ‘m net halen en ik schoot ‘m onder de keeper door en toen kwam ie tegen de paal aan’.”

Rensenbrink op het WK in 1978 tegen Oostenrijk.
foto: Imago

Rensenbrink speelde zijn allerlaatste interland in 1979. Oranje kwam toen uit tegen Polen en verloor met 2-0. In 1981 nam de aanvaller afscheid van het betaalde voetbal. Hij speelde uiteindelijk 46 interlands voor het Nederlands Elftal en scoorde hierin 14 keer. In een afscheidsinterview zei Rensenbrink eens “Ik ben miljonair maar ik kan niks”.

Onderscheidingen

In maart 2004 werd Rensenbrink door de Braziliaanse stervoetballer Pelé geselecteerd voor de FIFA 100.

In 2007 verkoos een jury van (oud-)trainers, waaronder Jan Ceulemans, Wilfried Van Moer en Paul Van Himst, Rensenbrink tot de beste buitenlandse speler die ooit in de Belgische competitie actief is geweest.

De 59-jarige Rensenbrink reageerde verheugd op de ietwat late beloning op zijn voetbalcarriere. ”Ik zal er wel niks voor krijgen, maar zoiets is toch altijd leuk. Ik denk dat ik wel iets heb betekend in België. Het grootste deel van mijn carrière speelde ik bij Anderlecht en heb daar toch mijn mooiste jaren meegemaakt.”

Waar menig voetballer wiens roots bij onze zuiderburen heeft liggen tegenwoordig voor de Nederlandse competitie kiest was het vroeger soms andersom. ”Er liepen natuurlijk meer goede Nederlanders rond. Arie Haan, Nico de Bree, Jan Mulder en Peter Ressel zijn zo maar een paar namen die mij te binnen schieten.”

Rensenbrink had hevige concurrentie voor de titel. Tweevoudig Gouden Schoen-winnaar Pär Zetterberg uit Zweden eindigde op de tweede plek. De Spanjaard Juan Lozano, die de derde plaats moet delen met de Nederlanders Simon Tahamata en Johan Boskamp. Jan Mulder eindigde als zesde, Arie Haan samen met anderen als negende.

In 2018 verscheen zijn biografie ‘Rob Rensenbrink, Het Slangenmens’, opgetekend door voormalig VI-journalist Bert Nederlof.

Rob Rensenbrink lijdt aan PSMA. De spierziekte wordt het ‘broertje’ van de dodelijke ziekte ALS genoemd en kan ook evolueren tot die aandoening. De oud-voetballer verdiepte zich wel in de ziekte. “Een tiental oud-profs in Italië heeft het ook. Dan vraag je je toch af: waarom? Hebben we misschien te veel van onze spieren gevergd? Topsport is natuurlijk niet gezond: iedere keer weer over je grens heen gaan.”

Prijzenkast en erelijst:

* Belgisch kampioen (Anderlecht): 1972, 1974
* Beker van België: 1970 (Club Brugge), 1972, 1973, 1975, 1976 (Anderlecht)
* Kampioen in Franse Ligue 2 (Toulouse) 1982
* Trofee Jules Pappaert: 1977
* Nationale trofee voor sportverdienste: 1978
* Europacup II: 1976, 1978
* UEFA Super Cup: 1976, 1978
Nederlands elftal:
* 46 interlands 14 doelpunten
* Zilver WK 1974 en 1978
* Brons EK 1976
Individueel
* Gouden Schoen België: 1976
* Topscorer België: 1973
* Ballon D’Or (Gouden Bal) : #2 in 1986, #3 in 1978
* Onze d’Or (Beste speler in Europa): 1976
* Onze de Bronze (3e Beste speler in Europa): 1978, 1979
* Topscorer Europacup II: 1976
* FIFA World Cup Bronze Boot: 1978
* IOC European Footballer of the Season: 1975–76
* FIFA WK All-Star Team : 1974, 1978
* FIFA WK Meeste assists: 1978
* FIFA 100
* Europacup II topscorer aller tijden: 25 doelpunten
* Doelpuntenmaker van het 1000e WK doelpunt

Referenties en bronnen:
Wikipedia, Volkskrant, NRC, www.bestevoetballers.nl, www.anderlecht-online.be, www.soccernews.nl, www.wk74finale.nl